Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:8362

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
29-04-2019
Zaaknummer
3981377/ CV EXPL 15-1625
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- -

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0470
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 3981377\CVEXPL 15-1625\493 uitspraak van 16 oktober 2015

vonnis

in de zaak van

1.

[eiser sub 1] eiser in conventie

gemachtigde mr. D. Djulbic

2.

[eiser sub 2] eiser in conventie

gemachtigde mt. D. Djulbic

3.

[eiser sub 3] eiser in conventie

gemachtigde mr. D. Djulbic

4.

[eiser sub 4] eiser in conventie

gemachtigde mr. D. Djulbic

5.

[eiser sub 5 / gedaagde in reconventie]

eiser in conventie gedaagde in reconventie

gemachtigde mr. D. Djulbic

6.

[eiser sub 6]

eiser in conventie

gemachtigde mr. D. Djulbic tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NXP Semiconductors Netherlands B.V.

gevestigd te Nijmegen gemachtigde mr. E.J. Henrichs

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie (enkel tegen [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie])

Partijen worden hierna zowel bij hun eigen naam (eisers in conventie ieder voor zich) als ook: eisers (eisers in conventie 1 t/m 6), [eisende partij] (eisers in conventie I t/m 5) en NXP genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 22 mei 2015 en de daarin genoemde processtukken de conclusie van antwoord in reconventie in de zaak van [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie]

de bij brief van 7 september 2015 namens eisers ingediende nadere producties (17-19) de bij brief van 15 september 2015 namens NXP ingediende nadere productie (7)

het proces-verbaal van de griffier van de comparitie van partijen van 18 september 2015.

2 De feiten

2.1.

Eisers zijn allen in dienst geweest van (de rechtsvoorgangster van) NXP.

[eiser sub 1], geboren op 19 juni 1952, is op 1 juni 1989 bij NXP in dienst getreden [eiser sub 2], geboren op 6 juni 1952, is op 1 maart 1979 bij NXP in dienst getreden [eiser sub 3], geboren op 9 mei 1950, is op 5 maart 1973 bij NXP in dienst getreden

[eiser sub 4], geboren op 30 december 1951, is op 1 oktober 1976 bij NXP in dienst getreden [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie], geboren op 2 juni 1951, is op 1 augustus 1980 bij NXP in dienst getreden [eiser sub 6], geboren op 8 augustus 1951, is op 1 september 2007 bij NXP in dienst getreden.

2.2.

Eisers zijn allen per 1 januari 2014 boventallig verklaard .

2.3.

De arbeidsovereenkomsten met [eisende partij] zijn, op grond van bedrijfseconomische redenen, met toestemming van het UWV, per 1 april 2014 opgezegd. [eiser sub 6] heeft per 1 februari 2014 ander werk gevonden. Zijn arbeidsovereenkomst is met wederzijds goedvinden beëindigd per die datum.

2.4.

Van toepassing is het Sociaal Plan 2010 NXP Semiconductors Nederland (verder: het sociaal plan). In het sociaal plan, dat zowel door NXP als door FNV Bondgenoten, CNV Bedrijvenbond, De Unie en VHP2 is ondertekend, is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

"Artikel I Definities

(... )

i. Salaris

Het bruto loon per maand, inclusief vakantiegeld, dertiende maanduitkering, ploegentoeslag en vaste bijzondere urentoeslag;

(... )

Artikel 6 Vergoeding bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst Opzegging door werkgever

1. Indien de arbeidsO\ ereenkomst van de mede\\ erker door \\ erkge, er ,, ordt beëindigd. heeft de medewerker aanspraak op een vergoed ing. Deze vergoeding \,ordt vastgesteld op basis van de kantonrechtersformule (KRF). zoals deze geldt op het moment \\aarop de arbeidsovereenkomst eindigt. De in deze formule gehanteerde correctiefactor C bedraagt 1.

Opzegging door medewerker

2. Indien de arbeidsovereenkomst van de aangezegd medewerker - na het verstrijken van de boventalligheidsdatum - eindigt op initiatief van de medewerker, door middel van(... ) een door \\erkgever en mede\\erker op te stellen beëindigingsovereenkomst. heeft de mede\\erker aanspraak op een vergoeding. Deze vergoeding wordt vastgesteld op basis van de kantonrechtersformule (KRF). zoals deze geldt op het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. De in deze formule gehanteerde correctiefactor C bedraagt 1. (... )

Maximale vergoeding

4. Indien de berekening van de vergoeding op basis van de kantonrechtersformule (... ) meer bedraagt dan het salaris over de periode vanaf en met inbegrip van de eerste dag na afloop van de arbeidsovereenkomst en de dag waarop de arbeidsovereenkomst geëindigd zou zijn als gevolg van het bereiken van de uittredingsrichtdatum conform de door NXP met PME overeengekomen pensioenregeling, wordt de vergoeding vastgesteld op laatstbedoeld bedrag.

Voor medewerkers geboren in 1950, 1951 of 1952 geldt, indien zij aanspraak hebben op de TOPSUM(VEOP)-regeling van PME. als uittredingsrichtdatum de eerste van de maand waarin de desbetreffende medewerker de leeftijd van 62 jaar bereikt.

Indien en voor zover de medewerker, geboren in 1950, 1951 of 192, aantoont geen aanspraken te kunnen ontlenen aan de VEOP-regeling, wordt als uittredingsrichtdatum gehanteerd, de eerste dag van de maand waarin de medewerker alsnog kan pensioneren onder dezelfde voorwaarden als op 62 jaar, als ware bij het bereiken van de leeftijd van 62jaar de VEOP-regeling wel van toepassing geweest."

2.5.

De in artikel 6 lid 4 eerste volzin van het sociaal plan bedoelde uittredingsrichtdatum is, overeenkomstig de door NXP met PME overeengekomen pensioenregeling, 65 jaar.

2.6.

[eisende partij] hebben een onvoorwaardelijke aanspraak op de TOPSUM(VEOP)- regeling van PME (verder: de VEP-regeling) als genoemd in artikel 6 lid 4 tweede volzin van het sociaal plan.

2.7.

[eiser sub 1] heeft bij zijn uitdiensttreding op I april 2014 een vergoeding van

€ 9.716,00 bruto (zijnde twee maandsalarissen) ontvangen in verband met het bereiken van de leeftijd van 62jaar in juni 2014. [eiser sub 2] heeft bij zijn uitdiensttreding een vergoeding van€ 6.051,00 bruto (zijnde twee maandsalarissen) ontvangen, omdat ook hij in juni 2014 62 jaar oud is geworden.

[eiser sub 3], [eiser sub 4], [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] en [eiser sub 6] waren op I april 2014 reeds 62 jaar oud en hebben bij uitdiensttreding geen vergoeding ontvangen.

2.8.

In de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (verder: de WGBLA) is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

  1. onderscheid: direct en indirect onderscheid, alsmede de opdracht daartoe;

  2. direct onderscheid: indien een persoon op grond van leeftijd op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld;

  3. indirect onderscheid: (... )

Artikel 3

Onderscheid is verboden bij:

(... )

het aangaan en het beëindigen \ an een arbeids, erhouding:

(...)

Artikel 7

1. Het ,erbod van onderscheid geldt niet indien het onderscheid :

(...)

c. anderszins objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken \ an dat doel

passend en noodzakelijk zij n.

(...)

Artikel 13

Bedingen in strijd met deze wet zijn nietig·.'

2.9.

[eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] heeft, na zijn uitdiensttreding, over de maand april 2014 abusievelijk nog salaris en een onkostenvergoeding ontvangen. Het betreft een salaris van€ 3.312,78 bruto en een vergoeding voor woon/werk-verkeer ad€ 140,00 netto.

3 De vordering en het verweer in conventie

3.1.

Eisers vorderen dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

  1. voor recht verklaart dat artikel 6 lid 4 van het sociaal plan, althans het gedeelte van deze bepaling, waarin sprake is van ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie waardoor eisers ten opzichte van collega's die na 1952 zijn geboren worden benadeeld, in strijd is met de WGBLA en derhalve nietig;

  2. NXP veroordeelt om aan eisers conform het sociaal plan binnen 14 dagen na de datum van het vonnis te betalen:

• een bedrag van€ 174.896,74 bruto aan [eiser sub 1]

• een bedrag van€ 108.922,94 bruto aan [eiser sub 2]

• een bedrag van€ 40.059,37 bruto aan [eiser sub 3]

• een bedrag van€ 94.436,48 bruto aan [eiser sub 4]

• een bedrag van€ 101.147,02 bruto aan [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie]

• een bedrag van € 71.901,12 bruto aan [eiser sub 6]

subsidiair:

3. NXP veroordeelt om aan [eisende partij] wegens kennelijk onredelijke opzegging te betalen:

• een bedrag van€ 70.210,68 bruto aan [eiser sub 1]

• een bedrag van€ 18.971,62 bruto aan [eiser sub 2]

• een bedrag van€ 3.575,27 bruto aan [eiser sub 3]

• een bedrag van€ 32.971,51 bruto aan [eiser sub 4]

• een bedrag van€ 36.519,07 bruto aan [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie]

primair en subsidiair:

4. NXP veroordeelt tot betaling aan eisers van de wettelijke rent over de gevorderde bedragen vanaf 1 april 2014, de kosten van het geding, het salaris van de gemachtigde en het griffierecht daaronder begrepen.

3.2.

Eisers leggen het volgende aan hun vorderingen ten grondslag.

primair:

Artikel 6 lid 4 van het sociaal plan, althans het gedeelte van deze bepaling waarin sprake is van ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie, waardoor eisers ten opzichte van collega's die na 1952 zijn geboren worden benadeeld, is in strijd met de WGBLA en derhalve nietig.

Eisers maken aanspraak op een vergoeding conform het sociaal plan die slechts is gemaximeerd tot de salarisderving tot de te verwachten pensioneringsdatum, namelijk de leeftijd van 65 jaar. Zij stellen dat zij nimmer van plan zijn geweest om op 62-jarige leeftijd te stoppen met werken, zij waren van plan door te werken tot hun 65e.

subsidiair:

Voor het geval de kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van verboden onderscheid naar leeftijd, stellen [eisende partij] (eisers, m.u.v. [eiser sub 6]) zich op het standpunt dat de opzegging van hun arbeidsovereenkomsten door NXP kennelijk onredelijk is, omdat de uitkomst van het sociaal plan voor hen evident onbillijk is. [eisende partij] stellen dat zij een aanzienlijk inkomstenverlies lijden zowel tot als na hun pensionering. Zij maken aanspraak op de ontslagvergoeding ter hoogte van het laatstverdiende salaris en de WW-uitkering tot aan hun pensionering, dan wel op een door de kantonrechter rechtvaardig te achten vergoeding.

3.3.

NXP voert gemotiveerd verweer.

Zij voert aan dat artikel 6 lid 4 van het sociaal plan slechts een nadere invulling door de bonden en NXP betreft van het begrip "redelijkerwijs te verwachten pensioneringsdatum" als bedoeld in Aanbeveling 3.5 van de Aanbevelingen van de kring van kantonrechters en betwist dat dit artikel uit het sociaal plan in strijd is met de WGBLA.

Primair voert zij aan dat omdat eisers een onvoorwaardelijk recht op VEP hebben (r.o. 2.6), hun situatie volstrekt anders is dan die van (voormalig) medewerkers geboren na 1952. Van gelijke gevallen als bedoeld in de WGBLA is derhalve geen sprake, aldus NXP.

Subsidiair, voor zover geoordeeld zou worden dat sprake is van een direct onderscheid in de zin van de WGLBA, dan dient dit onderscheid volgens NXP een legitiem doel in de zin van artikel 7 WGBLA. Voorkomen moet worden dat medewerkers wiens dienstverband wordt beëindigd in een betere situatie komen te verkeren, dan medewerkers die in dienst blijven. NXP voert aan dat eisers bij de inwerkingtreding van de VPL-wetgeving al een aanzienlijk deel van hun pensioen opgebouwd hadden voor een ingangsdatum die aanzienlijk lager was dan 65 jaar. Voorts voert zij aan dat pensionering op een lagere leeftijd dan 65 jaar maatschappelijk en arbeidsvoorwaardelijk de norm is gebleven, ook na invoering van de VPL-wetgeving. Dit is volgens haar ook de reden dat in nauw overleg met de vakbonden artikel 6 lid 4 van het sociaal plan tot stand is gekomen.

Van een kennelijk onredelijk ontslag is gelet op het voorgaande geen sprake, aldus NXP.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De vordering en het venveer in reconventie tegen [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie]

4.1.

NXP vordert dat de kantonrechter, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad :

1. [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] veroordeelt om binnen 14 dagen na het vonnis een bedrag van€ 2.758,04

bruto aan haar te betalen;

2. [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] veroordeelt tot betaling aan haar van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het onder I genoemde bedrag vanaf de datum van verzuim, dan wel vanaf de datum van de conclusie van antwoord;

3. [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] veroordeelt in de kosten van het geding in reconventie en in de gebruikelijke nakosten (zowel zonder als met betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.

4.2.

NXP legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag.

Hoewel de arbeidsovereenkomst met [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] per 1 april 2014 is beëindigd is aan [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] over april 2014 - vanwege een te late verwerking van diens uitdiensttreding - abusievelijk nog salaris en een woon-/werkvergoeding uitgekeerd. NXP heeft [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] in 2014 een vijftal brieven gestuurd waarin zij [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] heeft verzocht om terugbetaling van het onverschuldigd betaalde (netto) salaris . [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] heeft aan dit verzoek echter niet voldaan .

4.3.

[eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] voert verweer. Hij erkent dat hij in april 2014 geen aanspraak meer had op salaris en vergoedingen van NXP, maar geeft aan dat hij een beroep heeft gedaan op verrekening met de vordering die hij naar zijn mening op grond van het sociaal plan, dan wel op grond van kennelijk onredelijk ontslag heeft op NXP. [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] betwist, gelet op zijn verrekeningsverweer, dat hij in verzuim verkeert. Wettelijke rente is daarom niet verschuldigd, aldus [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie].

4.4.

Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

5 De beoordeling van het geschil in conventie

ten aanzien van [eiser sub 1], [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie]

Sociaal plan in strijd met WGBLA?

5.1.

Op de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten met [eisende partij] is het sociaal plan van toepassing. Hierin is een regeling opgenomen met betrekking tot de aan de werknemer toekomende vergoeding bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst (artikel 6). Deze vergoeding wordt berekend aan de hand van de kantonrechtersformule (C=1).

5.2.

Uit de eerste volzin van artikel 6 lid 4 van het sociaal plan, in combinatie met de door NXP en PME overeengekomen pensioenregeling, volgt- kort gezegd - dat wanneer de vergoeding op basis van de kantonrechtersformule meer bedraagt dan het salaris tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst geëindigd zou zijn als gevolg van het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, de vergoeding wordt vastgesteld op laatstbedoeld bedrag

("aftopping op 65 jaar").

In de tweede volzin van artikel 6 lid 4 van het sociaal plan is opgenomen dat voor medewerkers geboren in 1950, 1951 of 1952 die aanspraak hebben op de VEP-regeling als uittredingsrichtdatum geldt de eerste van de maand waarin de desbetreffende medewerker de leeftijd van 62 jaar bereikt ("aftopping op 62 jaar").

Er wordt in het sociaal plan derhalve onderscheid naar leeftijd gemaakt.

5.3.

Ter beantwoording van de vraag of artikel 6 lid 4 van het sociaal plan in strijd met de WGBLA en daarmee nietig is, is echter niet doorslaggevend of sprake is van een onderscheid naar leeftijd, maar of sprake is van verboden (direct) onderscheid naar leeftijd. Daarvan is sprake wanneer een persoon op grond van leeftijd op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld.

5.4.

In het onderhavige geval is geen sprake van een onderscheid enkel op grond van leeftijd. In de tweede volzin van artikel 6 lid 4 van het sociaal plan wordt immers een onderscheid gemaakt ten aanzien van medewerkers uit een bepaalde leeftijdscategorie (geboren in 1950, 1951 en 1952) die aanspraak hebben op een bepaalde voorziening

(de VEP-regeling).

5.5.

[eisende partij] hebben, anders dan medewerkers geboren na 1952, een onvoorwaardelijk recht op VEP. De situatie van [eisende partij] is daarom niet vergelijkbaar met die van andere medewerkers van NXP. Van verboden leeftijdsdiscriminatie is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor toewijzing van de vorderingen van [eisende partij] op deze grondslag.

Kennelijk onredelijk ontslag

5.6.

[eisende partij] stellen (subsidiair) dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag omdat de uitkomst van het sociaal plan voor hen evident onbillijk is.

5.7.

De kantonrechter overweegt dat van een kennelijk onredelijk ontslag in de zin van artikel 7:681 BW, op grond van vaste jurisprudentie, enkel sprake is wanneer sprake is van evidente onredelijkheid. Het enkele feit dat een werknemer door een ontslag nadeliger af is dan zonder ontslag, maakt een ontslag op zichzelf nog niet kennelijk onredelijk.

5.8.

Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom een beëindiging van een dienstverband vanwege bedrijfseconomische redenen, met toestemming van het UWV, onder toepassing van de in een met voldoende representatieve vakbonden overeengekomen sociaal plan opgenomen regeling, kennelijk onredelijk is.

5.9.

Ook deze grondslag leidt niet tot toewijzing van de vorderingen van [eisende partij] De vorderingen van [eisende partij] zullen worden afgewezen.

5.10.

[eisende partij] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen, hoofdelijk, in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De gevorderde nakosten zullen worden begroot op een bedrag van € l 00,00, zijnde een half salarispunt van het toe te wijzen salaris van de gemachtigde met een maximum van € l 00,00, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis. De wettelijke rente over de (proces)kosten zal worden toegewezen als hierna vérmeld.

ten aanzien van [eiser sub 6]

5.11.

Hoewel [eiser sub 6] in de dagvaarding dezelfde stellingen aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd als de overige eisers in conventie, heeft zijn gemachtigde bij brief van 7 september 2015 aangevoerd dat de situatie van [eiser sub 6] anders is dan die van de overige eisers in conventie omdat [eiser sub 6]- anders dan de anderen - (toch) geen aanspraak zou kunnen maken op de VEP-regeling.

5.12.

Omdat ten tijde van de comparitie onduidelijk was waarop [eiser sub 6] al dan niet aanspraak kan maken, is de zaak [eiser sub 6] naar de rol verwezen zodat [eiser sub 6] UPO's over de jaren 2011 tot en met 2013 in het geding kan brengen, waarop NXP dan vervolgens kan reageren.

5.13.

In afwachting van deze stukken zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

6 De beoordeling van het geschil in reconventie tegen [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie]

6.1.

Vast staat dat [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] geen recht had op vergoedingen over april 2014. Al hetgeen aan hem is betaald over april 2014 is derhalve onverschuldigd betaald.

6.2.

Het beroep van [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] op verrekening wordt, gelet op hetgeen is overwogen in conventie, verworpen. [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] heeft, zo is reeds overwogen, geen vordering op NXP.

6.3.

Niet in geschil is dat [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] over april 2014 aan salaris een bedrag van E 3.312,78 bruto en aan vergoeding voor woon/werk-verkeer een bedrag van € 140,00 netto heeft ontvangen. NXP heeft onbetwist gesteld dat bij de eindafrekening in mei 2014 reeds een verrekening heeft plaatsgevonden met de uitbetaling van vakantieuren (ad€ 688,14 bruto) en de uren tijd voor tijd (ad E 6,60 bruto). De kantonrechter zal [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] daarom veroordelen tot (terug)betaling van bedrag van E 2.618,04 bruto en een bedrag van€ 140,00 netto.

Dat [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] niet eerder dan bij conclusie van antwoord is aangesproken op terugbetaling van het bedrag van € 140,00 netto moge zo zijn, maar doet aan de verschuldigdheid daarvan niet af.

6.4.

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dag waarop de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie is genomen, zijnde 22 mei 2015.

6.5.

[eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. Aangezien de nakosten aan de zijde van NXP in conventie reeds zijn toegewezen, bestaat geen aanleiding deze in reconventie (nogmaals) toe te wijzen.

De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen als hierna vermeld.

7 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

ten aanzien van [eiser sub 1], [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie]

7.1.

wijst de vorderingen af;

7.2.

veroordeelt [eiser sub 1], [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] hoofdelijk, in die zin dat voor zover de een betaalt ook de ander(en) is (zijn) bevrijd, in de proceskosten in conventie, tot deze uitspraak aan de zijde van NXP begroot op € 2.000,00 aan salaris voor de gemachtigde, € l 00,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, dit alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;

7.3.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

ten aanzien van [eiser sub 6]

7.4.

houdt iedere beslissing aan:

in reconventie

7.5.

veroordeelt [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] om aan NXP te betalen een bedrag van E 2.618 04 bruto en een bedrag van E 140,00 netto, te vermeerderen met de \\ettelijke rente vanaf 22 mei 2015 tot aan de dag rnn volledige betaling:

7.6.

veroordeelt [eiser sub 5 / gedaagde in reconventie] in de proceskosten in reconventie, tot deze uitspraak aan de zijde van NXP begroot op€ 175,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;

7.7.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

7.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.M. Graat en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2015.