Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:8360

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
C/05/268107/HZ ZA 14-308
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van geldlening. Geen tijd voor nakoming bepaald; verjaringstermijn ex 3:307 lid 2 BW; verjaringsverweer slaagt niet. Geen verrekening met een vordering op een derde. In reconventie geen grond voor opheffing beslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/268107 / HZ ZA 14-308

Vonnis van 18 februari 2015

in de zaak van

1 [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] ,

en

2. [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2],

[woonplaats 1] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. T.W. Jaburg te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] ,

en

2. [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2],

[woonplaats 2] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.W. Damstra te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] , [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] , [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 oktober 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 januari 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Productie 1 bij dagvaarding betreft een document, gedateerd 3 mei 2009, met als opschrift “Schuldverklaring”. Het stuk, dat niet is ondertekend, luidt onder meer als volgt:

“Hierbij verklaren [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] in persoon een lening te hebben ontvangen van [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] .
De lening is in totaal een bedrag van € 23.000,00 groot.

De overeengekomen rente bedraagt 4% op jaarbasis.

Aflossing en rente zal in nader overleg worden betaald.

[gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] (…)”

2.2.

Productie 2 bij dagvaarding betreft een e-mail van 29 december 2009, afkomstig van het e-mailadres info@ [naam onderneming 1] -nederland.nl, ondertekend door “ [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] ” en gericht aan [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] . In de e-mail worden twee bijlagen genoemd: een document genaamd “Lening.doc” en een document genaamd “Schuldverklaring…” Achter de e-mail in productie 2 zit een stuk, gedateerd 29 december 2009, dat onder meer luidt als volgt:

Dhr. [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en Mevr. [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] (…)

Hierbij een overzicht van de gelden door u verstrekt als lening.

11-02-2009 € 191,47 ( [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] boeking spanje Alice 1)

12-03-2009 € 12.000,00 (Iwan BV)

01-04-2009 € 3.000,00 (Iwan BV)

06-05-2009 € 8.000,00 ( [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] )

26-08-2009 € 179,90 ( [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] boeking spanje [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] 1)

27-11-2009 € 250,00 ( [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] contant)

13-01-2010 € 239,53 ( [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] boeking spanje [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] 2) (…)”

2.3.

[gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] zijn beiden bestuurder van Iwan B.V. en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] is enig aandeelhouder.

2.4.

[gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] verrichten met hun onderneming [naam onderneming 1] werkzaamheden voor de maatschap [naam maatschap] , waarvan [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] bestuurder zijn. [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] sturen in verband met hun werkzaamheden facturen aan [naam maatschap] , die deels worden voldaan.

2.5.

Op 21 november 2010 komt tussen [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] een vaststellingsovereenkomst tot stand ter finale kwijting van alle openstaande en nog te factureren bedragen van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] / [naam onderneming 1] aan [naam maatschap] en omgekeerd.

2.6.

Productie 4 bij dagvaarding betreft onder meer een brief van [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] aan [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] van 30 augustus 2013, die onder meer als volgt luidt:

“(…) Wij hebben U in de maand Mei 2009 bij wege van lening een bedrag verstrekt van E 23.000,=, tegen een rente van 4% op jaarbasis.

Tot op heden heeft van uw kant geen enkele betaling plaats gevonden.

Bij deze sommeren wij U het bedrag inclusief Rente, afgerond op een maximum van E 24.000,== binnen 7 dagen na heden aan ons te voldoen door overmaking op rekening (…) t.n.v. [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] , Amstelveen

Is het bedrag op 8 September a.s. niet voldaan dan stellen wij U nu reeds voor als dan in gebreke., onder mededeling dat wij U in een procedure zullen betrekken om U tot betaling te laten veroordelen.

Hoogachtend

(…)

Deze tekst wordt U per mail gezonden en een afschrift zal door ondergetekende nog hedenavond in uw brievenbus worden gedaan. (…)”

2.7.

De hierboven onder 2.6 genoemde brief leidt niet tot betaling door [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] .

2.8.

Op 21 juli 2014 doen [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] , na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, conservatoire beslagen leggen op onroerende zaken van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] .

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] vorderen – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan hen van € 30.571,23, vermeerderd met de contractuele rente over € 23.860,90 vanaf 7 augustus 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, alsmede in de proceskosten, waaronder de beslagkosten, en in de nakosten, de proceskosten vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.

[eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] leggen aan hun vordering ten grondslag dat tussen hen en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen, in het kader waarvan [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] aan [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] een bedrag van € 23.000,00 hebben geleend tegen een jaarrente van 4%. In werkelijkheid is zelfs een bedrag van € 23.860,90 geleend. [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] hebben [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] herhaaldelijk om terugbetaling verzocht, maar betaling blijft uit. De vordering is met de brief van 30 augustus 2013 (zie onder 2.6) opeisbaar geworden en daarmee tevens de verschenen contractuele rente. De rentecomponent van de vordering bedraagt tot en met 6 augustus 2014 € 5.552,33. Daarnaast maken [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] aanspraak op buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 1.158,00. De totale vordering komt daarmee op € 30.571,23. De vordering strekt tot nakoming, bestaande uit betaling.

3.3.

[gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] voeren verweer. Om te beginnen betwisten zij het bestaan van de geldlening. Voor zover al sprake zou zijn van een lening, betreft dit hooguit een bedrag van € 8.060,90. [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] hebben het meerdere, in totaal € 15.000,00 (€ 12.000,00 op 12 maart 2009 en € 3.000,00 op 1 april 2009), ontvangen van Iwan B.V. en niet van [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] . [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] verwijzen naar productie 2 bij dagvaarding (zie 2.2). Zowel de vordering ten aanzien van het bedrag van € 8.060,90 als ten aanzien van het bedrag van € 15.000,00 zijn inmiddels verjaard. [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] hebben de brief van 30 augustus 2013 nooit ontvangen zodat zij niet tijdig in gebreke zijn gesteld. Zij zijn ook niet op een eerder moment in gebreke gesteld. Subsidiair stellen [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] zich op het standpunt dat de vordering niet opeisbaar is, omdat partijen niets zijn overeengekomen over de termijn waarbinnen de lening aan [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] moest worden terugbetaald. Ten slotte beroepen [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] zich op verrekening met een vordering ter zake van openstaande facturen die zij stellen te hebben op [naam maatschap] .

3.4.

De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.

in reconventie

3.5.

[gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] vorderen dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het vonnis de conservatoire beslagen op te heffen op verbeurte van een boete (de rechtbank begrijpt: dwangsom) van € 500,00 voor iedere dag dat [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] daarmee in gebreke blijven, met veroordeling van [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] in de proceskosten.

3.6.

[gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] hebben ter zitting hun vordering nader toegelicht en aangevoerd dat zij belang hebben bij opheffing van het beslag, omdat zij bezig zijn met het ontwikkelen van een bouwplan, waarvoor zij liquiditeit nodig hebben. Het beslag maakt ontwikkeling van het bouwplan en – uiteindelijk – verkoop onmogelijk, aldus [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] .

3.7.

[eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] voeren verweer. Zij stellen zich op het standpunt dat zelfs indien de vordering in conventie zou worden afgewezen, daarmee de vordering in reconventie niet voor toewijzing gereed ligt, gelet op het feit dat [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] in dat geval mogelijk hoger beroep zullen instellen. Zolang een rechtsmiddel kan worden aangewend blijft een conservatoir beslag van kracht, aldus [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] .

3.8.

De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

[eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] beroepen zich op een overeenkomst van geldlening die zij zouden hebben gesloten met [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] , in het kader waarvan zij aan [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] een bedrag van – uiteindelijk – € 23.860,90 zouden hebben geleend.

Het bestaan van die overeenkomst blijkt volgens [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] uit de onder 2.1 genoemde schuldverklaring en het onder 2.2 bedoelde overzicht van verstrekte gelden. Beide stukken zijn volgens [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] opgesteld en per e-mail aan hen toegezonden door [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] .

4.2.

[gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] betwisten het bestaan van de geldlening en voeren daartoe aan dat zij zich bij gebrek aan wetenschap niet kunnen herinneren dat een dergelijke schuldverklaring is opgesteld. Zij betwisten ook dat zij de bedragen die zijn genoemd in het overzicht van verstrekte gelden van [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] hebben ontvangen.

Ter zitting hebben [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] verklaard dat zij erover hebben nagedacht hoe het kan dat productie 2 bij dagvaarding – de e-mail met daarbij de schuldverklaring uit productie 1 en het overzicht van geleende gelden – vanaf hun e-mailadres is verstuurd. Zij voeren aan dat [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] op hetzelfde adres als zijzelf kantoor hielden voor hun (eisers) bedrijf [naam maatschap] . Volgens [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] kan het zijn dat de e-mail door [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] is verstuurd, “want wij werkten allemaal met hetzelfde e-mailadres”. [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] hebben de e-mail naar eigen zeggen in ieder geval zelf niet verstuurd.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt het echter geenszins voor de hand dat [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] met hun maatschap [naam maatschap] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] met hun onderneming [naam onderneming 1] allen van één en hetzelfde e-mailadres – met daarin de naam [naam onderneming 1] – gebruik maakten. De enkele omstandigheid dat zij allen op hetzelfde adres kantoor hielden, maakt dit niet anders. Zelfs als het zo zou zijn dat zij allen met hetzelfde e-mailadres werkten, is de suggestie dat [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] de betreffende e-mail uit naam van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] aan zichzelf zouden hebben verstuurd uitsluitend een vermoeden van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] . Zonder nadere onderbouwing, die [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] niet hebben gegeven, is hun verweer op dit punt dan ook onhoudbaar.

4.4.

Hieruit volgt dat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast staat dat een overeenkomst van geldlening bestaat tussen [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] .

4.5.

De vraag die dan rijst, is welk bedrag is geleend en nog openstaat. [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] betwisten dat dit een bedrag van € 23.000,00 althans € 23.860,90 betreft. Zij wijzen er terecht op dat volgens het overzicht van de verstrekte gelden twee bedragen zijn verstrekt door Iwan B.V., namelijk op 12 maart 2009 een bedrag van € 12.000,00 en op 1 april 2009 een bedrag van € 3.000,00. Iwan B.V. is echter geen partij in deze procedure. [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] hebben hun vordering ook niet mede namens Iwan B.V. ingesteld. Voor zover het de door Iwan B.V. verstrekte bedragen betreft, is de vordering van [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] dan ook in ieder geval niet toewijsbaar.

4.6.

Dan resteert een bedrag van € 8.860,90 (te weten € 23.860,90 minus € 12.000,00 minus € 3.000,00). Ten aanzien van dit restantbedrag – door [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] abusievelijk berekend op € 8.060,90 – stellen [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] zich op het standpunt dat de vordering is verjaard. Zij voeren daartoe aan dat zij de brief van [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] van 30 augustus 2013, waarin zij tot betaling worden gesommeerd (zie onder 2.6), nooit hebben ontvangen, niet per e-mail en niet per post, en dus niet tijdig in gebreke zijn gesteld.

4.7.

De rechtbank overweegt dat het hier gaat om een overeenkomst van geldlening waarin geen tijd voor de nakoming is bepaald. Uit artikel 6:38 BW volgt dat in dat geval de nakoming terstond kan worden gevorderd. De verjaringstermijn begint in een geval als dit – een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd – pas te lopen vanaf de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising over te gaan (artikel 3:307 lid 2 BW).

4.8.

[eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] stellen zich op het standpunt dat zij [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] veelvuldig hebben verzocht en voor zover nodig hebben gesommeerd om tot terugbetaling over te gaan. Zij verwijzen in dit verband naar hun brief van 30 augustus 2013 (zie onder 2.6). [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] betwisten echter dat zij die brief – die zowel per e-mail is verstuurd als door [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] persoonlijk in de brievenbus van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] zou zijn gedaan – hebben ontvangen.

4.9.

Artikel 3:37 lid 3 BW bepaalt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Ook een verklaring die hem tot wie zij was gericht niet of niet tijdig heeft bereikt, heeft echter haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.

4.10.

Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Het antwoord op de vraag wanneer kan worden gezegd dat een verklaring door de geadresseerde is ontvangen, wordt noch in de wettekst noch in de daarbij behorende toelichting gegeven. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden moet stellen en zo nodig moet bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen. Als adres in vorenbedoelde zin kan in beginsel – behoudens andersluidend beding – worden aangemerkt de woonplaats van de geadresseerde in de zin van artikel 1:10 BW, dan wel, indien de mededeling een zakelijke kwestie betreft, het zakelijke adres van de geadresseerde, en verder het adres waarvan de afzender op grond van verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze aldaar door hem kon worden bereikt, bijvoorbeeld diens postbus,

e-mailadres of ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt. (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104).

4.11.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] de brief van 30 augustus 2013 wel of niet hebben ontvangen en kan bewijslevering door de afzenders [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] met betrekking tot de verzending en aankomst achterwege blijven. Immers, indien na bewijslevering zou komen vast te staan dat [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] de brief niet hebben ontvangen, volgt daaruit dat de verjaringstermijn nog niet is gaan lopen. Indien na bewijslevering zou komen vast te staan dat [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] de brief wél hebben ontvangen, zou daaruit volgen dat de verjaringstermijn is ingegaan op 31 augustus 2013, maar dan was de verjaringstermijn ten tijde van de dagvaarding nog niet verstreken. In beide gevallen is dus geen sprake van verjaring. Hieruit volgt dat [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] op goede gronden aanspraak maken op terugbetaling van de geldlening, dat wil zeggen: tot een bedrag van € 8.860,90.

4.12.

Dan is er nog het beroep van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] op verrekening met een vordering die zij stellen te hebben op [naam maatschap] ter zake van openstaande facturen. Voor zover die vordering al zou bestaan, geldt dat het een vordering op een derde betreft en dat [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] daarmee jegens [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] niet kunnen verrekenen. Het verweer faalt.

4.13.

De conclusie luidt dat de vordering van [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] tot een bedrag van € 8.860,90 zal worden toegewezen.

4.14.

De gevorderde hoofdelijke veroordeling van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] zal worden afgewezen. De hoofdregel is dat verbondenheid voor gelijke delen bestaat, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling verbondenheid voor ongelijke delen of hoofdelijke verbondenheid voortvloeit (artikel 6:6 lid 1 BW). [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] hebben niet onderbouwd waarom in dit geval een uitzondering op de hoofdregel zou moeten worden gemaakt.

4.15.

De contractuele rente zal worden toegewezen over de componenten van het totaalbedrag van € 8.860,90, telkens vanaf de datum van opeisbaarheid in de zin van artikel 6:38 BW van de betreffende component als vermeld in het overzicht van verstrekte bedragen (zie onder 2.2), zoals in het dictum weergegeven. Het meerdere zal worden afgewezen.

4.16.

De door [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, omdat met de enkele opsomming van enkele verrichte werkzaamheden onvoldoende is gebleken dat [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] voorafgaande aan de procedure werkzaamheden hebben verricht waarvoor een eventuele proceskostenveroordeling geen vergoeding pleegt in te sluiten.

4.17.

De gevorderde beslagkosten zijn gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 604,94 voor verschotten en € 579,00 voor salaris advocaat (1 rekest × € 579,00), tezamen € 1.183,94. Ook de gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen als vermeld in het dictum. De gevorderde hoofdelijke veroordeling van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] zal worden afgewezen om de reden die is vermeld in 4.14.

4.18.

[gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] worden in conventie overwegend in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten dragen. De kosten aan de zijde van [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] worden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht 586,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 1.837,80

4.19.

De gevorderde nakosten zijn toewijsbaar als vermeld in het dictum.

4.20.

Ook ten aanzien van de proceskosten en de nakosten zal de gevorderde hoofdelijke veroordeling van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] worden afgewezen op de in 4.14 vermelde grond.

in reconventie

4.21.

De vordering in reconventie strekt tot opheffing van het beslag. De vordering zal worden afgewezen, omdat gelet op de beoordeling in conventie geen grond voor opheffing bestaat.

4.22.

[gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] zullen als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] worden begroot op € 579,00 wegens salaris advocaat (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 579,00). De rechtbank hanteert bij de berekening van het salaris een factor 0,5 omdat de vordering in reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] om aan [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] te betalen een bedrag van € 8.860,90 (achtduizend achthonderdzestig euro en negentig cent), vermeerderd met de contractuele rente van 4% per jaar over een bedrag van € 191,47 vanaf 11 februari 2009, over een bedrag van € 8.000,00 vanaf 6 mei 2009, over een bedrag van € 179,90 vanaf 26 augustus 2009, over een bedrag van € 250,00 vanaf 27 november 2009 en over een bedrag van € 239,53 vanaf 13 januari 2010, telkens tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.183,94, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] tot op heden begroot op € 1.837,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.7.

wijst de vorderingen af,

5.8.

veroordeelt [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser conventie/verweerder reconventie sub 1] en [eiser conventie/verweerder reconventie sub 2] tot op heden begroot op € 579,00,

5.9.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.I. Spoor en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2015.

JC/TS