Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:8358

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
: C/05/251143 / HZ ZA 13-206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/251143 / HZ ZA 13-206

Vonnis van 26 augustus 2015

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

NED. ORG. VOOR TOEGEPAST NATUURW. ONDERZ. TNO,

zetelend te Delft,

eiseres,

advocaat mr. L.F. Kloppenburg te Delft,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. J.H. van den Sigtenhorst te Zutphen.

Partijen zullen hierna TNO en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden, gedaagde sub 1. [gedaagde sub 1] en gedaagde sub 2. [gedaagde sub 2].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 februari 2015 (hierna: het tussenvonnis)

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 14 april 2015

  • -

    de aantekening op de rolkaart dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] afzien van een conclusie na enquête.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis is geoordeeld dat de door Ingrepro Renewables op grond van het subsidiebesluit ontvangen voorschotten op de toegekende subsidie tot het bedrag van de factuur van TNO van 22 november 2012 op grond van de (tussen Ingepro Renewables en TNO gesloten) overeenkomst prompt doorbetaald hadden dienen te worden aan TNO. Gelet op het verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat er een van deze overeenkomst afwijkende afspraak is gemaakt is bij het tussenvonnis aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] opgedragen te bewijzen dat tussen Ingrepro Renewables en TNO, in de persoon van de heer A. de Boo, is afgesproken dat de door Ingrepro ontvangen voorschotten zouden worden verdisconteerd in andere c.q. volgende projecten die zouden plaatsvinden in de samenwerking tussen Ingrepro Renewables en TNO, waarbij werd overeengekomen dat doorbetaling van door Ingrepro Renewables ontvangen subsidiegelden op dat moment niet aan de orde was en zou komen, hangende deze andere/nieuwe afspraken. De rechtbank merkt nog op dat in de tweede regel van deze bewijsopdracht abusievelijk in plaats van Ingepro Renewables Ingepro is opgenomen.

2.2.

Met het oog op deze bewijsopdracht hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] [gedaagde sub 1] en A.M. de Boo (hierna: De Boo) als getuigen doen horen. TNO heeft afgezien van een tegengetuigenverhoor.

2.3.

[gedaagde sub 1] heeft volgens het proces-verbaal van 14 april 2015 onder meer verklaard dat er een mondelinge afspraak is gemaakt met De Boo met de in de bewijsopdracht verwoorde inhoud. De ontvangen voorschotten zouden worden verdisconteerd in een project dat werd aangeduid als het Gaiaproject, een vervolg op het bio-raffinageproject, waarin de onder 2.1. bedoelde overeenkomst zag. Daaraan heeft hij toegevoegd dat TNO in e-mails opgave deed aan Ingepro Renewables van gemaakte kosten en bestede uren, en pas medio 2012 is gaan aandringen op betaling van de ontvangen subsidievoorschotten ter dekking van die kosten en die uren. [gedaagde sub 1] heeft verder verklaard dat hij in reactie op dat aandringen TNO niet heeft gewezen op de hiervoor bedoelde mondelinge afspraak, omdat hij in die tijd behoorlijk overspannen was en verwachtte dat Ingepro Renewables overgenomen zou worden. De Boo heeft ontkend dat hij een afspraak met de door [gedaagde sub 1] gestelde inhoud heeft gemaakt. Dat zodanige afspraken door TNO worden gemaakt, heeft hij nooit gehoord en is niet voorstelbaar omdat TNO daardoor in grote betalingsproblemen zou komen. Hij heeft naar zijn zeggen nooit met [gedaagde sub 1] over de toegekende subsidie voor het bio-raffinageproject gesproken. Daarvoor bestond geen aanleiding, omdat het niet tot zijn taak behoorde om erop toe te zien dat de ontvangen voorschotten aan TNO werden betaald, aldus De Boo.

2.4.

Over de waardering van het bijgebrachte bewijs overweegt de rechtbank als volgt. [gedaagde sub 1] is aan te merken als partijgetuige. Een verklaring van een partijgetuige omtrent door haar te bewijzen feiten kunnen op grond van de hoofdregel van artikel 164, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen bewijs in haar voordeel opleveren. Dat is anders indien de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Daarvan is sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. De rechtbank stelt vast dat er in deze zaak geen aanvullende bewijzen in de hiervoor omschreven zin voorhanden zijn. Het feit dat TNO pas omstreeks twee jaar na het sluiten van de overeenkomst heeft gevraagd om betaling van gemaakte kosten en bestede uren en niet eerder heeft aangedrongen op doorbetaling van ontvangen voorschotten op toegekende subsidie is onvoldoende om als vaststaand aan te nemen dat [gedaagde sub 1] met De Boo een mondelinge afspraak over het (tijdelijk) niet doorbetalen van die voorschotten heeft gemaakt. Daarbij is in aanmerking genomen dat er geen ander bewijs is voor het maken van die afspraak en dat het gezien de functie van De Boo niet voor de hand ligt dat hij zodanige afspraken maakt. Tegen de verklaring van [gedaagde sub 1] over de gemaakte afspraak pleit ook dat hij die pas voor het eerst ter sprake heeft gebracht tijdens de comparitie van partijen en heeft herhaald in zijn conclusie van repliek. De slotsom moet zijn dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet zijn geslaagd in de opgedragen bewijslevering.

2.5.

Gezien het vorenstaande moet ervan uitgegaan worden dat [gedaagde sub 1] als indirect bestuurder van Ingepro Renewables heeft bewerkstelligd dat Ingepro Renewables in strijd met de door haar met TNO gesloten overeenkomst, ontvangen voorschotten op toegekende subsidie niet prompt heeft doorbetaald aan TNO, maar heeft aangewend voor betaling van haar crediteuren. Hij heeft er ook de hand in gehad dat Ingepro Renewables de factuur van 22 november 2012 (hierna: de factuur) niet heeft betaald. Dat is gebeurd in weerwil van de door hem in juli en in september 2012 aan TNO gedane toezeggingen (blijkend uit de gespreksverslagen geciteerd in het tussenvonnis onder 2.10. en 2.12. en uit zijn brief van 11 juli 2012, vermeld onder 2.11. van het tussenvonnis) tot het doen van aanbetalingen en het treffen van een betalingsregeling. Vast staat ook dat TNO door het niet prompt doorbetalen en het niet voldoen van de factuur schade heeft geleden ter hoogte van het factuurbedrag. Voor al dit handelen is geen andere rechtvaardiging aangevoerd dan de afspraak waarover hiervoor is geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat deze is gemaakt. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat [gedaagde sub 1] voor het hier aan de orde zijnde handelen persoonlijk een ernstig verwijt treft. Daarmee is gegeven dat hij wegens onrechtmatig handelen naast Ingepro Renewables persoonlijk aansprakelijk is voor het niet nakomen van de overeenkomst en het onbetaald laten van de factuur. Daaruit volgt dat de vordering omschreven onder 3.1. i. van het tussenvonnis voor zover gericht tegen [gedaagde sub 1] voor toewijzing in aanmerking komt. Tegen de vorderingen omschreven onder 3.1.ii. tot en met 3.1.v. is door [gedaagde sub 1] geen afzonderlijk verweer gevoerd. Ook die vorderingen komen daarom voor zover gericht tegen [gedaagde sub 1] voor toewijzing in aanmerking.

2.6.

Van de kant van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is als verweer tegen de vorderingen voor zover gericht tegen [gedaagde sub 2], aangevoerd dat [gedaagde sub 2] alleen al niet aansprakelijk is jegens TNO omdat zij wel als indirect bestuurder is ingeschreven, maar feitelijk geen bemoeienis heeft gehad met de activiteiten van Ingepro Renewables. De rechtbank stelt vast dat TNO niet heeft gesteld dat [gedaagde sub 2] wel bemoeienis met Ingepro Renewables heeft gehad. In dit verband heeft de rechtbank nog geconstateerd dat alleen [gedaagde sub 1] de overeenkomst heeft ondertekend. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat [gedaagde sub 2] (zelfstandig bevoegd) indirect bestuurder is van Ingepro Renewables onvoldoende is om ook haar een persoonlijk verwijt te maken van het niet prompt doorbetalen van de ontvangen voorschotten aan TNO en van het niet voldoen van de factuur van TNO. TNO heeft nog aangevoerd dat uit verslagen van de curator in de faillissementen van Ingepro Renewables en Ingepro blijkt dat door [gedaagde sub 1] forse privé-opnamen zijn gedaan ten laste van Ingepro (waarvan een aantal in rekening-courant zijn geboekt). Dat is ook in het laatste half jaar van 2012 gebeurd, terwijl in die periode nauwelijks betalingen aan crediteuren zijn gedaan. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren het relatief gezien geen forse opnamen. Daarnaast hebben zij gesteld dat er ook forse bedragen ter beschikking waren gesteld aan Ingepro. Gezien deze verweren is niet komen vast te staan dat er forse bedragen voor privédoeleinden uit de vennootschap zijn “gehaald” en alleen al daarom zijn de hiervoor bedoelde privé-opnamen, wat er verder ook van zij, geen reden voor een ander oordeel over de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2]. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het verweer slaagt en dat alle vorderingen omschreven onder 3.1.i. en 3.1.v. voor zover gericht tegen [gedaagde sub 2], niet voor toewijzing in aanmerking komen.

2.7.

TNO geldt jegens [gedaagde sub 2] als de in het ongelijk gestelde partij en zal daarom worden veroordeeld in de aan de zijde van [gedaagde sub 2] gevallen proceskosten die begroot worden op nihil.

2.8.

TNO vordert veroordeling tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv voor zover gericht tegen [gedaagde sub 1] toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 2.590,81 voor verschotten en € 2.000,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 2.000,00).

2.9.

[gedaagde sub 1] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van TNO worden begroot op:

- dagvaarding € 79,97

- betaald griffierecht 3.126,00

- salaris advocaat 7.000,00 (3,5 punt × tarief € 2.000,00)

Totaal € 10.205,97.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen veertien dagen na de dagtekening van dit vonnis aan TNO te betalen een bedrag van € 355.129,46 (driehonderdvijfenvijftigduizend honderdnegenentwintig euro en zesenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over dit bedrag met ingang van 3 december 2012 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen veertien dagen na de dagtekening van dit vonnis aan TNO te betalen de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 4.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na de dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 4.590,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na de dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van TNO tot op heden begroot op € 10.205,97, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na de dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.5.

veroordeelt TNO in de aan de zijde van [gedaagde sub 2] gevallen kosten, tot aan dit vonnis begroot op nihil,

3.6.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde sub 1] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de veertiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2015.

LE/AP