Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:8338

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
C/05/277155 / HZ ZA 15-35
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/319

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/277155 / HZ ZA 15-35

Vonnis van 15 juli 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [plaats] ,

eiser,

advocaat: thans mr. T.H. Liebregts, voorheen: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. S.J. van Baasbank te ‘s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 juni 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 2 april 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Rond 1970 vonden nabij Ellecom verleggingen van de IJssel plaats. Hiertoe was besloten nadat de stroming van de IJssel in de voorafgaande jaren had geleid tot afkalving van de oevers.

2.2.

In 1971 heeft de vader van [eiser] , hierna: [vader eiser] , van de familie [naam] gronden gekocht die zijn gelegen aan de [adres] in Ellecom. Op deze percelen werd het landbouwbedrijf van [vader eiser] geëxploiteerd.

2.3.

In 1973 is de IJssel ter hoogte van het bedrijf van [vader eiser] verlegd. De verlegging werd gerealiseerd door gronden aan de binnenkant van de bocht af te graven en deze aan de buitenbocht te gebruiken om nieuwe oevers aan te leggen. Achter deze nieuwe oevers werd de rivier gedempt door grond uit de binnenbocht te storten. Aldus is 3.76.14 hectare nieuwe grond ontstaan, grenzend aan de percelen van [vader eiser] Een deel van de voormalige rivier is nooit gedempt en is een vijver, hierna: de vijver, geworden. De nieuwe percelen, hierna: de Percelen, staan kadastraal bekend als [kadastrale gegevens] . De Percelen staan binnen het kadaster en openbare registers op naam van de Staat.

2.4.

Over de gehele lengte van de Percelen staan betonnen palen. Verder heeft de Staat drinkplaatsen voor het rundvee van [vader eiser] aangelegd, zowel op de Percelen als op een op naam van [vader eiser] staand perceel.

2.5.

In 1982 heeft [vader eiser] gronden ingebracht in de maatschap die hij sloot met zijn zoon, [eiser] . Deze maatschap betrof de voortzetting van de exploitatie van het bedrijf door vader en zoon. In 1991 is [vader eiser] teruggetreden uit de maatschap.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair

a. voor recht zal verklaren dat [eiser] eigenaar is van de gronden, kadastraal bekend als [kadastrale gegevens] , zoals gearceerd weergegeven op de kaart die als productie 6 bij dagvaarding

is overgelegd,

subsidiair

voor recht zal verklaren dat [eiser] van rechtswege door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de gronden, kadastraal bekend als [kadastrale gegevens] , zoals gearceerd weergegeven op de kaart die als productie 6 bij dagvaarding

is overgelegd,

meer subsidiair

voor recht zal verklaren dat [eiser] van rechtswege door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de gronden, kadastraal bekend als [kadastrale gegevens] , zoals gearceerd weergegeven op de kaart die als productie 6 bij dagvaarding

is overgelegd,

en

de Staat zal veroordelen om binnen één maand na betekening van het te wijzen vonnis, althans binnen door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, mee te werken aan de inschrijving in de openbare registers van de grond zoals gearceerd weergegeven op de situatietekening die als productie 6 is overgelegd,

de Staat zal veroordelen in de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en, voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede de Staat zal veroordelen in de nakosten met een bedrag van € 131,00 dan wel, indien betekening plaatsvindt, met een bedrag van € 199,00 en de eventuele verdere executiekosten.

3.2.

[eiser] legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, aan zijn vordering onder meer het volgende ten grondslag.

In het kader van de IJsselverlegging werden met de betrokken grondeigenaren afspraken gemaakt over ruilingen en compensaties voor verworven en verloren gronden. Hierbij werden ook de verloren gronden uit het verleden verdisconteerd in de nieuwe afspraken. Met de heer Van Rooyen van Rijkswaterstaat is door [vader eiser] afgesproken dat de nieuwe insteek van de oever als eigendomsgrens zou gelden. De betonnen palen markeren, zoals gebruikelijk, de grens over de volledige lengte.

[vader eiser] heeft de nieuwe gronden altijd gebruikt als eigenaar. De intreding van zoon in de maatschap en de uittreding van vader is geschied in de wetenschap dat de stroken grond onderdeel waren van het agrarisch bedrijf dat in totaal circa 77 hectare aaneengesloten grond omvat.

Tijdens overleggen ten tijde van de verlegging is nooit gesproken over pacht of verkoop van de grond aan [vader eiser]

heeft de vijver die bij de verlegging is ontstaan, altijd tot zijn eigendom gerekend. De lokale visvereniging heeft van [vader eiser] en later van [eiser] toestemming gekregen om over hun percelen bij deze vijver te komen en hier te mogen vissen. Hierover is nooit contact geweest met de Staat. De Staat heeft ook nooit gesteld eigenaar te zijn en loop- en of visrechten uit te geven op de percelen en de vijver. Dit zou wel voor de hand hebben gelegen als het eigendom van de Staat zou zijn geweest, ook omdat zij voor andere oevers en water wel toegang weigert of verleent.

Feitelijk werden de Percelen direct na realisatie in gebruik genomen door [vader eiser] Voorheen was hier slechts water. Het gebruik door [vader eiser] was exact gelijk aan het gebruik van de overige gronden van het bedrijf. De gronden werden en worden beteeld en er liep en loopt vee. De realisatie van de drinkplaatsen door de Staat was er ook op gericht het gebruik van de gronden aan [vader eiser] te laten. De Staat heeft zelf nooit in enige vorm gebruik gemaakt van de Percelen. De Percelen zijn alleen te bereiken over de overige percelen van [eiser] . Er zijn geen aanlegplaatsen om de grond over het water te benaderen.

De enige zichtbare begrenzing van de Percelen wordt gevormd door de betonnen grenspalen van Rijkswaterstaat. Deze staan direct aan de oever en markeren de grens zoals die door [eiser] en derden altijd is aangenomen.

De Percelen en de overige percelen van [eiser] lopen zonder begrenzing in elkaar over.

4 Het verweer

4.1.

De Staat concludeert dat de rechtbank [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans zijn vorderingen af zal wijzen met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding, en met de verklaring dat die kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, zulks met de bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis.

4.2.

De Staat voert verweer. Dit verweer zal hierna, voor zover relevant, aan de orde komen.

5 De beoordeling

5.1.

[eiser] stelt zich primair op het standpunt dat zijn vader in 1973 eigenaar van de Percelen is geworden toen hij met de Staat overeenkwam dat deze percelen aan zijn landbouwgrond werden toegevoegd. In dit standpunt wordt [eiser] niet gevolgd. Zelfs indien de gestelde overeenkomst is gesloten, geldt dat [eiser] niet enkel op grond van deze overeenkomst eigenaar kan zijn geworden. Daartoe is immers ook levering van de percelen vereist. Vaststaat dat deze niet heeft plaatsgevonden.

5.2.

[eiser] betoogt subsidiair dat sprake is van verkrijgende verjaring meer subsidiair dat sprake is van bevrijdende verjaring.

Verkrijgende verjaring

5.3.

Onder het oude recht verkregen bezitters te goeder trouw die zich op een wettige titel konden beroepen de eigendom van registergoederen na een onafgebroken verjaringstermijn van twintig jaar (artikel 2000 lid 1 oud BW). Voor bezitters te goeder trouw zonder wettige titel gold een dertigjarige termijn (artikel 2000 lid 2 oud BW). Nu de in geschil zijnde gronden eerst in 1973 zijn ontstaan, is een eventuele verjaringstermijn niet voor de inwerkingtreding van het huidige Burgerlijk Wetboek (BW) op 1 januari 1992 voltooid. Naar huidig recht is voor verkrijgende verjaring van registergoederen (artikel 3:99 lid 1 BW) onafgebroken bezit te goeder trouw gedurende tien jaar vereist. Uit het bepaalde in artikel 73 Overgangswet Nieuw BW volgt dat de nieuwe (kortere) termijn met ingang van 1 januari 1993 van toepassing is, indien de verjaringstermijn vóór 1 januari 1992 is aangevangen.

5.4.

De vraag of sprake was van goede trouw kan ook naar oud recht worden beantwoord aan de hand van de maatstaven neergelegd in artikel 3:118 BW. Ingevolge artikel 3:118 lid 1 BW is een bezitter te goeder trouw wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen. Goede trouw ontbreekt wanneer iemand de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking heeft, kende of in de gegeven omstandigheden had behoren te kennen, waarbij geldt dat iemand die goede reden had om te twijfelen, eveneens kan worden aangemerkt als iemand die de feiten of het recht had behoren te kennen, zelfs indien onderzoek onmogelijk was (artikel 3:11BW)

5.5.

Anders dan in de uitspraak waarop [eiser] zich beroept (ECLI:NL:RBROT:2009:BJ8979) is in dit geval geen sprake van een bestaande situatie op het moment van (gestelde) inbezitneming, maar gaat het om gronden die eerst na de IJsselverlegging gebruikt konden worden. [vader eiser] kon dan ook niet menen dat de Percelen onderdeel uitmaakten van de reeds voor 1973 bestaande, aangrenzende percelen. Dit geldt te meer nu niet in geschil is dat de gronden waarop de IJssel voor de verlegging liep, niet zijn eigendom waren. [vader eiser] had dan ook dan ook behoren te weten dat hij geen eigenaar was zolang de gronden niet aan hem geleverd zouden zijn. Slotsom is dan ook dat geen sprake was van goede trouw aan de zijde van [vader eiser]

5.6.

Anders dan [eiser] betoogt, kan ook hij niet als bezitter te goeder trouw worden aangemerkt. Op het moment dat zijn vader gronden in de maatschap inbracht, heeft hij moeten vaststellen om welke percelen het ging. Als onweersproken staat vast dat de Percelen niet worden genoemd in de notariële akte die in verband met de inbreng in de maatschap is opgemaakt, zodat [eiser] op zijn minst had moeten betwijfelen of zijn vader wel de eigendom van deze percelen had.

Bevrijdende verjaring

5.7.

Voor een beroep op verkrijging van eigendom langs de weg van extinctieve verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit, hierna: bevrijdende verjaring, is vereist dat gedurende twintig jaar niet is opgetreden door de rechthebbende tegen een inbreuk op zijn bezit, waardoor die vordering is verjaard (artikel 3:306 BW). Degene die op dat moment het bezit van de zaak heeft, wordt dan eigenaar, ongeacht of hij te goeder trouw is en ongeacht de duur van zijn bezit (artikel 3:105 BW). De termijn van deze bevrijdende verjaring begint met de aanvang de dag, volgend op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing kan worden gevorderd van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (artikel 3:314 lid 2 BW).

5.8.

Zowel naar oud recht als naar huidig recht kan de vraag of sprake is van bezit worden beantwoord aan de hand van de maatstaven die voor het huidige recht zijn neergelegd in artikel 3:107 e.v. BW. In artikel 3:107 lid 1 BW is bepaald dat bezit is het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht met de pretentie rechthebbende te zijn. Of iemand houdt voor zichzelf, wordt ingevolge het bepaalde in artikel 3:108 BW beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels die worden gegeven in de op artikel 3:108 BW volgende wetsartikelen, en overigens op grond van uiterlijke feiten. Zoals uit de wetsgeschiedenis blijkt (Parl.Gesch. Boek 3, p. 408), ligt in het vereiste van het hebben van bezit besloten, dat het bezit (openbaar en) ondubbelzinnig moet zijn. Van niet dubbelzinnig bezit is sprake (vergelijk HR 15 januari 1993, NJ 1993, 178) wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt, dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Aldus is verzekerd dat van verjaring pas sprake kan zijn ingeval de werkelijk rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit de gedragingen van degene die zich op verjaring wil beroepen, duidelijk kan opmaken dat deze pretendeert rechthebbende te zijn, zodat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen.

5.9.

Als onweersproken staat vast dat de Percelen door [vader eiser] en vervolgens [eiser] werden en worden beteeld en dat hierop vee van [eiser] en zijn vader liep en loopt. De Staat stelt zich op het standpunt dat [eiser] en zijn vader met (stilzwijgende) (gedoog)toestemming gebruik hebben gemaakt van de Percelen en voert aan dat [eiser] zich tegenover de Staat altijd als een houder heeft gedragen. De Staat laat echter na deze stellingen met voldoende concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen. De redenering van de Staat komt er feitelijk op neer dat nu geen document is gevonden waaruit blijkt dat eigendomsoverdracht is overeengekomen, terwijl de Percelen met medeweten van medewerkers van Rijkswaterstaat wel door vader en zoon [eiser] gebruikt werden en worden, het wel zo moet zijn dat toestemming voor het gebruik is gegeven. Te meer nu de Staat ook heeft aangevoerd dat slechts in een enkel geval gronden wel eens om niet, veelal met een daartegenover staande onderhoudsplicht, in gebruik worden gegeven en in alle andere gevallen verpacht of verhuurd worden, kan de Staat niet in deze redenering gevolgd worden. Vaststaat immers dat met [eiser] (sr.) geen pacht- of huurovereenkomst overeengekomen is en dat hem terzake de Percelen evenmin een onderhoudsplicht is opgelegd. Nu voorts niet (voldoende gemotiveerd) is gesteld dat zelfs maar over het in gebruik geven van de Percelen is gesproken of gecorrespondeerd en er dus vanuit moet worden gegaan dat dit niet het geval is geweest, moest de Staat uit de gedragingen in de gegeven omstandigheden opmaken dat [eiser] en daaraan voorafgaand zijn vader meenden eigenaar te zijn. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Staat zelf nooit gebruik heeft gemaakt van de Percelen, maar dat deze direct na de drooglegging in 1973 door [vader eiser] bij de agrarische bedrijfsvoering zijn betrokken, dat de Percelen nooit afgebakend zijn geweest van de percelen die al in bezit van [vader eiser] waren en een geheel met die percelen vormden en vormen en dat de Percelen over land alleen over de overige percelen van [eiser] bereikbaar zijn. Het betoog dat de Staat op de Percelen drinkplaatsen heeft aangelegd en de waterschapslasten heeft betaald, kan de Staat niet baten, nu als onweersproken vaststaat dat de Staat ook op een perceel dat onbetwist eigendom van [eiser] is, een drinkplaats heeft aangelegd en zij evenmin betwist dat het [eiser] niet bekend was dat de Staat ten aanzien van de Percelen waterschapslasten heeft betaald.

5.10.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de meer subsidiair gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] van rechtswege door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de gronden, kadastraal bekend als [kadastrale gegevens] , zoals gearceerd weergegeven op de kaart die als productie 6 bij dagvaarding is overgelegd, kan worden toegewezen.

5.11.

De Staat heeft geen zelfstandig verweer gevoerd tegen de door [eiser] gevorderde veroordeling om binnen een maand na betekening van het vonnis mee te werken aan de inschrijving in de openbare registers, zodat de vordering ook in zoverre kan worden toegewezen.

5.12.

De Staat der Nederlanden zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht 282,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.279,80

5.13.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

verklaart voor recht dat [eiser] van rechtswege door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de gronden, kadastraal bekend als [kadastrale gegevens] zoals gearceerd weergegeven op de kaart die als productie 6 is overgelegd;

6.2.

veroordeelt de Staat om binnen één maand na betekening van dit vonnis mee te werken aan de inschrijving in de openbare registers van de grond zoals gearceerd weergegeven op de situatietekening die als productie 6 bij dagvaarding is overgelegd;

6.3.

veroordeelt de Staat in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 997,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.4.

veroordeelt de Staat in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Staat niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

6.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2., 6.3. en 6.4. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2015.

MS/Vg