Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:8335

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-08-2015
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
15/357
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ingevolge artikel 81, eerste lid Wet Militair Tuchtrecht (WMT) kan ook beroep worden ingesteld tegen een beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag door de beklagmeerdere. In geval van vernietiging van een zodanige beslissing dient, zo valt in het eerste lid van artikel 96 WMT te lezen, de zaak de militaire kamer te worden behandeld en niet te worden terugverwezen naar de beklagmeerdere. Deze uitspraak is daar een eerste voorbeeld van.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige militaire kamer

RB-nummer : 15/357

Datum zitting : 20 juli 2015

Uitspraak : 3 augustus 2015

Uitspraak van de meervoudige militaire kamer van de rechtbank Gelderland op het beroep van:

[verdachte] ,

Wachtmeester 1 (KMAR)

Koninklijke Marechaussee brigade Limburg-Zuid

[verdachte] ,

- hierna aangeduid als gestrafte -, waarbij de hierna te noemen uitspraak wordt bestreden.

Procedureverloop

Aan gestrafte is op 9 januari 2015 om 14.45 uur een beschuldiging uitgereikt, inhoudende: [voornaam] stond gepland voor dienst op maandag 15-12-2014 van 08.00 uur. Niet is gebleken dat [voornaam] deze dienst heeft gedraaid. Hij heeft met niemand gesproken of zich bij iemand aangemeld/afgemeld”. (artikel 7 Wet Militair Tuchtrecht).

Op 29 januari 2015 heeft het onderzoek (parade) plaatsgevonden. De commandant heeft op 29 januari 2015 beslist.

Gestrafte is wegens minimaal 6 uur ongeoorloofde afwezigheid gestraft met een geldboete van

€ 200,00.

Op 5 februari 2015 heeft gestrafte een beklagschrift ingediend. Op 9 maart 2015 heeft de beklagmeerdere het beklag niet-ontvankelijk verklaard omdat het beklag niet binnen de gestelde termijn van 5 kalenderdagen na uitreiking van de uitspraak is ingediend.

Op 29 januari heeft 2015 heeft het onderzoek (parade) plaatsgevonden. De commandant heeft op diezelfde dag beslist. De beslissing is neergelegd in een schriftelijke uitspraak, die aan gestrafte is uitgereikt.

Gestrafte werd wegens schending van de gedragsregels van artikelen 7 van de Wet militair tuchtrecht (ongeoorloofde afwezigheid gestraft met een geldboete van € 200,00, op grond van de bewezen gedraging, welke eensluidend is aan de hiervoor vermelde beschuldiging.

Gestrafte heeft op 10 maart 2015 een beroep ingediend bij zijn commandant, die het beroepschrift heeft doorgezonden aan deze rechtbank. Gestrafte voert kort gezegd daarin het volgende aan:

  • -

    het beklag is binnen de termijn ingediend en had dus ontvankelijk dienen te worden verklaard;

  • -

    de uitspraak op het beklag is gedaan door een niet-bevoegde beklagmeerdere;

  • -

    de motivering van de uitspraak is innerlijk tegenstrijdig.

Het openbaar ministerie heeft ter zake van het beroep een advies uitgebracht, welk stuk aan deze uitspraak is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd. De officier van justitie is van oordeel dat de gestrafte niet tijdig in beklag is gekomen zodat de tuchtuitspraak in eerste instantie in stand kan worden gehouden.

Indien de militaire kamer tot de conclusie zou komen dat het beklag tijdig is ingediend dient de militaire kamer volgens de officier van justitie rekening te houden met de omstandigheid dat de beklagmeerdere onbevoegd was en pas na 32 dagen aan gestrafte heeft medegedeeld dat hij niet-ontvankelijk was in het beklag.

Het beroep is op 20 juli 2015 ter zitting van de meervoudige militaire kamer behandeld. Gestrafte is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn vertrouwensman mr. B.D.W. Martens namens mr. S.M. Diekstra. Gestrafte en de vertrouwensman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

De militaire kamer heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter zitting in beroep.

De motivering van de beslissing

Ten aanzien van de beklagprocedure

De militaire kamer ziet zich op de eerste plaats voor de vraag gesteld of gestrafte het beklag tijdig heeft ingediend en overweegt hiertoe als volgt.

De officier van justitie gaat ervan uit dat de tuchtrechtelijke uitspraak op 29 januari 2015 aan gestrafte is uitgereikt. Gestrafte stelt dat hij pas op 4 februari 2015 de uitspraak per post heeft ontvangen. Hij heeft de schriftelijke uitspraak niet op 29 januari 2015 in persoon ontvangen..

In de toelichting op het zich bij de stukken bevindende straffenformulier van de strafoplegger (tweede pagina) staat vermeld: “Tabblad ‘beschuldigde’ (Expl 5) in enkelvoud uitdraaien en uitreiken aan beschuldigde. Na invullen en ondertekening door beschuldigde inleveren bij de commandant.” De rechtbank constateert dat noch op het zich in het dossier bevindende exemplaar van het straffenformulier voor de beschuldigde, noch op het exemplaar voor de strafoplegger en dat van de beklagmeerdere de handtekening van gestrafte aanwezig is.

Daarnaast vindt de stelling van gestrafte ondersteuning in het document Uitspraak Beklagformulier, waarin de beklagmeerdere is uitgegaan van een uitreiking van de tuchtrechtelijke uitspraak op 4 februari 2015.

Gelet op het vorenstaande is de militaire kamer van oordeel dat, nu de stukken op dit punt tegenstrijdige data vermelden en de stelling van gestrafte ondersteuning vindt in het dossier, zoals hierboven aangegeven, gestrafte het voordeel van de twijfel moet worden gegund en gaat zij uit van ontvangst van de uitspraak op 4 februari 2015.

Evenals de officier van justitie neemt de rechtbank, bij gebrek aan stukken die anders aangeven, aan dat gestrafte zijn beklagschrift op 5 februari 2015 bij zijn beklagmeerdere heeft ingediend.

Dit betekent dat het beklagschrift tijdig is ingediend, en dus onterecht niet-ontvankelijk is verklaard.

De militaire kamer zal die beslissing dan ook vernietigen en de zaak zelf behandelen.

Nu de militaire kamer reeds op basis van het vorenstaande de beslissing op het beklag vernietigt behoeven de overige verweren ten aanzien van de beklagprocedure geen nadere bespreking.

Ten aanzien van het bewijs

De militaire kamer overweegt als volgt.

  1. Getuige [getuige 1] , adjudant-onderofficier KMAR heeft het volgende verklaard: getuige heeft op 14 december 2014 gestrafte laten inlichten dat de vergadering van de werkgroep waar gestrafte deel van uitmaakte niet doorging op 15 december 2014. Getuige ging ervan uit dat gestrafte op maandag 15 december 2014 de dienst zou verrichten waarvoor hij gepland stond;

  2. getuige wachtmeester [getuige 2] heeft verklaard dat gestrafte hem op 16 december 2014 tijdens het carpoolen heeft verteld dat hij de dag ervoor niet op dienst was geweest. De uren zou gestrafte wel indienen als ernaar werd gevraagd. Toen gestrafte tegen teamopper [getuige 4] vertelde dat hij wel op dienst was geweest heeft [getuige 5] [getuige 4] verteld dat gestrafte hem een ander verhaal had verteld;

  3. getuige opperwachtmeester [getuige 3] heeft verklaard dat [getuige 5] hem heeft verteld dat hij bijna zeker wist dat gestrafte hem tijdens het carpoolen had verteld dat hij op 15 december 2014 niet op dienst was geweest;

  4. op 15 december 2015 is in het gebouw van de KMAR in Maastricht, waar gestrafte die dag zou werken, de defensiepas van gestrafte niet geregistreerd;

  5. gestrafte heeft verklaard zich die dag bij niemand te hebben aangemeld of afgemeld;

  6. getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij had op 15 december 2014 plantondienst had in Maastricht. Hij was aanwezig van 7.45 uur tot 16.00 uur. Hij is continu aanwezig geweest op of rond de planton en heeft gestrafte die dag niet gezien.

Gestrafte heeft ter zitting verklaard dat hij op 15 december 2014 twee uur lang op de planton in Maastricht is geweest. Na twee uur was hij vertrokken zonder dat iemand te melden. Dat hij dit niemand meldde was bij de KMAR normaal.

Gestrafte verklaart het feit dat zijn defensiepas niet is geregistreerd als volgt: hij zou op het dichte rolluik hebben geklopt waarna hij is binnengelaten zonder dat werd gekeken wie hij was. Dit zou gebruikelijk zijn op de planton in Maastricht.

Gestrafte had contact met anderen vermeden omdat hij in het verleden een conflict heeft gehad met collega’s. Dit zou verklaren dat niemand hem op de planton heeft gezien.

Hij heeft de computer niet opgestart.

Ten aanzien van de verklaring van getuige [getuige 5] heeft gestrafte het volgende verklaard: [getuige 5] is door zijn opper geïntimideerd en heeft onder dwang van de leiding een valse verklaring afgelegd die van tevoren voor hem op papier is gezet. Gestrafte had dit met de brigadecommandant besproken maar die had er geen boodschap aan.

De militaire kamer stelt vast dat gestrafte op geen enkele wijze heeft aan kunnen tonen dat hij op 15 december 2014 op de dienst aanwezig is geweest.

Voor de beweringen die gestrafte op de beroepszitting heeft gedaan heeft hij geen enkele onderbouwing aangedragen. De militaire kamer acht die verklaringen van gestrafte dan ook niet aannemelijk.

De verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] zijn gedetailleerd en sluiten op elkaar aan. De militaire kamer acht deze verklaringen geloofwaardig en acht het horen van deze getuigen op zitting, zoals voorwaardelijk verzocht door de vertrouwensman, niet noodzakelijk.

Op grond van de onder 1 tot en met 6 genoemde bewijsmiddelen heeft de militaire kamer de overtuiging dat de gestrafte de verweten gedraging heeft begaan.

De bewezenverklaarde gedraging levert op:

Schending van artikel 7 van de Wet Militair Tuchtrecht

De gestrafte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken die de strafbaarheid van gestrafte uitsluit.

Anders dan de vertrouwensman is de militaire kamer niet van oordeel dat een drempel is overschreden voor tuchtrechtelijk handelen. De Wet Militair Tuchtrecht stelt expliciet dat ongeoorloofde afwezigheid in strijd is met de militaire tucht, en van militairen mag worden verwacht dat zij het belang inzien van hun aanwezigheid tijdens diensttijd.

De militaire kamer acht na te melden geldboete in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen strafbare gedraging, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van gestrafte, zoals van een en ander ter zitting is gebleken.

BESLISSING:

De militaire kamer, rechtdoende in beroep:

Vernietigt de bestreden uitspraak en doet opnieuw recht

Verklaart door de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen de overtuiging gekregen te hebben dat de in de beschuldiging omschreven gedraging van gestrafte heeft plaatsgevonden.

Verklaart de gestrafte hiervoor strafbaar

Legt gestrafte een geldboete op ten bedrage van € 200,00 (zegge tweehonderd euro).

Deze beslissing is gegeven door:

mr. M.C. Gerritsen (voorzitter), mr. J. Barrau, rechter en kolonel mr. J.W. Wiersma, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 augustus 2015.