Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:8295

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
22-01-2016
Zaaknummer
293344 KG KV 15-1084
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingskamer verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun wrakingsverzoek. Eén van de verzoekers is geen partij in de bodemprocedure en bovendien is het wrakingsverzoek niet, zoals de wet vereist, gericht tegen de rechter die de zaak behandelt, maar tegen “het hof Arnhem”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer / rekestnummer: 293344 KG KV 15-1084

Beschikking van 30 november 2015

in de zaak van

1 [eiseres],

en

2. [eiser],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers tot wraking (hierna: verzoekers),

tegen

“het Hof Arnhem”.

1 De procedure

Bij deze rechtbank, afdeling bestuursrecht, team belastingrecht, is onder nummer ARN AWB 15/3912 IB/PVV A T5 aanhangig de procedure tussen verzoekster sub 1 als eisende partij en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, als gedaagde partij (hierna: de Belastingdienst). Die procedure betreft het beroep dat verzoekster sub 1 op 11 mei 2015 heeft ingesteld nadat de Belastingdienst haar bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ongegrond had verklaard. In die procedure heeft het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) verzoekster sub 1 een nota gestuurd in verband met het verschuldigde griffierecht. Op 26 september 2015 heeft het LDCR een betalingsherinnering aan verzoekster sub 1 gestuurd. Verzoekster sub 1 is niet tot betaling van het griffierecht overgegaan. Bij brief van 7 september 2015, die een vervolg is op hun brief van 18 augustus 2015, hebben verzoekers meegedeeld “het Hof Arnhem” te willen wraken.

2 De beoordeling van het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoekers schrijven in hun brief van 18 augustus 2015 onder meer dat de burgemeester, het college, de gemeente, de politie en de magistratuur hen gedurende de periode van 1 januari 2004 tot en met 28 mei 2009 “een existentie aan de Broerenstraat 34 te Arnhem, op allerlei manieren onthouden en gesaboteerd heeft en hebben”. Dit mede door het plegen van strafbare feiten jegens verzoekers, zonder dat er ooit vooraf door verzoekers met hen kon worden gecommuniceerd op basis van normale en zakelijke gronden. Verzoekers schrijven verder onder meer dat zij “[m]et de schade die dit [hen] heeft opgeleverd (…) nu nog [kampen]” en dat zij “niet van plan [zijn] nog verder toe te staan of beter te noemen gekoeioneerd te moeten worden door het niets en zij die zich menen te moeten manifesteren het alles te zijn”. Naar aanleiding van het (herhaalde) verzoek van het LDCR tot betaling van het griffierecht schrijven verzoekers in hun brief van 7 september 2015 dat de rechtspraak van hen verwacht dat zij griffierecht betalen, terwijl ook zij – gedoeld wordt op de rechtspraak – zijn betrokken bij de schade die verzoekers uiteindelijk is berokkend. Verzoekers voeren aan dat degenen die hen mede zoveel schade hebben laten toebrengen, nu ook nog eens in de gelegenheid zouden moeten worden gesteld om te oordelen over hoe zij hun huishouding hebben weten te handhaven. Verzoekers schrijven dat zij niet voor “het Gerechtshof Arnhem” willen verschijnen omdat zij “het Hof Arnhem” willen wraken op grond van betrokkenheid van “competenties” bij hun zaak. Van onafhankelijke rechtspraak kan dan volgens verzoekers voor hen geen sprake zijn.

2.2.

De rechtbank overweegt allereerst dat de belastingprocedure waar het hier om gaat aanhangig is bij de rechtbank en niet bij het gerechtshof zoals verzoekers schrijven in hun beide brieven. Hoewel het wrakingsverzoek feitelijk is gericht tegen “het Hof Arnhem”, zal de rechtbank het verzoek daarom opvatten als gericht tegen de rechtbank Gelderland.

2.3.

De rechtbank constateert dat verzoeker sub 2, de zoon van verzoekster sub 1, geen partij is in de belastingprocedure waar het hier om gaat. Verzoeker sub 2 moet om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn wrakingsverzoek.

2.4.

Voor zover het wrakingsverzoek is ingediend door verzoekster sub 1 overweegt de rechtbank het volgende. Wil een wrakingsverzoek ontvankelijk zijn, dan moet dit zijn gericht tegen de rechter die de zaak behandelt, dat wil zeggen de rechter die bemoeienis heeft met de zaak (artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht). Verzoekster sub 1 geeft niet aan welke rechter dat is en kan dit ook niet, omdat op het moment van het indienen van het verzoek haar niet bekend was wie de behandelend rechter in haar zaak zou zijn. Met de wraking van “het Hof Arnhem” (de rechtbank Gelderland) voldoet verzoekster sub 1 ook overigens niet aan de wet, nu daarmee niet de rechter wordt aangeduid die de zaak behandelt. Gelet hierop moet ook verzoekster sub 1 niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek. Hetgeen verzoekster sub 1 meer of anders heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom buiten beschouwing.

2.5.

Nu aanstonds duidelijk is dat verzoekers beiden – zij het op verschillende gronden – niet ontvankelijk zijn in hun wrakingsverzoek, zal worden afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoek.

3 De beslissing

De rechtbank

verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun wrakingsverzoek.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J. Jue, M.P.C.J. van Bavel en G.A. van der Straaten in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.C.D. Crezée en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2015.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.