Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:8273

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
20-01-2016
Zaaknummer
279126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Letselschade. Ongeval tijdens opleiding tot basisschoollerares. Oefenen gymles met radslag. Onrechtmatige daad. Gebrekkige zaak. Instructie nodig voor vaststelling toedracht. Afwijzing op grond van artikel 1019z Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/279126 / HA RK 15-24

Beschikking van 7 juli 2015

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te Cuijk,

verzoekster,

advocaat mr. L.M.M. Rohof te Nijmegen,

tegen

de stichting

DE STICHTING HOGESCHOOL VAN ARNHEM EN NIJMEGEN,

gevestigd te Arnhem,

verweerster,

advocaat mr. T. Havekes te Voorburg.

De partijen worden verder [verzoekster] en de stichting genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift

  • -

    de mondelinge behandeling. Verschenen zijn [verzoekster] vergezeld van mr. Rohof voornoemd, en G. [naam] , mr. H. [naam] en Z. [naam] , respectievelijk directeur instituut Pabo, jurist en docent van de stichting, vergezeld van mr. A.A.M. Zeeman namens mr. Havekes voornoemd. Mr. Rohof heeft het standpunt van zijn cliënte mede aan de hand van een pleitnota uiteengezet.

2 De beoordeling

2.1.

De stichting verzorgt onder meer een opleiding tot basisschooller(a)ar(es). Gekozen kan worden voor de specialisatie bewegingsonderwijs groep 3 tot en met 8. Op 12 april 2012 volgde [verzoekster] , destijds een 3e jaar studente met deze specialisatie, samen met haar medestudenten bij [naam] een les bewegingsonderwijs op de onderwijslocatie van de stichting aan de Groenewoudseweg te Nijmegen. In drie groepjes van ongeveer zes studenten werd het geven van verschillende gymlessen geoefend. De studenten die de betreffende les hadden voorbereid gaven deze aan de medestudenten in hun groepje. Na 10 minuten werd er gerouleerd.

2.2.

Eén van de drie gymlessen betrof de radslag vanaf een kastdeel, dat wil zeggen een radslag waarbij de handen op twee lage kastdelen moeten worden geplaatst en de benen over een in de breedte gespannen touw moeten worden gezwaaid, zodanig dat men met de voeten op de daarachter gelegen turnmatten landt. [verzoekster] had deze les niet voorbereid. Ze nam eraan deel als ‘leerlinge’. Bij het uitvoeren van de oefening is [verzoekster] zodanig geland dat zij letsel aan haar linkerenkel heeft opgelopen. [verzoekster] houdt tot op heden (pijn)klachten aan haar linkerenkel. Zij heeft inmiddels haar opleiding voltooid.

2.3.

Bij brief van 6 september 2013 heeft [verzoekster] de stichting aansprakelijk doen stellen voor de schade als gevolg van het ongeval. De stichting en haar verzekeraar wijzen aansprakelijkheid van de hand.

2.4.

Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank op de voet van artikel 1019w Rv voor recht zal verklaren:

- dat de stichting aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die [verzoekster] lijdt en nog zal lijden als gevolg van het ongeval op 12 april 2012, en

- dat [verzoekster] geen eigen schuld heeft aan de door haar ten gevolge van het ongeval geleden schade,

met begroting van de kosten die [verzoekster] maakt voor deze procedure, veroordeling van de stichting tot betaling daarvan en veroordeling van de stichting in de proceskosten.

De stichting voert verweer, onder meer strekkende tot afwijzing van het verzoek op de voet van artikel 1019z Rv.

2.5.

Het verzoek is in de eerste plaats gebaseerd op een onrechtmatige daad van [naam] voor de gevolgen waarvan de stichting als zijn werkgeefster op de voet van artikel 6:170 BW aansprakelijk is. Volgens [verzoekster] heeft [naam] in strijd gehandeld met (on)geschreven normen. Zij dient dan de feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat aan alle elementen voor de normovertreding is voldaan. In dat verband is het volgende van belang.

2.6.

[verzoekster] stelt dat [naam] , in strijd met zijn zorgplicht als docent, voorafgaand aan de praktijklessen niet heeft gewezen op het belang van een veilige opstelling en een deugdelijke landingsplaats, vóór de les (ligging en hechting van) de matjes niet heeft gecontroleerd, en de studenten niet heeft geïnstrueerd dat zij telkens bij en na het uitvoeren van de oefening de opstelling (van de matjes) dienden te controleren. Hierdoor kon het gebeuren dat de twee turnmatjes niet op een deugdelijke manier met klittenband aan elkaar bevestigd waren en konden verschuiven en daarom ongeschikt waren voor het opvangen van een lichaam bij de landing. [verzoekster] is vanwege deze ondeugdelijke bevestiging bij de landing met haar linkervoet op de rand van een verschoven turnmatje terecht gekomen met de kneuzing van haar enkel tot gevolg, aldus [verzoekster] .

2.7.

Voor de gevraagde verklaringen voor recht is vereist dat komt vast te staan dat het ongeval zich op de door [verzoekster] gestelde wijze heeft voorgedaan. Met name is van belang dat kan worden vastgesteld dat de matten niet op de daarvoor bedoelde wijze aan elkaar waren bevestigd en dat [verzoekster] als gevolg daarvan bij de landing met haar linkervoet op de rand van een mat is terechtgekomen en daarbij haar enkel heeft beschadigd. De stichting heeft dit weersproken. De turnmatten waren niet op een ondeugdelijke wijze aan elkaar bevestigd. [verzoekster] is met haar linkervoet ongelukkig op de turnmatten terechtgekomen, aldus de stichting.

Verder is nodig dat het aan [naam] verweten gebrek aan instructie en toezicht komt vast te staan in die mate dat zijn handelen of nalaten als onzorgvuldig is te kwalificeren in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW. Ook de daaraan door [verzoekster] ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden heeft de stichting gemotiveerd betwist.

Het komt dan in beginsel aan op bewijslevering. [verzoekster] heeft zich in dat verband nog beroepen op een schriftelijke verklaring van S.C.W. Hoogveld, de medestudent van [verzoekster] die de betreffende les had voorbereid. Haar verklaring ziet echter niet op alle feiten en omstandigheden die gelet op het voorgaande van belang zijn. Bovendien verklaart Hoogveld dat zij over het essentiële punt van het losschieten c.q. verschuiven van de matjes niets kan verklaren omdat zij zich daarvan niets herinnert. Bij deze stand van zaken kan niet tot een beslissing op het verzoek worden gekomen zonder bewijsopdracht en het horen van getuigen. De met dergelijke instructie gepaard gaande tijd en moeite staan naar het oordeel van de rechtbank niet in verhouding tot de kans dat een vaststellingsovereenkomst tot stand zal komen. Voor zover de verzoeken op een onrechtmatige daad van [naam] zijn gegrond stuit zij daarom af op artikel 1019z Rv.

2.8.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] aansprakelijkheid van de stichting in de tweede plaats gegrond op artikel 6:173 BW. Ook in dit verband rusten stelplicht en zo nodig de bewijslast op [verzoekster] . Zij heeft in dat verband gesteld dat de twee turnmatjes die bij de oefening radslag vanaf een kastdeel zijn gebruikt, bij de landing van [verzoekster] uit elkaar zijn geschoven. Ook indien de matjes wel aan elkaar waren bevestigd mag dat niet gebeuren. De matjes voldeden daarom niet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. De stichting is als bezitter van deze gebrekkige matjes voor de schade aansprakelijk, aldus [verzoekster] . De stichting heeft betwist dat de gebruikte matjes gebrekkig waren. Het klittenband functioneerde nog naar behoren, aldus de stichting.

2.9.

Ook in dit verband zijn ter zake van de toedracht en met name van het verschuiven van de matjes en het landen op de rand van een matje, vaststellingen nodig waarvoor bewijslevering in de vorm van getuigenverhoren is aangewezen. Daarbij komt dat de rechtbank over de beweerdelijk gebrekkige staat van de matjes waarschijnlijk nog door een deskundigen zal moeten worden voorgelicht. Bij deze stand van zaken kan ook op deze grondslag niet tot een beslissing op het verzoek worden gekomen zonder uitvoerige instructie. Daarvoor is zoals gezegd in deze verzoekschriftprocedure geen plaats.

2.10.

De slotsom is dat de verzoeken niet toewijsbaar zijn. Ter zake van de kosten van deze procedure geldt het volgende.

2.11.

De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van [verzoekster] bij de behandeling van het verzoek op € 5.561,12, inclusief € 78,00 aan griffierecht. Het uurtarief van de advocaat van [verzoekster] van € 225,00 exclusief btw en 6% kantoorkosten komt de rechtbank anders dan de stichting heeft aangevoerd, niet onredelijk voor. De stichting heeft verder bezwaar gemaakt tegen het opvoeren van vier uur aan het bestuderen van het verweerschrift, twee uur aan overleg met [verzoekster] en twee uur aan diverse correspondentie. Het verweerschrift is weliswaar redelijk omvangrijk, maar bevat anderzijds geen verrassingen ten opzichte van de buiten rechte door de stichting reeds ingenomen standpunten. Voor het bestuderen ervan acht de rechtbank twee uur redelijk, net als twee uur voor overleg met [verzoekster] . Dat met correspondentie in het kader van de behandeling van dit verzoekschrift twee uren zijn gemoeid kan, zonder nadere specificatie, die ontbreekt, in redelijkheid niet worden aangenomen. Enige correspondentie is echter onvermijdelijk. De rechtbank zal daarvoor één uur rekenen. De advocaatwerkzaamheden kunnen dan worden begroot op € 5.483,12 (19 maal € 225,00 exclusief 6% kantoorkosten en 21% btw). Nu niet vast staat dat de stichting voor de schade aansprakelijk is zal de stichting niet tot betaling van het aldus begrote bedrag worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, reeds niet nu artikel 289 Rv dat daarvoor de grondslag zou moeten zijn, in artikel 1019aa lid 3 Rv buiten toepassing is verklaard.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

begroot de kosten van [verzoekster] bij de behandeling van dit verzoek op € 5.561,12,

3.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.