Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:8266

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-12-2015
Datum publicatie
20-01-2016
Zaaknummer
289821
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Remincident. Nader onderzoek ter vaststelling van causaal verband nodig.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2016/141
JA 2016/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/289821 / HA RK 15-143

Beschikking van 17 december 2015

in de zaak van

1 [verzoeker] ,

wonende te Venray,

2. SEMIHA [verzoekster],

wonende te Mersin (Turkije),

verzoekers,

advocaat mr. Z.M. Alaca te Eindhoven,

tegen

de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

verweerster,

advocaat mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven.

Partijen worden hierna [verzoekers] (in mannelijk enkelvoud) en Achmea genoemd. Waar nodig zullen verzoekers afzonderlijk worden aangeduid als de heer [verzoekers] en mevrouw [verzoekster] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    het verweerschrift,

  • -

    de brieven van [verzoekers] met bijlagen van 3 en 4 november 2015,

  • -

    de mondelinge behandeling op 12 november 2015. Verschenen zijn: de heer [verzoekers] en mevrouw [verzoekster] met mr. Alaca voornoemd en de heer P.J.M. Houben, juridisch adviseur namens Achmea, met mr. Stroetinga voornoemd.

2 De feiten

2.1.

De heer [verzoekers] en mevrouw [verzoekster] zijn op 24 september 2012 in hun auto betrokken geweest bij een incident op de snelweg nabij Deil, gemeente Geldermalsen. Mevrouw [verzoekster] was de bestuurster van de auto en de heer [verzoekers] zat met zijn dochter op de achterbank. Voor hen reed een vrachtwagen met aanhanger met daarop een container. Op enig moment is de container met lading (steentjes) van de aanhanger gevallen en op de snelweg terecht gekomen. Mevrouw [verzoekster] heeft daardoor abrupt en krachtig moeten remmen. Een botsing met de (lading van de) container is voorkomen.

2.2.

Achmea, de verzekeraar van de vrachtwagen, heeft aansprakelijkheid voor het remincident erkend.

2.3.

De heer [verzoekers] en mevrouw [verzoekster] stellen aan het remincident (letsel)schade te hebben overgehouden.

2.4.

Met betrekking tot de heer [verzoekers] gaat het om klachten aan de onderrug, rechterknie, rechterhand, rechterbeen en hoofd. Daarnaast is sprake van slaapproblematiek. De medisch adviseur van Achmea, dr. L.G. Koenen (hierna: dr. Koenen), heeft op 26 september 2013 als volgt over het letsel van de heer [verzoekers] geschreven:

“Al met al is er sprake van een zeer uitgebreid beeld met forse lichamelijke klachten die op basis van de toedracht niet goed zijn te verklaren. Betrokkene heeft zich ook eerst pas een maand na het ongeval onder medische behandeling gesteld en in eerste instantie ook gewoon doorgewerkt.

Daarna zijn er voor de diverse klachten geen traumatische afwijkingen gevonden. Wel werd een kraakbeenoedeem gezien bij de rechterknie. Deze zou van traumatische origine kunnen zijn doch een blijvende problematiek is niet te verwachten.

c. Beantwoording vraagstelling en advies

1. Graag verneem ik of het letsel louter en alleen als gevolg van krachtig remmen is ontstaan.

Zoals hierboven aangegeven kan ik de uitgebreide problematiek niet verklaren vanuit krachtig remmen en acht ik dat ook niet aannemelijk.

2. Geven de klachten beperkingen? Zo ja, op welk gebied?

Betrokkene presenteert zodanige pijnklachten dat hij daarvoor door de bedrijfsarts en verzekeringsarts beperkt wordt geacht. Men heeft getracht hem te re-integreren in lichte deeltaken van het eigen werk. Betrokkene is daar echter mee gestopt in verband met de pijnklachten. Deze zijn echter op medische gronden niet goed te verklaren.

3. Spelen er naast het ongeval andere factoren die de klachten in stand houden?

Ik kan mij niet goed voorstellen dat de klachten een gevolg zijn van het ongeval. Dit houdt in dat de klachten in stand worden gehouden door andere factoren.

Advies

Ik kan het beeld niet goed verklaren vanuit de ongevalstoedracht. Graag zou ik ontbrekende informatie ontvangen. (…)”

2.5.

De medisch adviseur van [verzoekers] , dr. J.F.G.M. Thissen (hierna: dr. Thissen), heeft op 20 november 2013 als volgt gerapporteerd over het letsel van de heer [verzoekers] :

5.0

Bespreking / beschouwing en advies.

Ingewikkeld verhaal, waarbij fysieke en psychische factoren door elkaar lopen. En waarbij de reden van het ontstaan van de psychosociale spanningen en de relatieproblemen gelegd moeten worden, althans voor zover gedestilleerd kan worden uit de huidige gegevens bij het incident, nl het ongeval. Aansluitend daaraan zijn blijkbaar wel onderzoeken verricht te zijn, maar deze hebben naar achteraf blijkt geringe letsels niet gedocumenteerd, terwijl die er wel waren. Ik verwijs dus met name naar de problemen van de hand en de knie.

De relatie tussen het ongeval en de rugklachten wordt inderdaad een stuk moeilijker, aangezien hooguit op een indirecte wijze geweldinwerking op de rug waarschijnlijk kan worden gemaakt.

Net als bij mevrouw [verzoekers] geeft collega Koenen aan, dat het afrem – mechanisme als reden voor de geweldsinwerking op zich niet aanleiding kon geven tot daadwerkelijke beschadigingen. Daarvoor zijn auto’s immers ingericht. Contact tussen het lichaam van betrokkene en de bestuurdersstoel, alsmede eventueel de zijkant van het lichaam met de cabine wordt wel aangegeven, gezien het forse afremmen dat aan de orde lijkt te zijn geweest kan dat uiteraard wel gepaard gaan met behoorlijke geweldinwerking. In ieder geval zodanig dat documenteerbaar beschadiging op is getreden in het kraakbeen van de knie alsmede van de rechterhand. Om deze zaken goed te onderbouwen is het aangewezen te kunnen beschikken over de medische informatie van betrokkenen huisarts over de 2 jaar vooraf aan het ongeval. Dit om knieklachten die reeds bestonden vooraf aan het ongeval uit te sluiten.

Waarbij wel van belang is de vraag te beantwoorden, of betrokkene in een veiligheidsgordel zat. Immers, hij zat achter de bestuurder, om dan met de rechterkant ergens tegenaan te slaan, terwijl hij vastzat in de veiligheidsgordel, wordt lastig om te begrijpen.

(…)

Doordat de mogelijk heel subtiele afwijkingen als gevolg van het trauma niet tijdig zijn onderkend heeft betrokkene een proces doorgemaakt van zich niet erkend voelen, niet gekend voelen en grote onzekerheid over het functioneren in de toekomst. Met daarnaast nog problemen ten aanzien van de gezondheid van zijn echtgenote en kind. Dit heeft geleid tot veel frustraties, boosheid en veel piekeren omtrent de medische situatie alsmede zijn eigen toekomst. In de periode aansluitend aan het ongeval worden ook relatieproblemen beschreven, betrokkene en echtgenote zijn in relatietherapie gegaan. Ook deze klachten lijken voor te komen uit de (directe en indirecte) gevolgen van het ongeval.

(…)

Conclusie.

Forse afremmen dat geleid heeft tot botscontacten tussen het lichaam van betrokkene en het interieur van de auto, met als gevolg beschadiging van de knie (kraakbeen) en de hand. De rugklachten lijken een indirect gevolg te zijn van deze gang van zaken.

Mogelijk is sprake van pre existentie of predispositie, dit kan worden uitgesloten aan de hand van gegevens van de huisarts. Althans, dit zal dienen te worden weerlegd naar de medisch adviseur van de verzekeraar toe.

Ik beschik niet over alle gegevens waarover collega Koenen wel beschikt, gaarne bij deze nog doen toekomen. (…)”

2.6.

De huisarts van [verzoekers] , de heer dr. L.W.J.E. Beurskens (hierna: dr. Beurskens) heeft op 3 november 2014 als volgt over de heer [verzoekers] geschreven:

“U heeft op 24-09-2012 een auto-ongeval gehad. U heeft aangegeven dat u en uw vrouw naar aanleiding hiervan samen met uw dochter op 25-09-2012 het spreekuur van mevr. van Tiel-Knoppen hebben bezocht. In onze agenda staat dit beschreven bij 25-10-2012. Dit maakt voor het beloop van het verhaal echter geen verschil.

U had hierbij klachten van uw rug, knie, hand en hoofd. Uw vrouw van hoofdpijn, nekpijn, schouderpijn en oorsuizen. Deze klachten zijn post-traumatisch ontstaan. Ook in de periode na dit bezoek hebben u en uw vrouw regelmatig het spreekuur bezocht in verband met bovenstaande klachten.

(…)

Op de MRI van de knie van 04-12-2012 zien we chondropathie van de mediale femurcondyl met kraakbeen oedeem. Op de MRI van de rug worden geen afwijkingen gezien. Verschillende orthopeden en de neuroloog hebben gekeken naar uw klachten, maar konden geen aangrijpingspunten vinden voor orthopedisch/neurologisch ingrijpen.

(…)

In het medisch dossier wordt op 22-11-2009 melding gemaakt van knieklachten. Hiervoor bent u destijds onderzocht door de orthopeed. Bij het onderzoek door de orthopedisch chirurg had u geen klachten meer. U heeft tot aan het ongeval geen knieklachten meer gehad.

In verband met pijnklachten en bewegingsbeperking van uw derde vinger rechts heb ik op 01-05-2013 een röntgenfoto van uw hand laten maken. Deze toonde geen afwijkingen.

Op 17-07-2013 bent u in verband met deze klachten bij dr. H. Janzing, traumachirurg in het Viecuri Medisch Centrum geweest. Deze liet een CT-scan maken waarop een malunion is te zien van het metacarpophalangeale gewricht van de derde vinger rechts (MCP3). Dr. Janzing stelt voor om uw hand/vinger te opereren.

Op 09-10-2013 bezocht u prof. dr. A. van Kampen in het RadboudUMC. Prof van Kampen kan geen specifieke orthopedische aandoeningen vaststellen en zou geen chirurgische ingreep laten uitvoeren.

In het medisch dossier wordt op 08-11-2011 melding gemaakt van hand- en vingerklachten. De klachten destijds waren een snijwond en schaafwond op de 4e en 5e vinger, geen breuk. Deze klachten hadden geen invloed op uw functioneren, u heeft in de 3 daaropvolgende jaren gewoon gewerkt.

Al met al is de afgelopen periode gekenmerkt door aanhoudende pijnklachten. De specialisten die geconsulteerd zijn hebben weinig aangrijpingspunten voor behandeling of spreken elkaar tegen.

Dit heeft er toe geleid dat u ernstige psychische klachten heeft gekregen, waardoor het functioneren in uw relatie en op het werk onder druk is komen te staan.

Vooralsnog zien we daarin geen duidelijke verbetering.

Wij zouden de UWV-arts willen adviseren om u voorlopig te ontheffen van de verplichting tot het zoeken van werk, zodat u kunt werken aan uw herstel. (…)”

2.7.

Mevrouw [verzoekster] stelt aan het incident klachten te hebben overgehouden aan haar rechterarm, hoofdpijn, nekpijn, schouderpijn en oorsuizen. Dr. Koenen heeft namens Achmea op 26 september 2013 als volgt over het letsel van mevrouw [verzoekster] geschreven:

c. Beantwoording vraagstelling en advies

1. Graag verneem ik of klachten louter en alleen als gevolg van krachtig afremmen zijn ontstaan.

De klachten zijn naar mijn mening op basis van krachtig afremmen niet te verklaren. Met betrekking tot de rechterschouder (sleutelbeen, AC-gewricht) kan worden opgemerkt dat deze bij het dragen van de veiligheidsgordel (over de linkerschouder) goed beschermd is. Betrokkene had al zeven jaar last van de rechterschouder en pre-existent overigens ook een RSI aan de rechteronderarm. Traumatische afwijkingen zij niet aangetoond.

2. Leveren de klachten ook beperkingen op?

In het expertiserapport geeft betrokkene aan dat zij hevige pijnklachten heeft in de rechterarm, elleboog en schouder. Zij ervaart pijn bij alle dagelijkse activiteiten. Een en ander laat zich verder uiteraard niet goed beoordelen. Een causale relatie met het ongeval acht ik echter niet aangetoond.

3. Spelen er naast het ongeval andere factoren die de klachten kunnen verklaren?

Zoals aangegeven had betrokkene al zeven jaar lang last van de rechterschouder. Verder had zij pre-existent RSI-klachten aan de rechteronderarm. Voorts was er kennelijk pre-existent ook sprake van Migraine.

Advies:

Het huidige beeld is naar mijn mening niet te verklaren vanuit een krachtig afremmen. Graag verneem ik de visie van de medisch adviseur van de belangenbehartiger. (…)”

2.8.

Dr. Thissen heeft namens [verzoekers] op 20 november 2013 als volgt gerapporteerd over het letsel van mevrouw [verzoekster] :

Voorgeschiedenis en ongevalsvreemde factoren

Zie hierboven, betrokkene was tot 2012 in de ziektewet, dan wel arbeidsongeschikt (in ieder geval in begeleiding bij het UWV) in verband met klachten van de rechterarm. Voor het overige was zij bekend met migraine, de aard en frequentie van de die aanvallen zou zijn toegenomen. Het ongeval heeft bij de echtgenoot van betrokkene ook klachten veroorzaakt, die weer hebben geleid tot forse (psychosociale) spanningen.

(…)

5.1.

Conclusie

Afrem-geweldinwerking met een botsmoment in de auto, als gevolg waarvan betrokkene klachten ontwikkelde van de schouder, waarvoor uiteindelijk operatie. Er is sprake van naar verwachting naar voren halen van de datum waarop de schouder eventueel zou zijn geopereerd. Daarnaast toename van de hoofdpijnklachten, alsmede van mogelijk een psychische reactie op het ongeval en de gevolgen daarvan. Voor dit laatste heeft zij nog niet evidente begeleiding gehad. Een relatie tussen het gehoorverlies en het ongeval kan niet worden gelegd. Wel tussen de (overigens niet specifieke) toename van de klachten van het houding en bewegingsapparaat en het ongeval, alsmede mogelijk de toename van de migraine (in frequentie met name). Bij adequate therapie mag ervan worden uitgegaan dat deze toename van klachten aanmerkelijk zal verminderen.

(…)”

2.9.

Partijen hebben naar aanleiding van de hiervoor weergegeven rapportages met elkaar gediscussieerd over de vraag of de klachten van de heer [verzoekers] en mevrouw [verzoekster] in causaal verband staan met het remincident op 24 september 2012. [verzoekers] heeft zijn verzoekschrift ingediend op 15 september 2015.

3 Het verzoek en het verweer daartegen

3.1.

[verzoekers] verzoekt de rechtbank, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te bepalen dat het causaal verband tussen de klachten van de heer [verzoekers] en mevrouw [verzoekster] en het ongeval van 24 september 2012 op grond van het rapport van dr. Thissen van 20 november 2013 en de brief van 3 november 2014 van dr. Beurskens als vaststaand moet worden aangenomen;

  2. te bepalen dat het rapport van dr. Thissen van 20 november 2013 en de brief van 3 november 2014 van dr. Beurskens basis is voor de verdere schadeafwikkeling tussen partijen;

  3. voor recht te verklaren dat het verlies aan verdienvermogen van de heer [verzoekers] voor vergoeding in aanmerking komt;

  4. te bepalen dat Achmea een nader voorschot op de schadevergoeding aan de heer [verzoekers] dient te verstrekken van € 59.000,00;

  5. te bepalen dat Achmea een nader voorschot op de schadevergoeding aan mevrouw [verzoekster] dient te verstrekken van € 1.000,00

  6. Achmea te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van [verzoekers] ter grootte van € 4.859,66;

  7. de kosten van het deelgeschil te begroten en Achmea te veroordelen tot betaling daarvan.

3.2.

[verzoekers] heeft bij brief van 4 november 2015 aanvullend en subsidiair verzocht om ter vaststelling van het causaal verband een onafhankelijke deskundige te benoemen.

3.3.

[verzoekers] heeft aan zijn verzoeken – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat volgens hem uit de rapportage van dr. Thissen en de brief van de huisarts dr. Beurskens genoegzaam volgt dat de gezondheidsklachten van de heer [verzoekers] en mevrouw [verzoekster] door het remincident zijn veroorzaakt. Dat die klachten door het remincident zijn veroorzaakt volgt volgens [verzoekers] ook uit de omstandigheid dat mevrouw [verzoekster] zeer krachtig heeft moeten remmen en de auto door het ontbreken van een ABS-systeem zeer abrupt tot stilstand is gekomen.

3.4.

Achmea heeft verweer gevoerd. Zij heeft het bestaan van causaal verband tussen de gestelde klachten en het incident betwist, waarbij is verwezen naar de rapportages van haar eigen medisch adviseur dr. Koenen en naar de conclusies van dr. Thissen, die het bestaan van causaal verband volgens Achmea geenszins bevestigen. Ook de toedracht van het remincident – het dragen van gordels en geen botsing - maakt dat het bestaan van causaal verband door Achmea in twijfel wordt getrokken. Achmea heeft subsidiair een beroep gedaan op eigen schuld van de heer [verzoekers] .

4 De beoordeling

4.1.

De kern van hetgeen partijen verdeeld houdt is de vraag of de door de heer [verzoekers] en mevrouw [verzoekster] gestelde klachten in causaal verband staan met het remincident dat op 24 september 2012 heeft plaatsgevonden.

In het kader van deze causaliteitskwestie is tussen partijen de vraag gerezen of het remincident, waarbij zowel de heer [verzoekers] en mevrouw [verzoekster] naar eigen zeggen de gordel hebben gedragen en de auto van [verzoekers] niet tegen de container is gebotst, überhaupt tot de gestelde klachten heeft kunnen leiden. Achmea betwist dat sprake is geweest van botscontact tussen de schouder van mevrouw [verzoekers] en het stuur. Ook de mogelijkheid van botscontact tussen de knie van de heer [verzoekers] en de voorliggende rugleuning is door Achmea betwist. Deze twistpunten kunnen niet zonder nadere instructie worden beantwoord. Achmea heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat op dit punt van haar zijde wel een expertise zal gaan plaatsvinden.

Met betrekking tot de gestelde gezondheidsklachten hebben partijen gewezen op de rapportages van hun eigen medisch adviseurs; een (medische) expertise op gezamenlijk verzoek heeft (nog) niet plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat uit die beide rapportages, dus ook die van [verzoekers] zelf, volgt dat bij zowel de heer [verzoekers] (met betrekking tot de klachten aan de knie) als mevrouw [verzoekster] (met betrekking tot met name de schouderklachten, de RSI-klachten en hoofdpijnklachten) sprake is van pre-existente problematiek en dat bovendien medisch objectiveerbare afwijkingen op een aantal punten niet zijn geconstateerd zijn (onder meer met betrekking tot de rug- en handklachten van de heer [verzoekers] ). Dr. Thissen schrijft verder dat het causaal verband tussen de rugklachten van de heer [verzoekers] en het incident lastig te verklaren is. Met betrekking tot de oorsuizen van mevrouw [verzoekster] schrijft dr. Thissen onomwonden dat daar het causaal verband in ieder geval ontbreekt. Uit de brief van de huisarts dr. Beurskens volgt verder dat de rug van de heer [verzoekers] geen afwijkingen laat zien, dat de heer [verzoekers] voor het incident klachten heeft gehad aan zijn knie en verder dat de artsen het niet eens zijn over het letsel aan de hand van de heer [verzoekers] .

Uit het voorgaande volgt reeds dat de voorliggende verzoeken tot het vaststellen van causaal verband tussen de klachten van de heer [verzoekers] en mevrouw [verzoekers] en het remincident op basis van de rapportages van dr. Thissen en de brief van de huisarts Beurskens, en het verzoek te bepalen dat die rapportages tot uitgangspunt moeten worden genomen bij de verdere schadeafwikkeling (de verzoeken 1 en 2), niet toewijsbaar zijn. Die medische stukken tonen dat verband niet onomstotelijk aan, nog los van de omstandigheden dat de medisch adviseur van Achmea (dr. Koenen) concludeert tot afwezigheid van causaal verband en een gezamenlijke rapportage ontbreekt.

Voor het vaststellen van causaal verband is nader (medisch) onderzoek nodig door een onafhankelijke deskundige. De deelgeschilprocedure is bedoeld om tussen partijen vastgelopen onderhandelingen weer vlot te trekken door, kort gezegd, op een de partijen verdeeld houdend geschilpunt op snelle wijze in een vlotte procedure te beslissen. Anders dan een verzoek om een veroordeling tot medewerking aan een deskundigenonderzoek, waarbij partijen overeenstemming hebben over de wenselijkheid van een expertise, de persoon van deskundige en de vraagstelling (vgl. beschikking Rechtbank Arnhem van 5 december 2012), is in een deelgeschilprocedure geen plaats voor het gelasten van een deskundigenonderzoek. Voor een dergelijk verzoek bestaat een andere rechtsingang. Om die reden is ook het subsidiaire verzoek van [verzoekers] tot benoeming van een onafhankelijke deskundige niet toewijsbaar.

4.2.

Nu het causaal verband tussen de gezondheidsklachten van de heer [verzoekers] en mevrouw [verzoekster] en het remincident in deze procedure niet kan worden vastgesteld, zijn de verzoeken onder 3, 4, en 5 evenmin toewijsbaar. Voor het vaststellen van (een voorschot op) de schadevergoeding dient immers eerst het causaal verband vast te staan. Pas dan komt de vraag aan de orde wat de door de heer [verzoekers] en mevrouw [verzoekster] als gevolg van het remincident geleden schade is, waaronder de vraag of sprake is van verlies aan verdienvermogen, nog daargelaten dat [verzoekers] de gevorderde voorschotbedragen niet van een inhoudelijke motivering heeft voorzien.

4.3.

Wat resteert zijn de buitengerechtelijke kosten (verzoek 6) en de kosten van het deelgeschil (verzoek 7). [verzoekers] heeft in zijn verzoekschrift onder het kopje “Buitengerechtelijke kosten” zonder een nadere specificatie een bedrag genoemd van € 4.859,66 (17 uren x € 225,00 ex 5% kantoorkosten en 21% BTW). Het gaat volgens [verzoekers] om werkzaamheden die tot aan de indiening van het verzoekschrift zijn verricht en die zien op jurisprudentieonderzoek, gesprekken met cliënten, dossierstudie, correspondentie met Achmea en het opstellen van het onderhavige verzoekschrift. Uit die omschrijving leidt de rechtbank af dat het (grotendeels) gaat om de door de rechter te begroten kosten bij de behandeling van het verzoek, een en ander als bedoeld in artikel 1019aa Rv. Dat volgt ook uit de brief van [verzoekers] van 4 november 2015 waarin hij schrijft: “Hierbij ontvangt u mijn urenspecificatie in verband met het verzoek om de kosten van dit deelgeschilprocedure te begroten”. Uit de bij die brief gevoegde urenspecificatie volgt een bedrag € 5.640,11 (inclusief BTW). De rechtbank gaat er vanuit - gelet op de vermelde werkzaamheden op die specificatie en zonder een nadere toelichting, die ontbreekt - dat het eerder genoemde bedrag van € 4.859,66 daarin is begrepen.

De rechtbank stelt tegen deze achtergrond vast dat de verzoeken van [verzoekers] onder 6 en 7 in feite hetzelfde verzoek betreffen, namelijk de kosten van dit deelgeschil te begroten, en niet (ook nog) afzonderlijk een verzoek tot betaling van buitengerechtelijke kosten. Voor zover [verzoekers] wel heeft bedoeld dat verzoek te doen, dan heeft hij nagelaten het onderscheid tussen de beide verzoeken inzichtelijk te maken en te onderbouwen. Het verzoek onder 6 zal worden afgewezen. Het verweer dat Achmea tegen de buitengerechtelijke kosten heeft gevoerd zal om voorgaande reden worden beschouwd als te zijn gedaan tegen het verzoek om de kosten van het deelgeschil te begroten (verzoek 7).

4.4.

[verzoekers] verzoekt de kosten van het deelgeschil te begroten op € 5.640,11 en Achmea te veroordelen tot betaling daarvan. Dat bedrag bestaat uit ruim 20,5 uur tegen een tarief van € 225,00 per uur, exclusief BTW.

Achmea heeft aangevoerd dat de door mr. Alaca opgevoerde werkzaamheden grotendeels al door de voorganger van mr. Alaca zijn verricht en dat Achmea daarvoor ook al een bedrag van € 12.000,00 aan die voorganger heeft vergoed. Om die reden acht Achmea de opgevoerde kosten niet redelijk.

Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot die gemoeid zijn met de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking neemt. Daarbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn (MvT, Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 18).

Afgezet tegen de stand waarin de zaak zich thans bevindt en het niet weersproken verweer van Achmea, begroot de rechtbank de kosten van het deelgeschil, inclusief griffierecht, op € 3.000,00. Achmea, die aansprakelijkheid heeft erkend, zal tot betaling van dit bedrag worden veroordeeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

begroot de kosten bij de behandeling van dit verzoek aan de zijde van [verzoekers] op € 3.000,00 en veroordeelt Achmea tot betaling van dit bedrag;

5.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2015.

Cc: AB