Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:8261

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-12-2015
Datum publicatie
18-01-2016
Zaaknummer
05/841001-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren wegens het plegen van drie diefstallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers : 05/841001-15 en 05/143193-13 (vord. tul)

Datum uitspraak : 29 december 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats]

thans gedetineerd te HvB Ooyerhoekseweg - Zutphen te Zutphen

Raadsvrouw: mr. V.W.A.M. van de Port, advocaat te Harderwijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 15 december 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij op of omstreeks 06 september 2015 te Harderwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hertengewei, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 06 september 2015 tot en met 16 september

2015 te Harderwijk, althans in Nederland, een hertengewei heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat gewei wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks 06 september 2015 te Harderwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een op/aan bungalowpark, [adres 2] , [nummer 1] ,

geparkeerd staande) fietskar, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 16 september 2015 te Harderwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een op/aan de Baanweg, fietsenstalling station, geparkeerd

staande (dames)fiets (merk: Cortina, type: Transport, framenummer [nummer 2] ), in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.

hij op of omstreeks 15 september 2015 te Harderwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een op/aan het Stationsplein, fietsenstalling station,

geparkeerd staande (heren)fiets (merk: Cortina, type: Crush, framenummer: [nummer 3] ), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Ten aanzien van feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair onder 1 tenlastegelegde. Hij wijst in dat kader op de aangifte van [slachtoffer 1] en het feit dat verdachte het hertengewei voorhanden heeft gehad. De door verdachte afgelegde verklaring, inhoudende dat hij het gewei bij de vuilnis heeft gevonden, is volgens de officier van justitie ongeloofwaardig en niet toetsbaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het primair en subsidiair onder 1 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Verdachte ontkent het gewei te hebben gestolen. Daarnaast volgt uit het dossier niet dat iemand heeft gezien dat het gewei van de muur van [slachtoffer 1] werd gehaald.
Volgens de raadsvrouw is evenmin sprake van heling. Verdachte heeft het gewei, dat volgens hem beschadigd was, gevonden bij het vuilnis. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat hij wist of had behoren te weten dat het gewei van misdrijf afkomstig was.

De beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van diefstal van een hertengewei, gepleegd op 6 september 2015 te Harderwijk, tussen 13:00 en 19:00 uur.2 Hij heeft verklaard dat het gewei aan de zijkant van zijn appartement hing. Vermoedelijk is een grijze container als opstapje gebruikt om het gewei te kunnen wegnemen.3

Verdachte erkent dat hij dit gewei voorhanden heeft gehad. Hij heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij het gewei op maandag 14 september 2015 bij het vuilnis heeft gevonden bij het Slingerbos in Harderwijk. Op 17 september 2015 heeft verdachte verklaard dat hij het gewei ‘een week geleden, op maandag’ heeft meegenomen bij het vuilnis (opmerking rechtbank: dat zou zijn geweest op maandag 7 september 2015). Volgens verdachte wordt elke maandag het vuil opgehaald bij het Slingerbos.

Verdachte is echter op zondag 6 september 2015 omstreeks 17.00 uur, de dag waarop het gewei bij [slachtoffer 1] is weggenomen, al gezien met een hertengewei voor op zijn fiets in Harderwijk. Hij is door een verbalisant ambtshalve op camerabeelden herkend.4 Verdachte heeft hier, desgevraagd ter terechtzitting, geen verklaring voor kunnen geven, maar betwist niet dat hij op de betreffende camerabeelden te zien is.5

Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond van de beelden en de herkenning vast dat verdachte op 6 september 2015, kort na de diefstal, het hertengewei in bezit had. De rechtbank acht verdachtes verklaringen over het aantreffen van het gewei bij het vuilnis in strijd met die bewijsmiddelen. De korte tijd tussen de diefstal en het voorhanden hebben van het gewei, waarvoor verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair onder 1 tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde. De aangever herkent de fietskar waarmee verdachte het bungalowpark afrijdt als zijn fietskar. Volgens de officier van justitie heeft de aangever geen belang bij het ten onrechte belasten van een derde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de fietskar van verdachte zelf was. Een kennis van hem, die ook op het bungalowpark woont, had de fietskar van hem geleend. Volgens de raadsvrouw is de fietskar op de camerabeelden niet de fietskar waar de aangifte op ziet. De kar van verdachte is blauw, zoals ook volgt uit de camerabeelden, terwijl de aangifte ziet op een zwarte fietskar.

De beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van diefstal van een fietskar, gepleegd op 6 september 2015 te Harderwijk.6 [slachtoffer 2] woont op [nummer 1] van Bungalowpark ‘ [naam 1] ’, gelegen aan de [adres 2] in Harderwijk. Toen hij zijn woning verliet, stond de zwarte fietskar nog in zijn tuin, tegen het chalet aan.7 Op de kruising Boslaan/Korhoenlaan kwam [slachtoffer 2] een man tegen die zich per fiets verplaatste. De man viel hem op, omdat hij een hertengewei op zijn fiets had. Toen [slachtoffer 2] enkele uren later thuis kwam, was de fietskar weg.8

Bij het uitkijken van camerabeelden van het bungalowpark zag [slachtoffer 2] een man het park opkomen. Korte tijd later zag hij de man het park weer afgaan. De man had toen de fietskar van aangever [slachtoffer 2] achter zijn fiets. Het hertengewei dat de man eerst op het stuur van zijn fiets had, lag nu in de fietskar.9

De beelden van het bungalowpark zijn door [slachtoffer 2] afgegeven aan de politie. De beelden zijn door een verbalisant uitgekeken. De verbalisant beschrijft dat op de beelden is te zien dat op 6 september 2015 een man de slagboom bij het bungalowpark voorbij fietst en zo het park op gaat. Opvallend is dat voorop de fiets een hertengewei zit. Even later komt de man het park weer af fietsen. Achter zijn fiets zit nu een fietskar met daarop een zwarte bak. In deze bak ligt het hertengewei dat de man op de heenweg nog voorop zijn fiets had. De verbalisant herkent de man ambtshalve als verdachte [verdachte] .10

Verdachte betwist niet dat hij op de beelden te zien is, maar ontkent dat hij de fietskar op het bungalowpark heeft gestolen. Ten overstaan van de politie heeft hij verklaard dat de fietskar van hem is en dat hij deze al bij zich had toen hij het bungalowpark op fietste. Ter terechtzitting heeft verdachte echter verklaard dat een kennis, genaamd [naam 2] , zijn fietskar had geleend en dat hij deze kar kwam ophalen.

Verdachte heeft wisselend verklaard. De rechtbank acht verdachtes verklaringen in het licht van de aangifte en de beschrijving van de camerabeelden niet aannemelijk geworden. Aangever [slachtoffer 2] herkent de fietskar op de camerabeelden als zijn fietskar en van een kleurverschil tussen de fietskar op de beelden en de fietskar zoals die is genoemd in de aangifte, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de aangifte of de bevindingen van de verbalisant. Evenmin heeft verdachte de door hem genoemde [naam 2] doen horen.

De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 20 en 21, met bijlage op p. 22;

- het proces-verbaal van aanhouding van verdachte, p. 31 en 32;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 40;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 december 2015.

Ten aanzien van feit 4

Het dossier bevat een aangifte, een getuigenverklaring en een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] .

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij op 15 september 2015 omstreeks 16.30 uur een mogelijke fietsendief heeft zien rijden vanaf het station in Harderwijk. De man reed zelf op een fiets en droeg daarbij een fiets op zijn schouder. De kenmerken van de laatstgenoemde fiets lijken overeen te komen met de kenmerken van de fiets die is weggenomen van aangever [slachtoffer 4] . De getuige heeft de mogelijke fietsendief omschreven als een blanke man met een slank postuur van ongeveer 50 jaar, met een lang bleek gezicht. Hij droeg een licht grijze of licht blauwe pet en een vest of jasje met een lichtblauwe capuchon, een stoffen jas en witte sneakers.

Diezelfde dag omstreeks 17.20 uur trof verbalisant [verbalisant 1] de haar ambtshalve bekende verdachte [verdachte] aan. Volgens haar voldeed verdachte aan het door getuige [getuige] opgegeven signalement. De van aangever [slachtoffer 4] weggenomen fiets is niet aangetroffen.

De rechtbank constateert dat verdachtes uiterlijke kenmerken, op het moment dat hij door verbalisant [verbalisant 1] werd gezien, grotendeels overeenkwamen met het door de getuige opgegeven signalement. Zij is echter ook van oordeel dat dit signalement niet dusdanig specifiek is, dat het enkel en alleen op verdachte zou kunnen zien. De rechtbank constateert voorts dat verdachte door de verbalisant op een andere plek in Harderwijk is gezien, terwijl de bij aangever [slachtoffer 4] weggenomen fiets niet onder verdachte is aangetroffen. Dit maakt dat de rechtbank - alles in samenhang bezien - evenals de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel is dat op basis van de inhoud van het dossier niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die het tenlastegelegde heeft begaan.

Om die reden zal de rechtbank verdachte vrij spreken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

primair

hij op of omstreeks 06 september 2015 te Harderwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hertengewei, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 06 september 2015 te Harderwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een op/aan bungalowpark, [adres 2] , [nummer 1] [nummer 1] ,

geparkeerd staande) fietskar, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 16 september 2015 te Harderwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een op/aan de Baanweg, fietsenstalling station, geparkeerd

staande (dames)fiets (merk: Cortina, type: Transport, framenummer [nummer 2] ), in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van de feiten 1 primair, 2 en 3, telkens:

diefstal.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 wordt veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van zijn vordering gewezen op de justitiële documentatie van verdachte en het feit dat verdachte, ondanks dat hij begeleid woonde en structuur geboden kreeg van de reclassering, toch recidiveert. De officier van justitie is van mening dat de beveiliging van de maatschappij dient te prevaleren boven het persoonlijk belang van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 38m, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), nu het dossier geen gedragskundig advies bevat dat tot doel heeft inzicht te bieden in de patronen, het delict gedrag, de levensstijl, eventuele achtergrondproblematiek en relevante gedragskenmerken van verdachte. Het reclasseringsrapport van 5 november 2015 biedt volgens de raadsvouw onvoldoende waarborgen en voldoet om die reden niet aan de wettelijke eis dat het advies met redenen omkleed moet zijn. Om die reden kan de ISD-maatregel niet worden opgelegd.

De raadsvrouw is van mening dat een klinische behandeling bij [naam 3] een passend alternatief is, zoals ook de reclassering beschrijft. De enige reden waarom een dergelijk traject niet geadviseerd wordt, is dat verdachte daar niet meewerkend tegenover zou staan. De raadsvrouw heeft echter gesteld dat geen sprake is van een weigering. Hij wil hulp en wil zich bewijzen in een klinische (of ambulante) setting. Daarnaast is gebleken dat een eerder opgelegde ISD-maatregel niet het gewenste effect heeft gehad. Om die reden heeft de raadsvrouw de rechtbank subsidiair verzocht te volstaan met de oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel, gecombineerd met een straf gelijkluidend aan de periode van voorarrest. Hierbij dient aan Tactus reclassering expliciet de opdracht te worden gegeven om bij de naleving van de nog nader te formuleren voorwaarden hulp en steun te verlenen.

In het geval de rechtbank nader geïnformeerd wenst te worden over de mogelijkheden van een (klinisch) behandeltraject, verzoekt de raadsvrouw de rechtbank om de zaak aan te houden, zodat de reclassering daarover kan rapporteren. Daarbij zou dan ook een monodisciplinair onderzoek door het NIFP kunnen worden verricht.

De raadsvrouw heeft de rechtbank daarnaast verzocht om aan te nemen dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar was. Zij wijst in dit verband op het ten aanzien van verdachte opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 29 september 2014 (aangehecht aan haar pleitnotitie). Kort gezegd staat daarin beschreven dat hij een IQ heeft van 57 en cognitief functioneert op LVG niveau.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 10 november 2015;

- een advies van Tactus reclassering, gedateerd 5 november 2015.

De rechtbank overweegt in het bijzonder als volgt.

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat – kort gezegd – de ISD-maatregel niet kan

worden opgelegd, nu het reclasseringsrapport van 5 november 2015 niet voldoet aan de

vereisten van artikel 38m, vierde lid Sr.

Het vierde lid van artikel 38m Sr stelt, voor zover in dit geval relevant, dat de rechter de

ISD-maatregel slechts op kan leggen, nadat hij een met redenen omkleed, gedagtekend en

ondertekend advies over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel heeft doen overleggen. Anders dan de raadsvrouw stelt, is evenwel niet vereist dat dat advies een gedragskundig advies betreft. De essentie is dat het advies zodanig met redenen is omkleed, dat de rechter zich op grond daarvan een oordeel kan vormen over de wenselijkheid dan wel de noodzakelijkheid van het opleggen van de ISD-maatregel.

Het reclasseringsrapport van 5 november 2015 voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de in het vierde lid van artikel 38m Sr gestelde vereisten. Het rapport is gebaseerd op het diagnose instrument RISc en bevat onder meer informatie over verdachtes justitiële verleden, zijn levensstijl, zijn houding omtrent delict gedrag, zijn achtergrondproblematiek en zijn relevante gedragskenmerken. Daarnaast staan de eerder door hulpverlenende instanties verrichte inspanningen beschreven.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat zij op basis van dit rapport in staat is om zich een oordeel te vormen over de wenselijkheid, dan wel de noodzakelijkheid van het opleggen van de ISD-maatregel. Om die reden zal het door de raadsvrouw gedane verzoek tot aanhouding (heropening) van de zaak worden afgewezen.

Zij overweegt voorts als volgt.

Verdachte, [leeftijd] oud, is vele malen onherroepelijk veroordeeld ter zake van vermogensdelicten. In 2006 is aan verdachte al eerder onvoorwaardelijk de ISD-maatregel opgelegd. Op dit moment heeft hij een justitiële documentatie van 25 pagina’s en ook nu zal verdachte veroordeeld worden ten aanzien van drie vermogensdelicten.

Het reclasseringsrapport van 5 november 2015 beschrijft onder meer dat verdachte een IQ van 57 heeft. Tot aan verdachtes aanhouding op 16 september 2015, was er sprake van bewindvoering en woonde verdachte op zichzelf met behulp van [naam 4] . Zonder deze hulp, de hulp van de reclassering en de hulp van zijn moeder, is verdachte niet in staat om zelfstandig te wonen. [naam 4] is aangesteld om verdachte intensief te begeleiden. In samenwerking met Tactus is geprobeerd om verdachte bij een laagdrempelige dagbesteding aan te melden. Verdachte heeft zich daar echter nooit gemeld.

Beschreven wordt dat de eerder opgelegde meldplichten al snel zouden zijn geretourneerd, als de reclassering verdachtes handelen meteen had gesanctioneerd. De reclassering heeft zich echter flexibel opgesteld. Zelfs met deze opstelling is het voor verdachte lastig gebleken om aan de voorwaarden te voldoen. Daarnaast is gebleken dat verdachte, ondanks het vangnet van hulpverlening, strafbare feiten blijft plegen. Het toezicht heeft volgens de reclassering geen effect meer op verdachte.

Volgens de reclassering kan gesproken worden van een pro-criminele houding bij verdachte. Hij blijft recidiveren en ziet de ernst daarvan niet in. De reclassering acht het noodzakelijk dat verdachte begeleid of beschermd gaat wonen, waarbij hij voldoende begeleiding ontvangt en niet wordt overschat. Ambulante zorg, bewindvoering, begeleiding vanuit [naam 4] en reclasseringstoezicht blijken, zoals hiervoor weergegeven, niet afdoende. Een traject na een opname bij [naam 3] , wordt als meest geschikt aangemerkt. Hierbij kan rekening worden gehouden met verdachtes verstandelijke beperktheid. De behandeling bij [naam 3] zal erop zijn gericht om verdachte vaardigheden aan te leren, die op z’n minst ertoe zouden moeten leiden dat verdachte in staat is om binnen een begeleide en beschermde woonvorm te verblijven. Verdachte heeft zich ten overstaan van de reclassering echter niet bereid getoond voor een dergelijk traject.

Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat, evenals het risico op onttrekken aan voorwaarden. Gelet op het voorgaande acht de reclassering het daarom noodzakelijk en wenselijk dat verdachte binnen de ISD-maatregel wordt begeleid naar een passende behandelsetting, waardoor er – voor zover mogelijk – gewerkt kan worden aan recidivevermindering en gedragsverandering.

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw gesteld dat verdachte wel degelijk gemotiveerd is voor het door de reclassering passend geachte klinische traject bij [naam 3] .

De reclassering heeft per e-mail van 9 december 2015 echter aangegeven dat de mogelijkheid van een klinisch traject meermalen aan verdachte is voorgelegd. Men heeft geprobeerd om verdachte te motiveren, maar verdachte bleef zijn medewerking weigeren. De reclassering heeft nogmaals benadrukt dat het huidige kader van - onder meer - toezicht volledig is uitgeput en er niet toe heeft geleid dat verdachte niet langer recidiveert. De reclassering ziet daarom geen ander alternatief dan het opleggen van de ISD-maatregel.

Het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport bevat geen advies over de mate van toerekenbaarheid. De rechtbank kan daar zelfstandig geen oordeel over formuleren. Wel zal de rechtbank rekening houden met de persoon van verdachte zoals beschreven in het reclasseringsrapport. De rechtbank overweegt voorts als volgt.

Alle omstandigheden en argumenten afwegend, komt de rechtbank tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel noodzakelijk is. Verdachte wil enerzijds niet geplaatst worden in een instelling voor stelselmatige daders, maar anderzijds heeft de rechtbank, gelet op bovenstaand reclasseringsadvies, de inhoud van de e-mail van 9 december 2015 en hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen, onvoldoende vertrouwen dat verdachte, zodra hij vrijkomt, in staat is om met de dan beschikbare hulp aan de voorwaarde van een klinische behandeling te kunnen voldoen. Noodzakelijk is echter dat zal worden geprobeerd om het recidiverisico van verdachte tot het minimum te beperken. Dat maakt dat naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen passend alternatief voor de ISD-maatregel beschikbaar is.

De rechtbank stelt vast dat aan de in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel is voldaan. Het bewezenverklaarde door verdachte begane strafbare feit is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan de onderhavige door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. Het onderhavige misdrijf is begaan na tenuitvoerlegging van deze sancties.

Naar het oordeel van de rechtbank eist de veiligheid van personen en/of goederen het opleggen van de ISD-maatregel. Verdachte blijft, ondanks alle inspanningen van verschillende instanties, strafbare feiten plegen. De maatregel strekt er toe de maatschappij te beveiligen en de kans op herhaling van het plegen van misdrijven door verdachte te verkleinen.

Gelet op het belang van beveiliging van de maatschappij en van beëindiging van de recidive van de verdachte, zal de rechtbank de maatregel voor de maximale duur van 2 (twee) jaren opleggen en zal zij de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte, als hij daadwerkelijk zo gemotiveerd is voor een klinische behandeling als zijn raadsvrouw stelt, binnen het ISD-kader de mogelijkheid zal krijgen om deze behandeling te volgen. De rechtbank acht het wenselijk dat in dit verband een ‘vinger aan de pols’ wordt gehouden en zal, met het oog op een tussentijdse beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel, bepalen dat na één jaar een tussentijdse beoordeling plaatsvindt. De officier van justitie dient daarom binnen één jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis de rechtbank te berichten over de noodzakelijkheid of wenselijkheid van het voortduren van de maatregel.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer 4] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 4 tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 413,20, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, nu hij ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft gevorderd dat verdachte moet worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadvrouw heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, nu zij van mening is dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde.

Beoordeling door de rechtbank

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, nu verdachte is vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde. De benadeelde partij kan derhalve zijn vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

7b. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling moeten worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de vordering na voorwaardelijke veroordeling af te wijzen. Zij acht een gevangenisstraf van 2 maanden erg fors, temeer nu de reclassering heeft geschreven dat een gevangenisstraf geen positieve invloed heeft op verdachte.

De beoordeling door de rechtbank
Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Gelderland van 18 november 2013 (parketnummer 05/143193-13) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, ten uitvoer gelegd te worden.
De rechtbank ziet geen reden om de vordering af te wijzen, dan wel te matigen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14g, 38m, 38n, 38s, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 4 tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;

 bepaalt dat het openbaar ministerie 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis de rechtbank zal berichten over de noodzakelijkheid of wenselijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] .

De rechtbank:

 verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

De rechtbank:

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 18 november 2013 (parketnummer: 05/143193-13), te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.G. de Jong (voorzitter), mr. W.L.F. Prisse en mr. S.C.A.M. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 december 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost Gelderland, basisteam Veluwe-West, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015455116, gesloten op 17 september 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Een afschrift van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 9 en 10.

3 Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] , p. 11.

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 september 2015, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , p. 18.

5 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 15 december 2015.

6 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 15 en 16.

7 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 15.

8 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 15.

9 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 16.

10 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 september 2015, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , p. 18.