Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:8247

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
08-01-2016
Zaaknummer
289902
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot voeging (artikel 222 Rv) afgewezen omdat de vereiste verknochtheid ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/289902 / HA ZA 15-536 \ 150/97

Vonnis in incident van 2 december 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] ,

gevestigd en kantoorhoudende te Tolkamer,

eiseres in de hoofdzaak en in het incident,

advocaat mr. J.C. van Zuethem te Breda,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RIJNDEC QUALITY CONTROL B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Tolkamer,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. P.E.A.M. Gerritse te Tilburg,

2. de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam, mede kantoorhoudende te Rosmalen, gemeente

’s-Hertogenbosch,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. S.H. Wiggers te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] , Rijndec Quality en ING genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot voeging

  • -

    de incidentele conclusies van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in de hoofdzaak en in het incident

2.1.

[eiser] heeft in de hoofdzaak gevorderd Rijndec Quality en ING te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 1.823.929,08, te vermeerderen met wettelijke rente.

Aan haar vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat Rijndec Quality en ING onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. [eiser] heeft daarvoor het volgende aangevoerd.

Rijndec Quality, waarvan [naam] indirect bestuurder is, was eigenares van twee in aanbouw zijnde binnenschepen (de casco’s). Rijndec Quality heeft op de casco’s een recht van hypotheek gevestigd ten behoeve van ING tot zekerheid voor de betaling van haar schulden aan die bank. In juli 2012 heeft [eiser] een overeenkomst van opdracht gesloten met Rijndec Trading en Rijndec Shipping - waarvan Wennekes eveneens, al dan niet indirect, bestuurder is - tot afbouw van de casco’s, waarna de casco’s in de haven van [eiser] zijn afgemeerd. Omdat Rijndec Trading en Rijndec Shipping in gebreke bleven met betaling van de facturen, heeft [eiser] de werkzaamheden aan de casco’s opgeschort en zich jegens deze vennootschappen beroepen op het retentierecht. Betaling van de facturen bleef nadien uit, ook nadat Rijndec Trading en Rijndec Shipping daartoe bij vonnissen van deze rechtbank van 18 december 2013 waren veroordeeld. [eiser] heeft, toen Rijndec Quality en ING de casco’s op enig moment in september 2014 opeisten omdat zij een koper voor de casco’s hadden gevonden, afgifte daarvan met een beroep op het retentierecht geweigerd. Daarop hebben Rijndec Quality en ING [eiser] in kort geding gedagvaard. Zij hebben gevorderd dat de voorzieningenrechter [eiser] op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeelt te gehengen en te gedogen dat Rijndec Quality en ING de casco’s in bezit (doen) nemen en hun daartoe de vrije toegang tot en vrije beschikking over de casco’s te geven. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft de vorderingen bij vonnis van 13 oktober 2014 toegewezen. Daarop heeft Rijndec Quality dit vonnis geëxecuteerd door de casco’s op 14 oktober 2014 uit de haven van [eiser] weg te slepen, waarna zij de casco’s heeft verkocht en geleverd aan een derde. Bij arrest van 9 juni 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van 13 oktober 2014 vernietigd. Het hof oordeelde onder andere dat [eiser] een retentierecht op de casco’s had dat zij ook tegen Rijndec Quality en ING kon inroepen. Op grond van dit arrest staat volgens [eiser] vast dat de executie van het vonnis van 13 oktober 2014 door Rijndec Quality en ING jegens haar onrechtmatig was. Als gevolg van die onrechtmatige executie is haar retentierecht op de casco’s verloren gegaan, waardoor zij schade heeft geleden. [eiser] heeft haar schade berekend op het door haar gevorderde bedrag, dat voor een deel van € 1.275.733,95 bestaat uit bij derden bestelde onderdelen ten behoeve van de casco’s.

2.2.

Bij de inleidende dagvaarding heeft [eiser] tevens in het incident gevorderd dat de hoofdzaak ex artikel 222 Rv wordt gevoegd met de bij deze rechtbank aanhangige zaak tussen Foresta Trading B.V. als eiseres en [eiser] als gedaagde, met het zaaknummer / rolnummer C/05/287048 / HA ZA 15-428. [eiser] heeft daarvoor aangevoerd dat de beide zaken met elkaar verknocht zijn.

2.3.

Rijndec Quality en ING hebben de vordering in het incident gemotiveerd weersproken op gronden die hierna zo nodig aan de orde zullen komen.

3 De beoordeling in het incident

3.1.

De incidentele vordering is, gelet op het bepaalde in artikel 220 lid 2 Rv, tijdig ingesteld.

3.2.

In het hier toepasselijke artikel 222 Rv staat - voor zover in dit geval relevant - dat de voeging kan worden gevorderd van verknochte zaken die tegelijk voor dezelfde rechter aanhangig zijn. Van verknochtheid is sprake wanneer de feitelijke of juridische geschilpunten in de ene zaak (nagenoeg) identiek zijn aan die in de andere, dan wel daarmee zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken, onder meer met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige beslissingen, wenselijk is. Dat het hier niet gaat om procedures tussen dezelfde partijen behoeft, anders dan Rijndec Quality en ING hebben opgeworpen, op zichzelf aan het aannemen van verknochtheid in de zin van artikel 222 Rv niet in de weg te staan.

3.3.

Voor de beoordeling of tussen de beide zaken sprake is van de vereiste connexiteit zijn de volgende omstandigheden van belang.

In de onderhavige zaak gaat het, zoals uit de hiervoor onder 2.1 weergegeven stellingen van [eiser] volgt, om de vraag of Rijndec Quality en ING het vonnis van 13 oktober 2014 onrechtmatig hebben geëxecuteerd, of [eiser] daardoor schade heeft geleden en of en in hoeverre die schade door Rijndec Quality en ING moet worden vergoed.

In de zaak met rolnummer 15-428 gaat het primair om nakoming van de tussen [eiser] en Foresta gesloten koopovereenkomsten. Foresta heeft gesteld dat zij scheepsonderdelen aan [eiser] verkocht ten behoeve van de afbouw van de casco’s en dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit die overeenkomsten door de koopsom (deels) onbetaald te laten. Zij heeft daarom gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van de (restant) koopsom.

Uit het voorgaande volgt dat in beide zaken dezelfde casco’s een rol spelen, maar dat voor het overige de feitelijke geschilpunten verschillend zijn. Ook de juridische geschilpunten zijn verschillend nu in beide zaken uiteenlopende rechtsvragen zullen voorliggen ter beantwoording van de vraag of Rijndec Quality en ING onrechtmatig hebben gehandeld danwel of [eiser] toerekenbaar is tekort geschoten. Of de vordering van Foresta tot betaling van de facturen al dan niet toewijsbaar is staat dan ook geheel los van de vraag of Rijndec Quality en ING onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld. Tegen die achtergrond had het op de weg van [eiser] gelegen gemotiveerd te stellen op welke wijze desondanks volgens haar sprake is van een samenhang in de zin van het hiervoor overwogen uitgangspunt waaruit het risico van mogelijk tegenstrijdige beslissingen zou kunnen volgen. Dat heeft [eiser] niet gedaan. Zij heeft daarvoor enkel gesteld dat zij door de “onrechtmatige inbreuk op haar retentierecht de bij Foresta bestelde onderdelen niet kan gebruiken”, maar dat is onvoldoende voor een ander oordeel. Immers, als dat al zo zou zijn, dan betekent dat nog niet dat [eiser] de facturen van Foresta niet hoeft te betalen.

De incidentele vordering van [eiser] moet op grond van het voorgaande worden afgewezen.

3.4.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst het gevorderde af,

4.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van zowel Rijndec Quality als ING tot op heden begroot op telkens € 452,-- wegens salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

4.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, aan de zijde van zowel Rijndec Quality als ING begroot op telkens € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van telkens € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

in de hoofdzaak

4.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 januari 2016 voor conclusies van antwoord,

4.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2015.

Coll.: ED