Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:8233

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
06-01-2016
Zaaknummer
271943
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Retentierecht op scheepscasco’s. De rechthebbende van een goed die dit opeist van een houder te goeder trouw is verplicht de ten behoeve van het goed gemaakte kosten bij wijze van schadeloosstelling aan de houder te vergoeden. Voor de vergoeding van deze kosten/schade komt de houder een retentierecht toe (artikel 3:124 juncto 3:120 lid 2 en 3 BW). Aan de voorwaarden voor een succesvol beroep op het retentierecht is voldaan. Rechtbank wijst een schadebedrag toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/46

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/271943 / HA ZA 14-571 \ 115/97

Vonnis van 25 november 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] ,

gevestigd te Tolkamer,

eiseres,

advocaat mr. J.C. van Zuethem te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RIJNDEC QUALITY CONTROL B.V.,

gevestigd te Tolkamer, gemeente Rijnwaarden,

gedaagde,

advocaat mr. P.E.A.M. Gerritse te Tilburg.

Partijen zullen hierna [eiser] en Rijndec Quality genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 januari 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 27 februari 2015

  • -

    de akte na vermeerdering van eis (bij akte ter comparitie) van [eiser]

  • -

    de antwoord-akte van Rijndec Quality

  • -

    de pleidooien van 2 oktober 2015 en de ter gelegenheid daarvan door partijen overgelegde pleitnotities, de akte overlegging producties, tevens houdende vermindering van eis van [eiser] en de akte overlegging producties van Rijndec Quality.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De onderneming van [eiser] exploiteert een scheepswerf voor binnenvaartschepen te Lobith-Tolkamer.

2.2.

Rijndec Quality was eigenares van twee in aanbouw zijnde binnenschepen, genaamd Rijndectank I (brandmerk 33562 B 2010) en Rijndectank 2 (brandmerk 33563 B 2010), hierna te noemen: de casco’s. Rijndec Quality heeft op de casco’s een recht van hypotheek gevestigd ten behoeve van de ING tot zekerheid voor de betaling van haar schulden aan die bank. [naam] is, via Rijndec Holding B.V., indirect aandeelhouder en bestuurder van Rijndec Quality. [naam] is ook, al dan niet indirect, bestuurder van Rijndec Trading Company B.V. en Rijndec Shipping Two B.V. (hierna Rijndec Trading en Rijndec Shipping te noemen).

2.3.

[eiser] heeft op 6 juli 2012 een overeenkomst van opdracht gesloten met respectievelijk Rijndec Trading en Rijndec Shipping tot afbouw van de casco’s voor een bedrag van € 2.780.000,-- per casco, te betalen in termijnen.

2.4.

Op de eerste termijn van € 1.112.000,-- heeft Rijndec Trading aan [eiser] een bedrag van € 350.000,-- betaald voor Rijndectank 1. Rijndec Shipping heeft niets betaald. [eiser] heeft de werkzaamheden met betrekking tot de beide casco’s vervolgens in november 2012 opgeschort in afwachting van betaling van de verschuldigde termijnen.

2.5.

Bij vonnissen (in verzet) van deze rechtbank van 18 december 2013 zijn Rijndec Trading en Rijndec Shipping op vordering van [eiser] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van respectievelijk € 752.000,-- en € 1.102.000,--. Tevens is Rijndec Trading veroordeeld tot betaling aan [eiser] van bewaarkosten van € 500,-- per week vanaf eind november 2012 tot aan de dag van algehele voldoening. Deze vonnissen zijn in kracht van gewijsde gegaan. Rijndec Trading en Rijndec Shipping hebben deze bedragen niet betaald.

Partijen hebben in onderling overleg getracht het ertoe te leiden dat de casco’s aan een derde worden verkocht die [eiser] opdracht zal geven tot afbouw tot afbouw van de casco’s. Dit is niet gelukt.

2.6.

[eiser] heeft onder andere Rijndec Quality, Rijndec Trading, Rijndec Shipping en ING in een kort geding betrokken en gevorderd dat ING wordt veroordeeld om volmacht te verlenen aan een notaris voor de openbare verkoop van de casco’s, met veroordeling van de Rijndec vennootschappen de openbare verkoop te gehengen en gedogen, alsmede te bepalen dat de opbrengst van de verkoop in de plaats komt van de casco’s en dat aan [eiser] de opbrengst toekomt. Verder heeft [eiser] gevorderd Rijndec Quality en ING hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de bewaarkosten voor de casco’s.

De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen bij vonnis van 15 september 2014 afgewezen.

2.7.

In september 2014 heeft Rijndec Quality een koper voor de casco’s gevonden die bereid was € 820.000,-- (exclusief btw) te betalen, onder de voorwaarde dat de casco’s vrij van beslag en/of retentierecht aan haar worden geleverd. Het bod van de koper, Kamar Trading B.V., was geldig tot 15 oktober 2014. De opbrengst van de verkoop zou worden aangewend voor de aflossing van de schulden van Rijndec Quality aan ING. Bij brief van 17 september 2014 heeft Rijndec Quality aan [eiser] geschreven dat zij de casco’s per direct opeist. [eiser] heeft omstreeks die datum de casco’s onder meer met kettingen aan haar eigen werkschip vastgelegd. Bij brief van 18 september 2014 heeft de advocaat van [eiser] aan Rijndec Quality geschreven dat zij de casco’s op basis van haar retentierecht onder zich houdt en dat zij maatregelen heeft genomen om het betreden en verhalen van de casco’s door onbevoegden te verhinderen. [eiser] heeft, ondanks sommatie daartoe, geweigerd de casco’s aan Rijndec Quality af te geven.

2.8.

Daarop hebben Rijndec Quality en ING [eiser] in kort geding gedagvaard. Zij hebben gevorderd dat de voorzieningenrechter [eiser] veroordeelt op straffe van verbeurte van een dwangsom te gehengen en te gedogen dat Rijndec Quality en ING de casco’s in bezit (doen) nemen en hun daartoe de vrije toegang tot en vrije beschikking over de casco’s te geven. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft de vorderingen bij vonnis van 13 oktober 2014 toegewezen. De dwangsom heeft de voorzieningenrechter bepaald op € 10.000,-- met een maximum van € 1.000.000,--.

2.9.

Na betekening van laatstbedoeld vonnis heeft Rijndec Quality de casco’s op 14 oktober 2014 uit de haven van [eiser] weggesleept.

2.10.

Kort daarvoor had [eiser] , na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter, ten laste van Rijndec Quality conservatoir beslag doen leggen, te weten:

a. op 10 oktober 2014 conservatoir derdenbeslag onder Kamar Trading B.V. op al hetgeen deze derde onder zich heeft en verschuldigd is of zal worden aan Rijndec Quality, in het bijzonder uit hoofde van de koopovereenkomst met betrekking tot de casco’s,

b. op 14 oktober 2014 conservatoir scheepsbeslag op de aan Rijndec Quality (nog) in eigendom toebehorende casco’s.

2.11.

Bij exploot van 16 oktober 2014 heeft Rijndec Quality aan [eiser] aangezegd dat zij (als gevolg van de beslaglegging) in gebreke is gebleven aan het vonnis van 13 oktober 2014 te voldoen en dat [eiser] , gerekend tot en met 15 oktober 2014, dwangsommen heeft verbeurd tot een bedrag van in hoofdsom, € 20.000,--, met bevel dit bedrag met kosten binnen twee dagen te betalen.

2.12.

Op 16 oktober 2014 heeft [eiser] het op 14 oktober 2014 door haar gelegde conservatoire beslag op de scheepscasco’s opgeheven. Het conservatoir derdenbeslag had, omdat de casco’s niet aan Kamar Trading B.V. waren geleverd, geen doel getroffen.

2.13.

Op 17 oktober 2014 heeft Rijndec Quality de casco’s ten titel van verkoop geleverd aan Kamar Newbuilding B.V. Laatstgenoemde heeft op 3 februari 2015 Rijndectank 1 (door)geleverd aan derden voor de koopsom van € 525.000,-- en het achterschip van Rijndectank 2 voor de koopsom van € 50.000,--.

2.14.

Omdat Rijndec Quality en ING meenden dat de onder 2.10 bedoelde beslaglegging door [eiser] een inbreuk opleverde op de in het dictum van het vonnis van 13 oktober 2014 gegeven veroordeling, heeft ING op 17 november 2014 ten laste van [eiser] executoriaal beslag doen leggen op aan [eiser] in eigendom toebehorende roerende zaken. Daarop heeft [eiser] Rijndec Quality en ING in kort geding betrokken. Bij vonnis van 12 december 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van [eiser] , Rijndec Quality en ING te veroordelen de executie van deze dwangsommen te staken, toegewezen.

2.15.

Tegen het onder 2.8 bedoelde vonnis van 13 oktober 2014 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld. In zijn arrest van 9 juni 2015 komt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tot het voorlopig oordeel dat [eiser] ook al ten tijde van de procedure in eerste aanleg in verband met de vordering inzake bewaarkosten een retentierecht had, dat zij dat recht ook kon inroepen tegen Rijndec Quality (en ING) en dat [eiser] met dit retentierecht haar schuldenaar (Rijndec Quality) nog wel kon dwingen tot betaling. Dat [eiser] ten aanzien van het retentierecht misbruik zou hebben gemaakt van haar bevoegdheid is volgens het hof gesteld noch gebleken. Op grond daarvan heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en zijn de gevorderde voorzieningen van Rijndec Quality en ING alsnog afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] heeft, na vermeerdering en vermindering van haar eis, gevorderd

Rijndec Quality te veroordelen aan haar te betalen

a. € 118.000,-- wegens bewaarkosten van de casco’s gedurende de periode van 10 juli 2012 tot 14 oktober 2014, te vermeerderen met de wettelijke rente,

b. € 4.950,74,-- wegens beslagkosten, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] heeft aan haar vordering onder 3.1.a ten grondslag gelegd, verkort weergegeven, dat zij een retentierecht op de casco’s had en dat zij vanaf het moment dat de casco’s aan haar ter beschikking zijn gesteld, kosten heeft moeten maken ten behoeve of tot behoud van die casco’s, voor welke kosten Rijndec Quality aansprakelijk is op grond van ongerechtvaardigde verrijking danwel onverschuldigde betaling. Subsidiair heeft [eiser] aan haar vordering ten grondslag gelegd dat Rijndec Quality onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door gebruik te maken van de wanprestatie van Rijndec Trading en Rijndec Shipping.

3.3.

Rijndec Quality heeft het gevorderde gemotiveerd weersproken.

3.4.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voor de beoordeling van de vordering onder 3.1.a is allereerst van belang of [eiser] een retentierecht had op de casco’s. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden van belang.

4.2.

Vast staat dat Rijndec Trading en Rijndec Shipping de casco’s op 10 juli 2012 naar de scheepswerf van [eiser] hebben gesleept of laten slepen voor het uitvoeren van de overeengekomen (hiervoor onder 2.3 bedoelde) werkzaamheden. Tot het aangaan van die overeenkomsten van opdracht waren, zo staat vast, Rijndec Trading en Rijndec Shipping bevoegd. Vast staat ook dat [eiser] , toen Rijndec Trading en Rijndec Shipping in gebreke bleven met de betaling van de door [eiser] aan de casco’s verrichte werkzaamheden, haar werkzaamheden in november 2012 heeft mogen opschorten en zich jegens Rijndec Trading en Rijndec Shipping met recht heeft kunnen beroepen op het haar toekomende retentierecht op de casco’s. [eiser] kan dan ook worden beschouwd als houder te goeder trouw van de casco’s en dat was zij ook nog op het moment dat Rijndec Quality de casco’s in september 2014 als haar eigendom opeiste.

4.3.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden geoordeeld dat zich hier voordoet het geval als bedoeld in artikel 3:124 BW juncto artikel 3:120 lid 2 BW. Daaruit volgt dat de rechthebbende van een goed - Rijndec Quality - die dit opeist van een houder te goeder trouw - [eiser] - verplicht is de ten behoeve van het goed gemaakte kosten bij wijze van schadeloosstelling aan de houder te vergoeden. Voor de vergoeding van deze kosten/schade komt de houder een retentierecht toe (artikel 3:120 lid 3 BW).

4.4.

Voor een succesvol beroep op het retentierecht moet aan drie voorwaarden worden voldaan: (i) de schuldeiser moet een opeisbare vordering hebben op de schuldenaar, (ii) er moet voldoende samenhang bestaan tussen de vordering en de verplichting tot afgifte van de zaak en (iii) de schuldeiser moet de feitelijke macht over de zaak uitoefenen.

Dat [eiser] een vordering op Rijndec Quality heeft, staat op grond van hetgeen hiervoor is overwogen vast. Daarbij is nog van belang dat het recht van de houder op de vergoeding ex artikel 3:120 BW niet eerst ontstaat op het moment dat de rechthebbende het goed opeist, maar op het moment dat de houder de kosten maakt die hij op de voet van genoemd artikel op de rechthebbende kan verhalen. [eiser] heeft, op het moment dat Rijndec Quality de casco’s op 17 september 2014 als haar eigendom opeiste, ook direct kenbaar gemaakt dat zij een vordering op Rijndec Quality had wegens gemaakt kosten en aanspraak maakte op betaling daarvan. Dat de vordering een voldoende samenhang heeft met de verplichting tot afgifte is evident. Rest de vraag of [eiser] de feitelijke macht over de casco’s uitoefende, zoals zij heeft gesteld en Rijndec Quality heeft betwist. Op dat punt is het volgende van belang.

4.5.

Een retentierecht is, zoals overwogen, mogelijk mits de retentor op een ook voor derden voldoende duidelijke wijze de feitelijke macht over deze zaken uitoefent, zodat feitelijke afgifte in de zin van artikel 3:290 BW nodig is om de zaak weer in de macht van de schuldenaar of de rechthebbende te brengen. In dit geval staat als niet of onvoldoende weersproken het volgende vast. De casco’s lagen van meet af aan aangemeerd aan een steiger op het eigen terrein (de vluchthaven) van [eiser] , waarover [eiser] de uitsluitende beschikking heeft. De casco’s waren alleen bereikbaar via een loopbrug en het was voor onbevoegden verboden deze loopbrug te betreden, wat door middel van een bord was aangegeven. Gedurende de nacht werd de loopbrug afgesloten. Ook heeft [eiser] , vanaf het moment dat Rijndec Quality de casco’s als haar eigendom opeiste, ter plaatse op haar terrein borden geplaatst met (onder andere) de tekst: “betreden en/of verhalen zonder toestemming van [eiser] BV ten strengste verboden”. Verder heeft [eiser] , in ieder geval vanaf laatstbedoeld moment, de casco’s met kettingen (en sloten) vastgelegd aan haar werkschip. Zonder hulp van [eiser] was het dan ook niet goed mogelijk de casco’s te laten wegvaren uit de haven van [eiser] , temeer niet omdat daarvoor, nu de casco’s (nog) geen hoofdmotoren hadden, een sleepboot nodig was. Op grond van al deze feiten en omstandigheden moet worden geoordeeld dat [eiser] de feitelijke macht over de casco’s uitoefende in de zin zoals hiervoor bedoeld. De enkele omstandigheid dat, zoals Rijndec Quality nog heeft opgeworpen, derden, waaronder werknemers van Rijndec Quality, vrijelijk toegang hadden tot het terrein van [eiser] en de casco’s via de loopbrug konden betreden (en mogelijk de ruimtes van het schip konden bereiken), maakt het voorgaande niet anders, omdat Rijndec Quality het daarmee, in de situatie als beschreven, nog niet in haar macht had de casco’s naar elders te verplaatsen. Ook de omstandigheid dat Rijndec Quality de afgifte van de casco’s uiteindelijk in een gerechtelijke procedure heeft moeten afdwingen, wijst op feitelijke macht van [eiser] .

4.6.

De conclusie is dat [eiser] ook ten opzichte van Rijndec Quality een retentierecht op de casco’s had voor de door haar sedert 10 juli 2012 gemaakte kosten. Weliswaar had [eiser] , op grond van het bepaalde in art. 8:820a BW (waarin staat dat art. 3:292 BW niet van toepassing is op binnenschepen) niet het recht haar vordering met voorrang op de casco’s te verhalen, maar [eiser] kon met het haar toekomend retentierecht betaling van de (opeisbare) vordering wel afdwingen door de casco’s niet af te geven. [eiser] was dan ook bevoegd de afgifte van de casco’s aan Rijndec Quality op te schorten zolang de door haar gemaakte kosten/geleden schade niet aan haar waren betaald.

Dat, zoals Rijndec Quality nog heeft gesteld, [eiser] redelijkerwijs geen gebruik heeft mogen maken van het retentierecht, is verder niet toegelicht en kan in de gegeven omstandigheden ook niet worden aangenomen.

4.7.

Wat betreft de door [eiser] gevorderde schadeloosstelling wordt het volgende overwogen.

[eiser] heeft gesteld dat zij in vorenbedoelde periode kosten heeft moeten maken, omdat zij een ligplaats voor de casco’s in de haven van haar werf ter beschikking heeft gesteld en omdat zij de zorg had voor de casco’s, onder andere bestaande uit het verhalen bij laag water, het wegpompen van regenwater, het controleren van de staat waarin de casco’s zich bevonden en de bewaking tegen onbevoegde toegang. [eiser] heeft haar kosten in dit verband begroot op het bedrag dat gebruikelijk wordt betaald als bewaarloon (met bewaking) voor een schip. Zij heeft dat bedrag begroot op € 500,-- per week per casco. Rijndec Quality heeft de omvang van de kosten betwist. Zij heeft opgeworpen dat een bewaarloon van € 500,-- per week per casco veel te hoog is en dat niet [eiser] , maar met name de heer [naam] van Rijndec Quality de zorg voor de casco’s op zich heeft genomen.

4.8.

De periode waarover de kosten moeten worden berekend is, zo volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, de periode van 10 juli 2012, het moment waarop de casco’s in de haven van [eiser] werden aangemeerd, tot 17 oktober 2014, het moment waarop Rijndec Quality de casco’s op grond van het kort geding vonnis van 13 oktober 2014 uit de haven heeft weggesleept of laten wegslepen. Rijndec Quality heeft nog opgeworpen dat die periode korter is, omdat Rijndec Quality de casco’s op 17 september 2014 bij [eiser] heeft opgeëist en [eiser] afgifte toen heeft geweigerd, maar dat verweer faalt. [eiser] heeft immers op de hiervoor weergegeven gronden de afgifte van de casco’s aan Rijndec Quality toen met recht kunnen weigeren. De periode waarover de schade moet worden berekend betreft dan ook, zoals [eiser] heeft berekend, 118 weken. Ter staving van haar stelling betreffende de hoogte van het bewaarloon heeft [eiser] twee offertes overgelegd, gedateerd 22 en 25 juli 2014. Beide offertes sluiten op een bewaarloon van € 500,-- per week per casco. Rijndec Quality heeft ter staving van haar verweer drie facturen overgelegd, gedateerd 18 januari 2010, 14 oktober 2011 en 21 juni 2012. De facturen hebben betrekking op het bewaarloon van casco’s en variëren van (omgerekend) € 89,50 tot € 112,50 per casco per week. Dat Rijndec Quality zelf enige werkzaamheden aan de casco’s heeft verricht, zoals het schoonhouden ervan en het afpompen van regenwater, kan wel worden aangenomen. [eiser] heeft dat onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dat laat echter onverlet dat aangenomen moet worden dat [eiser] , in wiens haven de casco’s nu eenmaal lagen afgemeerd, ook zelf werkzaamheden aan de casco’s zal hebben moeten verrichten, zoals het verleggen van de casco’s, het houden van toezicht daarop en het bewaken daarvan, mede met het oog op de bewaking van de door haar aan de casco’s aangebrachte zaken. Aan de hand van deze feiten en omstandigheden is een nauwkeurige vaststelling van de kosten niet mogelijk. Daarom zal, nu de bepalingen van afdeling 6.1.10 BW ook van toepassing zijn op de verplichting tot vergoeding van kosten ex artikel 3:120 lid 2 BW, de door [eiser] gevorderde schadeloosstelling voor het bewaren van de casco’s met toepassing van artikel 6:97 BW worden geschat op € 250,-- per week per casco. Rijndec Quality heeft nog wel opgeworpen dat zij de casco’s zelf veel goedkoper had kunnen stallen, maar dat verweer gaat niet op, reeds omdat [eiser] de casco’s niet aan Rijndec Quality behoefde af te geven.

4.9.

Rijndec Quality heeft verder als verweer gevoerd dat er in vorenbedoelde periode schade aan de casco’s is ontstaan. De casco’s zijn volgens Rijndec Quality ondeskundig verlegd waardoor er schade aan de roeren is ontstaan en ook zijn er “kettingen e.d. op amateuristische en ondeskundige wijze (…) gespannen en her en der sloten aangebracht op grond waarvan schade is opgetreden”. Voor zover Rijndec Quality daarmee heeft bedoeld te stellen een tegenvordering op [eiser] te hebben die zij wil verrekenen met de onderhavige vordering, geldt het volgende. De gegrondheid van de tegenvordering, waarop Rijndec Quality zich ter verrekening beroept laat zich - mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [eiser] - niet eenvoudig vaststellen, zodat het beroep op verrekening ex artikel 6:136 BW wordt verworpen.

Ook heeft Rijndec Quality zich beroepen op verrekening met de vordering die zij op [eiser] heeft wegens verbeurde dwangsommen ad € 30.000,--. Volgens Rijndec Quality heeft [eiser] het hiervoor onder 2.8 genoemde kort geding vonnis van 13 oktober 2014 overtreden. Dat beroep op verrekening faalt. In het hiervoor onder 2.14 genoemde kort geding vonnis van 12 december 2014 is reeds geoordeeld de beslaglegging door [eiser] geen inbreuk opleverde op de in het dictum van het vonnis van 13 oktober 2014 gegeven veroordeling. Daarbij is nog wel overwogen dat dat anders zou kunnen zijn als aannemelijk is dat de vordering van [eiser] waarvoor zij beslag had gelegd ondeugdelijk was en dat zij het beslag alleen maar heeft gelegd om de verkoop en levering van de casco’s aan Kamar Trading B.V. te frustreren. Dat is in de kort geding procedure evenwel niet gesteld of gebleken en ook in deze procedure is het niet gebleken, zo volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen. Rijndec Quality heeft ook geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Aangenomen moet dan ook worden dat Rijndec Quality terzake van verbeurde dwangsommen geen (tegen)vordering op [eiser] heeft.

4.10.

Rijndec Quality heeft ter afwering van de vordering ook nog een beroep gedaan op

de klachtplicht van art. 6:89 BW. Zonder toelichting, die niet is gegeven, is het de rechtbank niet duidelijk over welk gebrek in welke prestatie [eiser] bij Rijndec Quality had moeten klagen. Aan dit verweer wordt daarom voorbijgegaan.

4.11.

De conclusie is dat de schade toewijsbaar is tot een bedrag van (€ 250,-- x 2 x 118 weken =) € 59.000,--. De daarover gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar van de dag van de dagvaarding, zoals gevorderd. Wel zal aan deze veroordeling in het dictum de voorwaarde worden verbonden dat, indien en voor zover Rijndec Trading op grond van het vonnis van deze rechtbank van 18 december 2013 enig bedrag wegens bewaarloon aan [eiser] betaalt, dit in mindering zal komen op het bedrag waartoe Rijndec Quality wordt veroordeeld. Hetgeen overigens door [eiser] aan de vordering onder 3.1.a ten grondslag is gelegd kan onweersproken blijven.

4.12.

De door [eiser] gevorderde beslagkosten zullen ten slotte worden toegewezen.

Daarbij wordt vooropgesteld dat beslaglegging, zo volgt uit het hiervoor weergegeven kort geding vonnis van 12 december 2014, niet in strijd kwam met het kort geding vonnis van 13 oktober 2014. Overigens heeft Rijndec Quality dat in deze procedure ook niet als verweer opgeworpen. Zij heeft slechts aangevoerd dat [eiser] ten tijde van het beslag geen vordering op haar had en dat beslaglegging daarom ongegrond was. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt evenwel dat [eiser] ten tijde van het beslag een opeisbare vordering had op Rijndec Quality. Zij heeft daarom, ter verzekering van deze vordering, de onderhavige beslagen mogen leggen. De beslagen zijn ook, zo volgt uit de overgelegde beslagstukken, gelegd met inachtneming van de wettelijke termijnen en formaliteiten. De kosten, waarvan de omvang niet is betwist, zijn daarom toewijsbaar.

4.13.

Rijndec Quality zal als de overwegend in het ongelijk gestelde in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [eiser] begroot op:

- dagvaardingskosten € 88,52

- griffierecht € 3.864,--

- salaris advocaat € 4.470,-- (5 punten x tarief € 894,--)

Totaal € 8.422,52.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Rijndec Quality tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 59.000,-- (zegge: negenenvijftigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW over dat bedrag vanaf 6 oktober 2014 tot aan de dag van volledige betaling, zulks onder de voorwaarde dat, indien en voor zover Rijndec Trading op grond van het vonnis van deze rechtbank van 18 december 2013 enig bedrag wegens bewaarloon aan [eiser] betaalt, dit in mindering zal komen op het bedrag waartoe Rijndec Quality is veroordeeld,

5.2.

veroordeelt Rijndec Quality tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.950,74,-- wegens beslagkosten, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW over dat bedrag vanaf 6 oktober 2014 tot aan de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Rijndec Quality in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 8.422,52,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2015.

Coll.: ED