Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:8194

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
04-01-2016
Zaaknummer
281879
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert uit hoofde van onrechtmatige daad van het waterschap vergoeding van de schade die aan zijn woning is ontstaan als gevolg van dijkverzwaringen die in de loop van de tijd zijn uitgevoerd. Verjaringsverweer ex artikel 3:310 BW slaagt; vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/281879 / HA ZA 15-227

Vonnis van 18 november 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende te Rossum, gemeente Maasdriel,

eiser,

advocaat mr. R.J.H. van den Dungen te ’s-Hertogenbosch,

tegen

de openbare rechtspersoon

WATERSCHAP RIVIERENLAND,

gevestigd te Tiel,

gedaagde,

advocaat mr. M.A. Bosman te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en het waterschap genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 juni 2015 en de daarin genoemde gedingstukken;

  • -

    de akte tot vermeerdering van eis en tot het in het geding brengen van producties van mr. Van den Dungen voornoemd met producties;

  • -

    de aantekeningen comparitie van mr. Van den Dungen voornoemd;

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie, gehouden op 30 september 2015;

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van een monumentale boerderij aan de [adres] te Hurwenen, gemeente Maasdriel.

2.2.

De boerderij is gebouwd in de periode 1815-1843 en is een monument. Zij staat op eigen grond en bestaat uit een dijkwoning en een achterhuis.

2.3.

Tegenover de boerderij, aan de buitendijkse kant van de [adres] , bevindt zich een voormalige steenfabriek, die tot 1995 in bedrijf is geweest.

2.4.

Het waterschap is eigenaar en/of beheerder van de [adres] .

2.5.

In de loop van de tijd is de [adres] ter plaatse van de boerderij herhaaldelijk versterkt door verhoging en verbreding. De laatste dijkversterking dateert van 1995/1996 en is uitgevoerd door het buitendijkse talud op te hogen.

2.6.

In augustus 1992 is in opdracht van het Polderdistrict Groot Maas en Waal een globaal plan voor verbetering van de [adres] over het traject Hurwenen-Oensel opgesteld. In paragraaf 6.2 “Afweging dijkverbeteringsoplossingen traject Hm 23,8-29,5 inclusief onderbouwing” van dat plan is onder meer vermeld:

“Bestemming

Langs de hele waterkering is in het bestemmingsplan Hurwenensche Uiterwaard (1977) een strook bestemd als waterkering. De binnendijkse panden 59 en 61 staan op de rijksmonumentenlijst. (…)

Huidige profiel

Het huidige profiel heeft een te lage kruinhoogte, te sterke taluds en onvoldoende binnendijkse aanberming. Daarom dient de dijk verbeterd te worden.

Mogelijke oplossingen en matrix

(…)

Variant 1

(…)

Naast het binnendijkse monument bij Hm 25,5 zal het buitendijkse pand bij Hm 24 gehandhaafd kunnen worden (dit pand is echter momenteel onbewoond en zal waarschijnlijk toch gesloopt worden). Het binnendijkse pand bij Hm 27 dat ook een monument is (pand 67) zal ook gehandhaafd kunnen worden. Het binnendijkse monument bij Hm 24,1 (pand 59) en het buitendijkse monument (pand 8, voormalige dienstwoning) bij Hm 25,7 dient geamoveerd te worden.

(…)

Variant 2

Variant 2 (bijlage 3.2) is de tweede oplossing die uitgewerkt is voor een trace aan de dijkzijde van de steenfabriek Bij deze variant is getracht het binnendijkse monument bij Hm 24 (pand 59) te handhaven. Dit impliceert een ernstige aantasting van het ruimtebeslag op het terrein voor de steenfabriek.

Naast het buitendijkse pand bij Hm 24 dat waarschijnlijk op korte termijn toch gesloopt zal worden zal het buitendijkse pand bij Hm 25,7 (monument) geamoveerd dienen te worden. De overige monumenten kunnen gespaard blijven.

Aantasting van de vegetatie is vergelijkbaar met variant 1. Rond Hm 24 zal het binnentalud echter onaangetast blijven.

Zoals vermeld behelst handhaving van pand 59 een ernstige aantasting van het ruimtebeslag op het terrein voor de steenfabriek.”

2.7.

In het Dijkverbeteringsplan Hurwenen van het Polderdistrict Groot Maas en Waal van 5 juli 1995 staat onder meer te lezen:

Gekozen oplossing

Ter hoogte van de steenfabriek komt vrijwel parallel aan de huidige dijkweg op het fabrieksterrein een tuimelkade met een kruinbreedte van 4 meter. De zijde van de steenfabriek wordt uitgevoerd als keermuur, met een hoogte van ongeveer anderhalve meter. Binnendijks is het ter hoogte van het huis bij Hm 24 (monument, huis 59) niet nodig een berm aan te brengen omdat de bestaande dijk als berm fungeert.

Beschouwde varianten

De volgende varianten werden naast de voorgestelde oplossing kansrijk geacht:

a aanbrengen van een damwand ter hoogte van huis 59. De damwand vervangt een eventueel benodigde berm. Hierdoor kan de tuimelkade langs de dijkweg komen te liggen. Het ruimtebeslag op het fabrieksterrein is dan iets minder groot.

b een tuimelkade over de gehele lengte direkt naast de dijkweg zonder een damwand. In dit geval is het nodig de schuur van huis nummer 59 te slopen en te herbouwen, omdat er een aanberming moet komen.

(…)

Afweging

Huisnummer 59 is een monument. In de beschrijving van dit monument wordt tevens de schuur genoemd. Dit geeft aan dat de schuur bijdraagt aan de waarde van het monument. Daarnaast is het behoud van de woonomgeving een belangrijk argument om de schuur te handhaven.”

2.8.

[eiser] heeft de boerderij in 2007 gekocht van mevrouw [naam] onder het beding dat zij er tot haar dood zou blijven wonen. Daartoe is destijds een levenslang zakelijk recht van gebruik en bewoning ten behoeve van haar gevestigd. Mevrouw [naam] is eind 2010 overleden. [eiser] is daarna begonnen met voorbereidende werkzaamheden voor de voorgenomen restauratie van de boerderij. Daarbij heeft hij schade aan de boerderij geconstateerd in de vorm van achterwaartse kanteling van de fundering en vervorming van de voorgevel en scheuren in de muren. Hij heeft in dat kader een brief aan het waterschap geschreven. (Deze brief bevindt zich niet in het dossier.)

2.9.

Het waterschap schrijft op 16 augustus 2011 aan [eiser] :

“Op 25 juli 2011 hebben wij uw brief (d.d. 1 juli 2011) ontvangen over het restaureren van uw woning gelegen aan de [adres] te Hurwenen. In uw brief geeft u aan dat de woning medio jaren 1820 tot 1840 is gebouwd met een voordeurhoogte destijds gelijk aan het dijkniveau. De dijk ligt nu, door de dijkverhogingen sinds die tijd (ongeveer 2,5 meter hoger) tegen de voorgevel van de woning aan.

U geeft aan dat u restauratieplannen heeft voor deze woning gelet op de scheuren in de woning. U meldt dat u enkele keren overleg heeft gehad met medewerkers van het waterschap (in maart en mei 2011). Toen is gesproken over de eisen die het waterschap stelt in verband met de benodigde vergunning op grond van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 voor de herstelwerkzaamheden in de dijk.

In het overleg begin mei 2011 hebben wij tevens aangegeven dat u moet bewijzen dat de dijk de oorzaak is van het wegdrukken van de woning en de scheuren in de voorgevel. In uw brief stelt u voor een onafhankelijke deskundige in te schakelen voor een bindend advies omdat er volgens u op deze manier geen verder verloop in het werk is.

In antwoord op uw brief berichten wij u het volgende.

Het waterschap heeft medio 1995/1996 de [adres] versterkt. Ter hoogte van uw woning hebben wij de dijk verstevigd door ophoging van het dijktalud aan de noordzijde van de dijk (buitendijks). Sinds de dijkversterking (95/’96) hebben wij geen werkzaamheden uitgevoerd aan de dijk die mogelijk schade zouden kunnen hebben veroorzaakt aan uw woning.

Wij betwijfelen of er wel een causaal verband bestaat tussen de dijkversterkingswerkzaamheden en de scheurvorming in uw woning.

Wij zien op dit moment geen reden om gezamenlijk een onafhankelijke deskundige in te schakelen (die onder andere onderzoek zal doen naar de oorzaak van de schade) voor een bindend advies. Wij wijzen uw voorstel dan ook af.

Wanneer u van mening bent dat liet waterschap toch aansprakelijk is, dan dient u dit te onderbouwen met bewijzen (bijvoorbeeld door middel van een deskundigenrapport). U dient aan te tonen dat er een causaal verband bestaat tussen onze dijkversterkingswerkzaamheden en de schade aan uw woning. Daarbij hebben wij van u nodig een uitleg over de aard en omvang van de schade (welke schade betreft het? wanneer is de schade ontstaan? wanneer heeft u de schade ontdekt?) en een specificatie van het schadebedrag.

Tot slot merken wij op dat uw eventuele vordering tot schadevergoeding door verloop van vijf jaren verjaart na de dag waarop u bekend bent geworden met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Dit betekent dat wij een schadeclaim in ieder geval zullen afwijzen wanneer het schadeveroorzakende feit meer dan 5 jaar geleden zich heeft voortgedaan.”

2.10.

De raadsman van [eiser] heeft bij brief van 8 november 2011 aan het waterschap meegedeeld dat [eiser] het waterschap aansprakelijk houdt voor de scheurvorming in zijn woonboerderij die veroorzaakt wordt door de dijkverzwaring, en dat deze brief dient tot stuiting van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding.

2.11.

[eiser] heeft opdracht gegeven aan Fugro GeoServices B.V. te Nieuwegein (verder te noemen: Fugro) tot een geotechnisch onderzoek betreffende het opstellen van een advies inzake de opgetreden schade aan de boerderij. Fugro heeft op 5 december 2011 onderzoek gedaan en vervolgens schriftelijk rapport uitgebracht. Het rapport bevat onder meer de volgende passages:

1.1. Inleiding

Dit onderzoek heeft als doel om de mogelijke oorzaken van de schade in kaart te brengen en kwalitatieve oplossingsrichtingen te noemen om verdere schade te voorkomen of de schade te beheersen. Specifiek wordt ingegaan op de vraag in hoeverre de schade aan de woning is terug te voeren op dijkversterkingen in het verleden.

Hiertoe is een grondonderzoek uitgevoerd om de bodemopbouw ter plaatse van de projectlocatie te bepalen. Daarnaast is een funderingsinspectie gedaan. Vervolgens is met behulp van vervormingsberekeningen de invloed van de dijk in kaart gebracht.

(…)

2.1.

Aanleiding

(…) Het betreft een gemeentelijk monument, dat zich deels binnen het talud van een dijklichaam bevindt. Dit dijklichaam, een primaire waterkering lang de rivier de Waal, is in de loop der tijd verzwaard en verbreed. Op dit moment is de boerderij onbewoond. Het is de bedoeling dat de woonboerderij gerenoveerd wordt om zo weer dienst te doen als woonhuis. In de huidige situatie vertoont het huis ernstige scheurvorming en scheefstand. Door de opdrachtgever wordt verwacht dat deze slechte bouwkundige staat komt door de vervormingen van de opgehoogde dijk. In dit rapport wordt de invloed van de dijk op het huis nader bekeken.

2.2.

Schade aan de boerderij

(…)

De bouwkundige staat van het pand is zeer slecht, getuige de vele scheuren en vervormingen in de muren, vloeren en gevels. In het huis zijn klemmende deuren. De begane grondvloer van de woning vertoont scheefstand, aan de dijkzijde ligt de vloer het laagst. (…)

Aan de voorkant van het pand zijn de meeste scheuren zichtbaar. De voorgevel is ingedeukt. Daardoor is de vloerplint aan de binnenzijde van de voorgevel losgekomen en naar binnen gedrukt.

(…)

Over de ontwikkeling van de schade in de tijd is weinig bekend:

- Volgens de opdrachtgever zijn eind jaren negentig de scheuren door een aannemer hersteld, inmiddels zijn deze weer opengesprongen.

- In de woonkamer aan de voorkant van het pand hangt een wandklok. Op het behang naast de klok zijn streepjes gezet, waaruit blijkt dat de positie van de muur is geroteerd ten opzichte van de recht naar beneden hangende klok.

- Er is een foto van het pand beschikbaar van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Hierop zijn geen scheuren waarneembaar. Het is echter onduidelijk in hoeverre dit komt door de kwaliteit van de foto.

(…)

4.2.

Inspectie

(…)

De fundering bestaat in beide gevallen uit een verbreed deel van de gemetselde buitenmuur. De buitenmuur is in twee stappen verbreed om de belastingen gespreid af te dragen. Beide stappen zijn uitgevoerd als een gemetselde laag baksteen van 4 cm. De fundering is in beide inspectieputten verzakt en naar buiten gekanteld (op locatie 1 is de fundering dieper weggezakt).

De gemetselde buitenmuur (weergegeven in figuur 4-3 buitenmuur [adres] ) heeft een dikte van 45 cm en is zichtbaar naar binnen gebogen. Op locatie 1 is de muur 4,5 cm naar binnen gebogen op locatie 2 is dat 10,4 cm.

(…)

7.4.

Ontwikkeling van de dijk

Het pand is volgens de opdrachtgever oorspronkelijk zodanig gebouwd dat de drempel van de voordeur ongeveer even hoog lag als de kruin van de dijk. Door dijkversterking ligt de voordeur nu lager dan de kruin en moet het verschil worden overbrugd met een trap.

Na de overstroming van de Bommelerwaard in 1861 zijn volgens de opdrachtgever de dijken in de Bommelerwaard opgehoogd. Tijdens het hoge water van 1926 is de Bommelerwaard niet overstroomd, maar zijn wel andere delen van het rivierengebied onder water gelopen. Volgens de opdrachtgever zijn daarna wederom de dijken in Hurwenen versterkt.

Rond het jaar 1990 is de dijk voor het laatst versterkt. Onderdeel van deze versterking was het naar buiten plaatsen en ophogen van de kruin. Veel gegevens over de precieze uitvoering (en eventuele eerdere dijkversterkingen) zijn niet meer te traceren. Door de verschillende fusies die hebben geleid tot Waterschap Rivierenland is deze informatie lastig te herleiden.

De beschikbare gegevens van het waterschap Rivierenland bestaan onder andere uit de “legger primaire waterkering dijkvak Hurwenen”. In een legger wordt de huidige locaties van de dijk vastgelegd, tevens staan hier de verschillende beschermingszones en afmetingen van de dijk. De legger is opgesteld in 1999-2000 en is de naar alles waarschijnlijkheid de meest recente legger van dit dijkvak. De voor de projectlocatie relevante doorsnede uit de legger is opgenomen in bijlage 5.

Geconcludeerd kan worden dat de dijk sinds de bouw van de boerderij in een aantal fases naar de huidige staat is gebracht. In de eerste fase kort na 1861 en 1926 zijn de dijken in de Bommelerwaard versterkt. Waarschijnlijk is de dijk bij de [adres] tot slechts beperkt verhoogd, uit een foto van kort na de oorlog (zie figuur 7-2) blijkt immers dat de voordeur nog steeds nagenoeg gelijk aan de kruin ligt.

In de laatste fase rond 1990 is de dijk versterkt door de kruin van de dijk buitenwaarts te verplaatsen (zie bijlage 5).

Van de versterking die heeft plaatsgevonden na de Tweede Wereldoorlog (en voor 1990) is niet veel bekend, uit de beschikbare informatie is echter wel af te leiden dat er een versterking heeft plaatsgevonden. Onderdeel van die versterking was het ophogen van de kruin met ongeveer anderhalve meter, waardoor een trap nodig was van de voordeur naar de dijkweg.

(…)

8.3.1.

Dijkversterkingen

Zware, vanuit de dijk komende, diagonale druk op de buitenmuur en fundering aan de voorzijde van de boerderij is de belangrijkste oorzaak van het kantelen van de funderingspoer van de voorgevel van de boerderij en het doorbuigen van de buitenmuur. Die druk is mede veroorzaakt door het ophogen van de dijk tijdens dijkversterkingen.

Tijdens de dijkversterking die ergens tussen 1945 en 1990 heeft plaatsgevonden is de kruin verhoogd. Dit heeft waarschijnlijk geleid tot belastingen en grondvervormingen, die overeenkomen met het beeld dat nu wordt waargenomen. Dit wordt geïllustreerd met PLAXIS-berekeningen.

De dijkversterking die in de jaren ’90 is uitgevoerd, heeft minder invloed gehad dan de dijkversterking die eerder is gedaan. De dijkversterking in de jaren ’90 heeft alleen bestaan uit het buitenwaarts verplaatsen van de dijk, dit heeft nauwelijks tot extra spanningen in de grond (ter plaatse van de fundering) geleid.

8.3.2.

Fundering en buitenmuur

Uit de funderingsinspectie is naar voren gekomen dat de fundering aan de voorzijde onvoldoende bestand is geweest tegen de vanuit de dijk komende diagonale druk. De fundering is verzakt en gekanteld ten opzichte van de originele staat (ligging gelijk aan de keldervloer). Het kantelen en zakken van de fundering heeft er onder andere voor gezorgd dat de buitenmuur is gaan hellen (maar het is niet waarschijnlijk dat het doorbuigen hierdoor is versterkt).

De combinatie van fundering en keldermuren heeft nu onvoldoende draagkracht om het gewicht van de woonboerderij en het gewicht van de daarop steunende grond te kunnen dragen. Het is niet uitgesloten dat de fundering en de keldermuren voorafgaande aan de laatste dijkversterkingen wel voldoende draagkracht en sterkte hadden.

(…)

9.1.

Conclusie

(…)

Zwaar verkeer over de dijk kan hebben geleid tot scheurvorming, maar kan niet de oorzaak zijn van de waargenomen vervormingen. Thans kan niet worden beoordeeld of er tijdens dijkversterkingen meer zwaar verkeer aanwezig was dan normaal en zo ja, of er toen voldoende voorzorgsmaatregelen zijn genomen ter voorkoming van trillingen door zwaar verkeer op de dijkweg.

Er is te weinig informatie beschikbaar om te kunnen herleiden wanneer de verschillende schades precies zijn ontstaan en in welk tempo de schade zich nu nog doorontwikkeld. Thans kan zeker niet worden uitgesloten dat de waargenomen schade zich na de laatste dijkversterkingen voor het eerst heeft gemanifesteerd.

De dijkversterking in de jaren ’90 van de 20e eeuw heeft waarschijnlijk minder invloed gehad dan de eerdere dijkversterkingen, omdat de eerstgenoemde dijkversterking zich heeft beperkt tot het buitenwaarts verplaatsen van de dijk. Dit heeft nauwelijks geleid tot extra spanningen in de grond ter plaatse van de fundering. Wel zal deze dijkversterking gepaard zijn gegaan met zwaar verkeer over de dijkweg langs de woonboerderij.

2.12.

Fugro heeft op 24 februari 2012 een factuur ad € 7.406,56 inclusief BTW aan [eiser] gestuurd voor de kosten van het onderzoek.

3 Het geschil

3.1.

De vordering van [eiser] strekt - na wijziging - tot veroordeling van het waterschap tot betaling van € 175.348,71, vermeerderd met de wettelijke rente over € 166.085,86 vanaf 15 oktober 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, en tot verwijzing van het waterschap in de proceskosten, een en ander bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.

De vordering is gegrond op de stelling, kort gezegd, dat het waterschap bij de in de loop van de tijd uitgevoerde dijkverzwaringen heeft nagelaten onderzoek te doen naar en rekening te houden met de gevolgen daarvan voor de fundering en de constructie van de boerderij, dat het waterschap heeft nagelaten voorzorgsmaatregelen te treffen om schade te voorkomen, dat de boerderij als gevolg van de dijkverzwaringen beschadigd is, en dat dit nalaten onrechtmatig is jegens [eiser] , zodat het waterschap voor die schade aansprakelijk is. De schade bestaat in scheurvorming in de zijgevels van de dijkwoning en vervorming van de voorgevel en achterwaartse kanteling van de fundering daarvan. [eiser] begroot de schade op de herstelkosten, de kosten van het onderzoek door Fugro en de kosten van de nodige vergunningen voor het herstel van de fundering.

3.3.

Het waterschap voert gemotiveerd verweer.

4 De beoordeling

4.1.

Het waterschap beroept zich primair op verjaring ex artikel 3:310 BW. Nu [eiser] de brief van 8 november 2011 aan het waterschap heeft gestuurd om de verjaring te stuiten, is van belang dat in de twintig jaren daaraan voorafgaand slechts eenmaal dijkverzwaringswerkzaamheden zijn uitgevoerd, en wel in 1995/1996. [eiser] verlangt dat het waterschap alle documenten met betrekking tot dijkverzwaringen sinds de bouw van de boerderij in het geding brengt, maar hij heeft daar geen belang bij, aldus het waterschap.

4.2.

De rechtbank overweegt reeds thans dat zij dit standpunt van het waterschap onderschrijft. Voor zover schadeveroorzakende gebeurtenissen zich hebben voorgedaan vóór 8 november 1991 (twintig jaar voor de stuitingsbrief van [eiser] ) en [eiser] die aan zijn vordering ten grondslag legt, is de vordering verjaard, zodat hij voor zijn vordering tegen het waterschap geen belang heeft bij stukken die betrekking hebben op gebeurtenissen van voor die datum.

4.3.

Het waterschap betoogt dat volgens de eigen stellingen van [eiser] , die zich daarvoor baseert op het rapport van Fugro, de kanteling van de fundering het gevolg is van een continu proces van zettingen en dat niet kan worden uitgesloten dat de geconstateerde schade zich na de laatste dijkversterking in 1996 voor het eerst heeft gemanifesteerd. Dit houdt echter in dat de schade ook al kan zijn opgetreden vóór 1996. Aangenomen moet dan ook worden, zo voert het waterschap aan, dat het, door het geleidelijke proces van kanteling van de fundering, in 2007 voor [eiser] duidelijk geweest moet zijn dat de voorgevel was vervormd. Als bouwkundige had hij dat moeten en kunnen zien.

4.4.

Het waterschap leidt hieruit af dat [eiser] geen schade heeft geleden. Er veronderstellenderwijs van uitgaande dat de laatste dijkverzwaring de verzakking van het fundament en de scheurvorming in de muren van de boerderij heeft veroorzaakt, houdt het waterschap het ervoor dat [eiser] , die de boerderij in 2007 kocht, geen vermogensschade heeft geleden omdat de schade toen al bestond en er nadien geen verandering meer gekomen is in de hoedanigheid van de boerderij. Over de koopprijs heeft [eiser] zich niet uitgelaten; het mag er in redelijkheid voor gehouden worden dat hij voor de boerderij de werkelijke waarde betaald heeft. Dat hij, als exploitant van een bouwbedrijf zelf bouwkundig onderlegd, voorafgaand aan de koop geen bouwkundig onderzoek heeft gedaan komt voor zijn risico. De schade, die hij begroot op de herstelkosten, zien op herstelmaatregelen ter zake van schade die voor 2007 is ontstaan. Het gaat hier dus niet om schade die [eiser] in zijn vermogen lijdt, aldus het waterschap.

4.5.

De rechtbank overweegt dat het rapport van Fugro geen definitief uitsluitsel geeft over de vraag wanneer de schade is ontstaan. Fugro geeft in haar rapport een opsomming van de dijkverzwaringen die in de loop van de tijd sinds de bouw van de boerderij hebben plaatsgevonden. Zij maakt melding van versterkingen in de jaren 1861 en 1926, na de Tweede Wereldoorlog en rond 1990. Over de versterking van na de Tweede Wereldoorlog meldt Fugro dat daarvan niet veel bekend is, maar dat uit de beschikbare informatie wel is af te leiden dat onderdeel van die versterking het ophogen van de kruin met ongeveer anderhalve meter was, waardoor een trap nodig was van de voordeur van de boerderij naar de dijkweg. Op de foto van de woonboerderij aan de [adres] kort na de Tweede Wereldoorlog (bladzijde 16 van het rapport) is te zien dat de kruin van de dijk met de daarop gelegen weg vrijwel direct langs de voordeur loopt en dat het talud van de dijk de beide zijgevels van de dijkwoning gedeeltelijk omsluit.

4.6.

De dijkverhoging die ergens tussen 1945 en 1990 heeft plaatsgevonden heeft waarschijnlijk geleid tot belastingen en grondvervormingen, die overeenkomen met het beeld dat nu wordt waargenomen; de dijkversterking die in de jaren ’90 is uitgevoerd, heeft minder invloed gehad dan de dijkversterking die eerder is gedaan. De laatste dijkversterking heeft alleen bestaan uit het buitenwaarts verplaatsen van de dijk; dit heeft nauwelijks tot extra spanningen in de grond (ter plaatse van de fundering) geleid, zo vermeldt Fugro in haar rapport.

4.7.

Waar ook [eiser] ervan uitgaat dat de scheurvorming in de zijgevels van de dijkwoning en de vervorming van de voorgevel en de kanteling van het fundament daarvan het gevolg is van de omstandigheid dat de dijk in de loop van de tijd tegen de dijkwoning aan en gedeeltelijk er omheen is komen te liggen, is de beantwoording van de vraag wanneer een en ander zich heeft voorgedaan met zó veel onzekerheden omgeven dat er niet van uitgegaan kan worden dat dit na 1991 is gebeurd. Fugro zegt zelfs met zoveel woorden dat de laatste dijkversterking nauwelijks tot extra spanningen in de grond (ter plaatse van de fundering) heeft geleid, nu die alleen bestaan heeft in buitenwaartse verplaatsing van de dijk; daaruit volgt dat de gedeeltelijke omsluiting van de dijkwoning door de dijk - waarvan ook volgens Fugro de schade het gevolg is of redelijkerwijs kan zijn - van oudere datum is, vrijwel zeker van de periode tussen 1945 en 1990.

4.8.

Ook indien ervan uitgegaan zou moeten worden dat de dijkverzwaring die daartoe geleid heeft onrechtmatig is jegens [eiser] - die overigens toen geen eigenaar van de boerderij was - is de daaruit voortvloeiende schadevordering verjaard door verloop van meer dan twintig jaren na de schadeveroorzakende gebeurtenis. Voor zover de vordering van [eiser] gegrond is op het ontstaan van schade als gevolg van de dijkverzwaring van 1995/1996 heeft hij onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Zijn vordering zal daarom worden afgewezen. De overige weren behoeven geen bespreking.

4.9.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De aan de zijde van het waterschap gevallen kosten worden begroot op € 3.864,- voor griffierecht en twee punten à € 1.421,- volgens het liquidatietarief voor salaris advocaat, in totaal € 6.706,-.

5 Beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van het waterschap begroot op € 6.706,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2015.