Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:8190

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
04-01-2016
Zaaknummer
250706
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2014:5651. Eiseres is er niet in geslaagd te bewijzen dat zij als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van gedaagde winst heeft gederfd. Zij heeft wel bewezen dat zij extra kosten heeft moeten maken om een aangenomen werk te kunnen afronden door inschakeling van derden. De rechtbank schat het verlies aan rendement dat aan het niet beschikbaar zijn van de truck kan worden toegeschreven. De al eerder toewijsbaar geachte overige schadeposten worden eveneens toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/250706 / HA ZA 13-630/754

Vonnis van 9 december 2015

in de zaak van

de vennootschap naar Belgisch recht

ARMACOM EBVBA,

gevestigd te (3300) Tienen, België,

eiseres,

advocaat mr. B. Keybeck te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Weurt, gemeente Beuningen,

gedaagde,

advocaat mr. C.F.H. Donners te Nijmegen.

Partijen zullen hierna Armacom en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 juli 2014

  • -

    de brief van 18 november 2014 van mr. Keybeck met de producties 98-108

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 maart 2015

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 juni 2015

  • -

    de conclusie na enquête van Armacom

  • -

    de antwoordconclusie na enquête van [gedaagde] , met productie.

1.2.

Het verzoek van de zijde van Armacom tot het houden van pleidooi is door de rolrechter afgewezen. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 19 maart 2014 is onder meer aan Armacom de gelegenheid gegeven een deugdelijke toelichting te geven bij de ingebrachte facturen waarop zij haar schade grotendeels baseert. Hierop heeft Armacom een akte genomen, waarna [gedaagde] bij antwoordakte heeft gereageerd.

2.2.

In het tussenvonnis van 30 juli 2014 (hierna: het laatste tussenvonnis) heeft de rechtbank over de meeste schadeposten een beslissing genomen maar met name de winstderving was naar het oordeel van de rechtbank nog onvoldoende duidelijk geworden. Vervolgens is Armacom in de gelegenheid gesteld om de bewijzen dat zij als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] winst heeft gederfd en dat zij extra kosten heeft moeten maken om een aangenomen werk te kunnen afronden door inschakeling van derden. Indien dit laatste zou komen vast te staan, heeft dit geleid tot een lager rendement (/meer verlies) in de periode waarin Armacom niet heeft kunnen beschikken over het voertuig.

2.3.

In het laatste tussenvonnis heeft de rechtbank reeds aangegeven dat de wijze waarop Armacom de door haar gestelde winstderving van € 68.735,96 heeft berekend niet wordt gevolgd. Armacom ging er daarbij vanuit dat indien het voertuig ingezet had kunnen worden in de periode van 21 oktober 2011 tot 12 oktober 2012 (hierna: de relevante periode) de omzet in die periode € 687.359,60, het gemiddelde van de omzetten van 2012 en 2013, zou zijn geweest en dat de daarover gemaakte winst 10% was geweest. In werkelijkheid heeft Armacom in de boekjaren 2011 (3/2011 – 3/2012) en 2012 (3/2012 – 3/2013) verlies gemaakt (€ 4.678,02 respectievelijk € 60.779,10). De rechtbank begrijpt derhalve dat Armacom van mening is dat haar winstderving ten gevolge van het uitblijven van het voertuig minimaal de hypothetische winst van € 68.735,96 in de relevante periode is.

2.4.

Zoals reeds in het laatste tussenvonnis werd overwogen, was op dat moment (nog) niet duidelijk of Armacom opdrachten heeft moeten weigeren of niet heeft kunnen uitvoeren door het uitblijven van het voertuig en in hoeverre zij voor haar bedrijfsvoering afhankelijk was van het voertuig. Onder die omstandigheden was het lastig om te schatten welke omzet bij correcte nakoming in de relevante periode zou zijn gegenereerd en welk deel van die omzet aan het voertuig zou zijn toe te schrijven. Voorts ontbraken aanknopingspunten op grond waarvan kon worden geconcludeerd dat een winstmarge van 10% ‘in de praktijk gangbaar’ was, zoals Armacom stelde, en belangrijker nog, dat een dergelijke winstmarge voor dit specifieke bedrijf in de relevante periode reëel zou zijn geweest. In het navolgende zal worden beoordeeld of Armacom na het overleggen van de nadere producties 98 tot en met 108 en de gehouden getuigenverhoren alsnog een toereikende onderbouwing van de gevorderde winstderving heeft gegeven.

2.5.

In enquête heeft Armacom haar bestuurder [naam] en haar boekhouder [naam] gehoord. In contra-enquête heeft [gedaagde] de volgende personen gehoord: [naam] , boekhouder en fiscalist, en R.J.F. [naam] , voormalig directeur van een bedrijf in de beton- en staalvlechtwerken industrie.

2.6.

Naar de rechtbank uit de stellingen van Armacom heeft kunnen afleiden, baseert Armacom haar stelling dat winst is gederfd op twee pijlers:

  1. Armacom is omzet misgelopen doordat zij niet tijdig over het voertuig kon beschikken,

  2. Armacom heeft in de relevante periode opdrachten uitgevoerd waarvoor zij het voertuig had kunnen gebruiken en had door inzet van het voertuig kosten kunnen besparen.

De rechtbank zal uitsluitend de getuigenverklaringen en producties bespreken indien en voor zover deze betrekking hebben op een van deze twee pijlers. Al het overige is niet relevant voor de vraag die ter beantwoording voorligt en zal dan ook onbesproken blijven.

2.7.

Armacom heeft met de getuigenverklaringen getracht te bewijzen dat zij door het uitblijven van het voertuig geen opdrachten meer heeft gekregen in het kader van het Zennekokerproject, een jarenlang durend groot project van de Brusselse hoofdstedelijke regering om het rioleringsnetwerk te renoveren. Armacom heeft in de eerste fase van dit project als onderaannemer van Renotec werkzaamheden uitgevoerd in Anderlecht. Naar de rechtbank begrijpt bestonden die werkzaamheden onder meer uit het afvoeren van afvalstoffen uit de rioleringsbuizen en het aanvoeren van nieuwe materialen. Gelet op de als productie 106 overgelegde overeenkomst van onderaanneming van 1 september 2011 tussen Armacom en Renotec begrijpt de rechtbank dat de werkzaamheden tevens bestonden uit het ‘leveren en plaatsen van galva chapenetten op afstandhouders, mechanisch bevestigd in der ondergrond’. Volgens [naam] heeft Armacom aanvankelijk enkel en alleen in verband met de opdracht van Renotec het voertuig aangeschaft. Daarmee konden dagelijks alle afvalstoffen worden afgevoerd en nieuwe materialen worden aangevoerd, zonder dat het vrije verkeer in het centrum van Brussel werd belemmerd.

Over het eindigen van de werkzaamheden voor Renotec heeft [naam] verklaard:

(…) Het werk dat in Anderlecht door mij is aangevangen was het allereerste deel van dat project. De intentie van de hoofdaannemer en het openbaar bestuur/de bouwheer was om samen met mijn bedrijf al die rioleringsbuizen/kokers te renoveren. Dit zou jarenlang veel werk voor mij hebben opgeleverd met de truck en veel omzet hebben gegenereerd.

(…) Het puin stapelde zich op in de rioleringen en moest dringend worden afgevoerd. Dat werd mij door de hoofdaannemer en het openbaar bestuur niet in dank afgenomen. Toen de tweede fase aanbrak heb ik niets meer van Renotec vernomen, terwijl Renotec sinds 2006 een klant van mij was. Zij konden het zich niet permitteren om met mij verder te gaan gelet op het feit dat ik in gebreke was gebleven.

(…)

Het is wel degelijk zo dat ik de grootste opdracht die ik had kunnen blijven doen gedurende de daaropvolgende jaren ben kwijtgeraakt doordat ik niet over de truck kon beschikken. Die truck was speciaal voor deze opdracht geschikt omdat er een grote zware kraan op zit en een containerhaaksysteem. Daarnaast deden wij ook het renoveren van gevels, maar daar had ik de truck niet zozeer voor nodig.

(…)

2.8.

[naam] heeft in een door hem opgesteld verslag van 20 augustus 2014 (productie 98) aangegeven dat door het uitblijven van het voertuig vertragingen waren ontstaan bij de werken van Renotec en [naam] en dat de belangrijkste klanten verdwenen waren toen de vrachtwagen in oktober 2012 eindelijk functioneel werd. Voorts heeft hij tijdens het getuigenverhoor verklaard:

U vraagt mij of ik een inschatting kan doen van de winstderving die het gevolg is geweest van het niet ter beschikking hebben van de truck. In mijn beleving is die winstderving een veelvoud van wat er nu gevorderd is omdat de langdurige samenwerking met Renotec door het uitblijven van de truck is beëindigd. Juridisch was dat kennelijk niet opportuun om het op die manier te benaderen en dan is het moeilijk om de winstderving nu in te schatten. (…)

2.9.

Voorts heeft Armacom als productie 104 een e-mail van 20 augustus 2012 van [naam] aan Renotec overgelegd waarin staat:

Naar aanleiding van je bericht van vorige week: kan je de definitieve werkwijze voor de tweede fase per kerende bevestigen?

Indien er geen uitvoering door Armacom bvba meer voorzien is, kan je me dan laten weten hoe we eventueel de door ons gestockeerde netten en op maat gemaakte alu afstandshouders (in voorraad), dewelke specifiek voor deze werf werden aangekocht, kunnen afrekenen en / of leveren op de werf.

Is er nog wel uitvoering door Armacom bvba voorzien kan je me dan dringend de voorziene resterende m2 laten geworden.

2.10.

Hiermee is niet komen vast te staan dat Armacom vervolgopdrachten van Renotec is misgelopen door het niet beschikbaar zijn van het voertuig. Correspondentie van Renotec waaruit dit valt af te leiden, waaronder de reactie van Renotec op bovenstaande e-mail, ontbreekt. Ook de stelling dat er bij aanvang van het project zicht was op de betrokkenheid van Armacom bij de volgende fases blijkt niet uit de overgelegde bewijsstukken. Nog los van de feit dat het gestelde causale verband niet uitsluitend kan steunen op de verklaringen van [naam] en zijn boekhouder, ontbreekt elke cijfermatige onderbouwing van de omzet die gemoeid zou zijn geweest bij het verkrijgen van opdrachten in fase 2 en de winst die daarmee behaald had kunnen worden.

2.11.

Ook op grond van de overige producties is niet komen vast te staan dat Armacom opdrachten is misgelopen doordat de inzet van het voertuig voor die opdrachten noodzakelijk was en het voertuig niet beschikbaar was. Armacom heeft als productie 95 offerte-aanvragen overgelegd maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de truck voor deze werken noodzakelijk was en dat zij niet kon of heeft willen offreren omdat zij niet beschikte over de truck. Ook is niet gezegd dat als Armacom in reactie op deze aanvragen had geoffreerd, zij de opdracht daadwerkelijk had gekregen. Dan de omzetdip. De constatering dat de omzet in het boekjaar 2012 (€ 690.000,00) lager was dan in het daaraan voorafgaande boekjaar 2011 (€1.096.510) en in het daaropvolgende boekjaar 2013 (€ 906.426,00) doet vermoeden dat er in de relevante periode minder omzet is gegenereerd als gevolg van het uitblijven van het voertuig. Doordat er voor het overige echter geen concrete aanknopingspunten zijn die dit vermoeden ondersteunen, kan de rechtbank hiervan op basis van de thans beschikbare informatie niet uitgaan.

2.12.

Dan resteert de stelling van Armacom dat zij opdrachten die zij in de relevante periode heeft uitgevoerd, tegen hogere kosten heeft uitgevoerd dan wanneer het voertuig in diezelfde periode beschikbaar was geweest. Daardoor zou haar rendement over de omzet lager zijn geweest. Armacom heeft deze stelling onder meer onderbouwd door overlegging van het eerdergenoemde verslag van haar boekhouder van 28 augustus 2014, alsmede de jaarstukken van de boekjaren 2011, 2012 en 2013. Verder hebben [naam] en [naam] hierover verklaard tijdens de getuigenverhoren.

2.13.

In zijn verslag schrijft [naam] onder meer:

Toen de vrachtwagen eindelijk geleverd werd in oktober 2011 – na herhaaldelijk aandringen van Armacom – bleek deze niet te functioneren. Hierdoor liepen werven voor onder meer Renotec en [naam] grote vertragingen op en kon de behoorde efficiëntie niet worden behaald. De kosten om de werven toch tot een goed einde te brengen – wat niet volledig lukte – swingden immers de pan uit. Met een negatief boekhoudkundig resultaat en ontevreden klanten tot gevolg.

In oktober 2012 werd de vrachtwagen dan eindelijk functioneel. Ondertussen waren de belangrijkste klanten zoals hogergenoemd verdwenen. Renotec had immers nood aan een snelle invulling van de werken, hetgeen Armacom niet kon garanderen. De geloofwaardigheid van Armacom had een onuitwisbare knauw gekregen. Nieuwe samenwerkingen werden moeizaam opgezet. Meer dan de helft van het boekjaar helaas nog steeds zonder gebruik te kunnen maken van de broodnodige vrachtwagen. Zowel de omzet (€ 690.000) als de prijzen waartegen gewerkt moest worden waren dat jaar erg laag. De vervangende kosten veel te hoog. Een verlies van €60.779,10 was het gevolg. Er werd nochtans op alles wat mogelijk was bespaard om de firma Armacom boven water te houden.

Ondertussen werden nogmaals nieuwe kanalen aangeboord en kon men nieuwe en betere samenwerkingen opzetten doordat men gebruik kon maken van de nieuwe vrachtwagen en deze ook kon demonstreren. In het boekjaar 2013-2014 werd de omzet terug hoger (€ 906.000). Twee nieuwe klanten waar een grote werf kon gerealiseerd worden deden het financieel plan gebouwd rond de nieuwe vrachtwagen eindelijk kloppen. Een mooie winst van € 103.939,75 en een rendement van 11,5% op de omzet zijn het gevolg. Voor R&S Projects uit Mol werd dat jaar een omzet van € 527.000 gerealiseerd. Voor Romebo uit Tienen € 273.000. Deze projecten hadden nooit binnen hetzelfde tijdsbestek en met zo relatief weinig personeelskosten uitgevoerd kunnen worden zonder de naar behoren functionerende vrachtwagen. Dit was duidelijk waar het schoentje de twee voorgaande jaren wrong. Minder maar grotere werven met minder personeelskosten en een beter rendement door de automatisatie mogelijk dankzij de nieuwe onontbeerlijke vrachtwagen.

Vergelijkingstabel kostendelen ten opzichte van de omzet:

In absolute cijfers:

Omzet

Materiaalkosten

Alg. kosten

Personeel +

onderaannemers

Resultaat vh

boekjaar

3/2011

€ 1.339.000

€ 142.000

€ 279.000

€ 915.000

-€ 76.992,59

3/2012

€ 1.096.000

€ 99.000

€ 232.000

€ 671.000

-€ 4.678,02

3/2013

€ 690.000

€ 75.000

€ 199.000

€ 405.000

-€ 60.779,10

3/2014

€ 906.000

€ 145.000

€ 175.000

€ 420.000

+€ 103.939,76

In procenten:

Omzet

Materiaalkosten

Alg. kosten

Personeel +

onderaannemers

3/2011

100%

10,60%

20,84%

68,33%

3/2012

100%

9,03%

21,17%

61,22%

3/2013

100%

10,87%

28,84%

58,70%

3/2014

100%

16 %

19,32%

46,36%

Conclusies die we kunnen trekken uit bovenstaande tabellen:

  1. De personeelskosten dalen jaar na jaar ten opzichten van de omzet. Dit is een bewijs van de strategie die gekozen werd. Pas in het laatste boekjaar waar voluit gebruik is gemaakt van de nieuwe vrachtwagen is deze beduidend gezakt, met een positief resultaat en rendement tot gevolg.

  2. Ondanks het feit dat de materiaalkost hoger was voor de gerealiseerde werven in het laatste boekjaar is het rendement nog altijd goed. Deze materiaalkost hangt af van werf tot werf. Hierdoor kan hiermee in de strategie geen rekening gehouden worden. Moest die zo hoog gelegen hebben als de voorgaande jaren zou het rendement in het laatste boekjaar dus nog hoger geweest zijn dan 11,5% van de omzet.

  3. De algemene kosten dalen de twee laatste jaren in absolute cijfers. Dit komt minder tot uiting in de percentages omdat een deel van de overhead cost niet gerelateerd is aan de omzet.

  4. Het rendement van 11,5% op de omzet werd door de hoge personeelskosten in zowel absolute cijfers als percentage niet gehaald in boekjaren 3/2012 en 3/2013. Dat was anders geweest indien de vrachtwagen wel tijdig en functioneel was geleverd.

Geert [naam]

Extern erkend boekhouder-fiscalist

[naam] verklaart tijdens het getuigenverhoor hieromtrent:

De doelstelling en berekening die aan dat Zennekokers project ten grondslag lag was 15% rendement. Dit is niet behaald. Door het uitblijven van de truck moest er veel extra personeel en extra onderaannemers worden ingeschakeld en is er uiteindelijk verlies geleden.

[naam] verklaart hierover:

(…) De truck is belangrijk in het kader van de bedrijfsvoering die ik heb moeten wijzigen nadat Renotec en daarmee het project Zennekokers was weggevallen. Mijn dagelijkse bezigheid bestaat nu uit het bedienen van de truck. Ik kan zo mijn uren profijtelijker maken en bovendien is de truck te duur om zomaar door een werknemer te laten bedienen.

U vraagt mij of ik dat op de cijfers kan projecteren. Dat is uit het hoofd nogal moeilijk, maar ik kan verklaren dat door de truck de personeelskosten aanzienlijk omlaag zijn gegaan en ik daardoor winst ben gaan maken.

Het door u voorgehouden rapport van de boekhouder, productie 98, ken ik en ik ben het eens met de inhoud daarvan. Het is een juist uitgangspunt om uit te gaan van een rendement van 11,5% bij volledige inzet van de truck. Volgens mij is een representatieve periode voor de berekening van de winstderving het boekjaar 2013/2014. De eerste vijf maanden na oktober 2012 hebben wij niet effectief gebruik kunnen maken van het volle potentieel van de truck omdat het winter was toen de truck eindelijk gekeurd was en ik toen ook nog nieuwe projecten moest gaan binnenhalen.

2.14.

De tweede bewijsopdracht betrof de vraag of Armacom extra kosten heeft moeten maken doordat zij voor het voltooien van de reeds aangenomen werken de firma’s Brurent en Duswa Constructions heeft moeten inhuren.

Hierover heeft [naam] verklaard:

Het is juist dat die twee facturen van Brurent en Duswa Constructions betrekking hadden op de inschakeling van deze twee bedrijven die voor het voertuig aangenomen werk in Anderlecht hebben uitgevoerd. Deze werkzaamheden waren onderdeel van het Zennekokers project.

Deze bedrijven hebben afvalstoffen afgevoerd en deze werkzaamheden waren een onderdeel van een grotere opdracht waarvoor een aanneemsom was overeengekomen. Ik kan niet zeggen welk deel van die aanneemsom betrekking had op deze werkzaamheden. Ik kan wel zeggen dat het mij veel minder geld had gekost als ik de truck had gehad en daarmee die afvalstoffen had kunnen afvoeren. De betreffende bedrijven verhuren containers en voeren daarmee de afvalstoffen af en er moet worden betaald voor het gebruik van die containers en voor het afvoeren en storten. Als ik het zelf met de truck had kunnen doen, dan had ik mijn eigen containers gebruikt en had ik het betonpuin zelf kunnen verwerken en recyclen. Dan had het mij dus niets gekost.

De overige getuigen hebben over deze bewijsopdracht geen relevante verklaringen afgelegd.

2.15.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de gestelde extra kosten en het lagere rendement als volgt. De facturen van Brurent en Duswa Constructions, samen € 4.282,00, zijn verzonden in de periode van november 2011 tot maart 2012 en betreffen kosten voor het laten afvoeren van puin (huur van containers en vervoerskosten). Dit had Armacom zelf kunnen doen indien zij over het voertuig had kunnen beschikken en het ligt in de rede, mede gelet op de door [naam] gegeven toelichting, dat zij dan aanzienlijk minder kosten had gehad. Onweersproken is immers dat zij deze werkzaamheden zelf had kunnen uitvoeren en de afvalstoffen op haar eigen terrein had kunnen verwerken en recyclen. Nu dienden containers te worden gehuurd en moest het afval worden afgevoerd naar en gestort bij het dichtstbijzijnde verwerkingsbedrijf. Aannemelijk is dat, zoals Armacom heeft gesteld, dit laatste goedkoper was dan het vervoeren naar de terreinen van Armacom in verband met de reistijden en hoge kosten per afgelegde kilometer. Meer in het algemeen mag worden aangenomen dat het duurder is om werk dat een bedrijf normaliter zou kunnen doen met een eigen truck, uit te besteden aan derden. Uiteraard worden in dat geval brandstofkosten en personeelskosten van de bestuurder van de truck bespaard, maar deze besparing zal onder normale omstandigheden niet opwegen tegen de extra kosten voor de inschakeling van onderaannemers/derden, zeker niet indien – zoals hier het geval was – de vaste lasten van de truck daarnaast doorlopen. Ook mag worden aangenomen dat het manueel verwijderen van puin zeer arbeidsintensief is en derhalve duurder dan het verwijderen van puin met behulp van de onderhavige truck met haaksysteem.

2.16.

De vraag is vervolgens of ook uit de jaarstukken van Armacom kan worden afgeleid dat de personeelskosten en kosten voor onderaannemers in de relevante periode hoger zijn geweest dan in de situatie waarin Armacom over het voertuig had beschikt.

2.17.

[naam] heeft de belangrijkste cijfers uit de jaarstukken in zijn verslag opgenomen en heeft berekend hoeveel de verschillende kostensoorten bedroegen ten opzichte van de omzet. Bij haar laatste akte heeft [gedaagde] eveneens een samenvatting gemaakt van de belangrijkste cijfers uit de jaarstukken van Armacom van de boekjaren 2010 tot en met 2013. Armacom heeft verzocht daar nog bij conclusie dan wel akte op te mogen reageren. Daarvoor ziet de rechtbank echter geen aanleiding nu deze laatste productie een overzichtelijke en uitgebreidere weergave op een A4 omvat van de belangrijkste bedragen uit de jaarstukken. Zoals de rechtbank heeft kunnen constateren, stemmen die bedragen ook daadwerkelijk overeen met de bedragen uit de jaarstukken. Het enige dat [gedaagde] heeft toegevoegd aan de absolute bedragen die zijn overgenomen uit de jaarstukken is een overzicht van kosten voor materiaal, onderaannemers en personeel, uitgedrukt in percentages van de omzet. Daarbij heeft [gedaagde] niet het totaal van de opbrengsten genomen, zoals Armacom heeft gedaan, maar heeft zij uitsluitend het totaal van de geleverde prestaties en de geleverde prestaties MC genomen. Aangezien de ‘overige opbrengsten’ niet tot de omzet kunnen worden gerekend en derhalve niet relevant zijn voor de berekening van de winstderving ten gevolge van het niet beschikken over de truck, zal de rechtbank zowel de cijfers van Armacom als van [gedaagde] bij haar beoordeling betrekken. Dit is ook zinvol aangezien [gedaagde] in zijn overzicht nog een nadere onderverdeling heeft gemaakt naar kosten van onderaannemers en kosten van personeel over de verschillende jaren.

2.18.

In de door [naam] weergegeven cijfers (zie onder r.o. 2.13) zijn de kosten voor personeel en onderaannemers in absolute bedragen en in een percentage van de omzet weergegeven over de boekjaren 2010, 2011, 2012 en 2013. Uit deze percentages blijkt dat de genoemde kosten in verhouding tot de omzet jaarlijks zijn gedaald (68,33%, 61,22%, 58,70% en 46,36% van de omzet) maar dat in het boekjaar 2013 een veel sterkere afname te zien is dan in de daaraan voorafgaande jaren: van 2010 naar 2011 een afname van 7,11%, van 2011 naar 2012 een afname van 2,52% en van 2012 naar 2013 een afname van 12,34% van de omzet.

2.19.

Zoals gezegd is in het overzicht van [gedaagde] alleen naar de daadwerkelijke omzet (geleverde prestaties en geleverde prestaties MC) opgenomen. Dat leidt ertoe dat de kosten voor personeel en onderaannemers uitgedrukt in een percentage van de omzet iets hoger liggen (72,5%, 64,8%, 62,2% en 48,1% van de omzet). Ook in dit overzicht is een sterke afname van de kosten voor personeel en onderaannemers ten opzichte van de omzet te zien in 2013. In dit overzicht bedraagt die afname zelfs 14,1% en is zij dus nog hoger dan de 12,34% uit het overzicht van [naam] . Dat het totaal van de kosten van materiaal, onderaannemers en personeel niet met eenzelfde percentage daalt (ofwel de brutomarge in dat jaar niet met eenzelfde percentage stijgt) is te wijten aan een toename van de materiaalkosten. Per saldo daalt het percentage van die kosten ten opzichte van de omzet in 2013 met 9,2% (73,8% -/- 64,6%) en de bruto marge stijgt met hetzelfde percentage van 26,2% naar 35,4%. Hiervan is 3,9% toe te schrijven aan een afname van de personeelskosten. Die waren in 2011 en 2012 nog 4,1% van de omzet en in 2013 nog maar 0,2%, zo blijkt uit het overzicht van [gedaagde] en uit de jaarstukken.

2.20.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de overgelegde facturen van Brurent en Duswa Constructions, de bovenstaande verklaringen van [naam] en [naam] en de jaarstukken van Armacom, de conclusie gerechtvaardigd is dat Armacom in de relevante periode extra kosten heeft moeten maken voor personeel en onderaannemers om het reeds aangenomen werk in het kader van de eerste fase van het Zennekokers project af te maken maar ook om latere opdrachten te kunnen uitvoeren. Gelet op de aard van de werkzaamheden van Armacom, die zoals onweersproken is gesteld voornamelijk omvatten beton- en betonrenovatiewerkzaamheden, was het voertuig immers inzetbaar voor veel meer opdrachten dan uitsluitend voor het Zennekokers project en ligt het in de rede, zoals hiervoor is overwogen, dat dan ook bij deze opdrachten kostenbesparingen hadden kunnen worden gerealiseerd. De rechtbank is voorts van oordeel dat van Armacom niet verwacht kan worden dat zij de extra kosten en eventuele besparingen die het gevolg zijn geweest van het ontbreken van het voertuig bij de verschillende opdrachten die in de relevante periode zijn uitgevoerd, exact berekende. De rechtbank zal dan ook op basis van de cijfers die tot haar ter beschikking staan een schatting maken van het verlies aan rendement dat aan het niet beschikbaar zijn van de truck kan worden toegeschreven.

2.21.

Zoals onder r.o. 2.19 is overwogen is in het eerste volledige boekjaar waarin de truck kon worden gebruikt (van april 2013 tot april 2014) een bruto marge behaald van ruim 35% terwijl deze in de twee daaraan voorafgaande jaren om en nabij de 26% lag. De rechtbank acht het aannemelijk dat de in 2013 gerealiseerde sterke afname van de kosten voor personeel en onderaannemers ten opzichte van de omzet al eerder was ingezet indien Armacom tijdig de beschikking had gehad over de truck en dat daarmee een hogere bruto marge (en minder verlies) gerealiseerd had kunnen worden in de relevante periode. Ervan uitgaande dat de in 2013 gerealiseerde afname van de kosten van 9,2% niet reeds in de relevante periode gerealiseerd had kunnen worden maar geleidelijk was verlopen, wordt geschat dat de bruto marge in de relevante periode 4% hoger had kunnen liggen. De schade als gevolg van rendementsderving wordt derhalve ex aequo et bono geschat op 4% van de omzet die in de relevante periode daadwerkelijk is behaald. Aangezien de relevante periode voor vijf maanden in boekjaar 2011 valt en voor zeven maanden in boekjaar 2012, wordt de omzet in de relevante periode als volgt berekend: 5/12 deel van de omzet van boekjaar 2011 en 7/12 deel van de omzet van boekjaar 2012 (€ 441.390,00 + € 380.056,00). Daarmee wordt de winstderving geschat op € 32.856,00 (4% van € 821.446,00).

2.22.

Het bedrag ter zake van de facturen van Brurent en Duswa komt niet voor separate toewijzing in aanmerking, aangezien de kosten voor het inhuren van leveranciers in de hiervoor beoordeelde winstderving zijn verdisconteerd.

2.23.

In het laatste tussenvonnis van 30 juli 2014 zijn de overige schadeposten reeds beoordeeld en is beslist dat een deel van deze posten toewijsbaar is. De rechtbank heeft geconstateerd dat zij onder r.o. 2.54 abusievelijk niet de dagvaardingskosten van € 517,34 heeft genoemd bij de kosten die in verband met het doorlopen van de Belgische procedure toewijsbaar zijn. De toewijsbare kosten hiervoor bedragen dan ook € 2.029,34 (€ 1.512,00 + € 517,34).

2.24.

Naar aanleiding van het laatste tussenvonnis heeft Armacom in haar akte bezwaren aangevoerd tegen de afwijzing van sommige schadeposten in voornoemd vonnis. Hoewel de rechtbank de bevoegdheid heeft om in bepaalde gevallen van bindende eindbeslissingen terug te komen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 553), ziet zij in hetgeen Armacom heeft aangevoerd geen aanleiding om van die bevoegdheid gebruik te maken. De beslissingen berusten namelijk niet op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Uit de bezwaren van Armacom blijkt dat zij het niet eens is met de beoordelingen van de rechtbank. Daarvoor bestaat echter (alleen) de mogelijkheid van hoger beroep.

2.25.

Samengevat zullen de volgende schadeposten worden toegewezen:

Factuur van Vuchelen (deels) € 1.196,00

Kilometervergoeding € 121,82

Keuringen (deels) € 122,10

Kosten Belgische procedure € 2.029,34

Kosten deskundige € 4.018,05

Winstderving € 32.856,00

Totaal € 40.343,31

2.26.

In het laatste tussenvonnis is geoordeeld dat voor wat betreft de kosten van de onderhavige procedure het liquidatietarief zal worden toegepast maar dat het aannemelijk is dat Armacom naast proceskosten, tevens buitengerechtelijke incassokosten in de zin van art. 6:96 lid 2 sub c BW heeft gemaakt. Armacom heeft hieromtrent geen nadere toelichting gegeven hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld. De rechtbank zal dan ook geen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten toewijzen.

2.27.

Zoals reeds is beslist in het tussenvonnis onder r.o. 2.58 zal de wettelijke rente over de hoofdsom worden toegewezen vanaf 30 november 2012.

2.28.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van Armacom op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 92,82

- griffierecht 1.836,00

- getuigenkosten 0,00

- salaris advocaat 3.576,00 (4,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 5.504,82

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Armacom te betalen een bedrag van € 40.343,31 (veertig duizenddriehonderddrieenveertig euro en eenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 30 november 2014 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Armacom tot op heden begroot op € 5.504,82, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2015.