Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:8156

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-12-2015
Datum publicatie
22-01-2016
Zaaknummer
AWB 13/1857 en 13/2773
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 27 Wet politiegegevens, CIE, 00-informatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 13/1857 en 13/2773

Uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser], te [verweerder], eiser,

(gemachtigde: mr. A. de Groot)

en

de korpschef van politie, district Gelderland-Zuid, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 18 januari 2013 heeft eiser op grond van artikel 25 van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) verzocht om inzage

  • -

    in het zaaksdossier met betrekking tot de doorzoeking van 18 december 2012 in de woning aan de [adres] te [verweerder] (herkomst melding/bron, machtigingen, doel en wie deze gegevens tot op heden heeft geraadpleegd en aan wie ze zijn verstrekt);

  • -

    in het rechercheonderzoek DIAS.

Bij besluit van 4 maart 2013 heeft verweerder de politiegegevens over eiser als bedoeld in artikel 8 van de Wpg met betrekking tot de doorzoeking van de woning op 18 december 2012, uit het registratiesysteem Basisvoorziening Handhaving (hierna: BVH) van de politie district Gelderland-Zuid aan eiser verstrekt. Personalia van derden zijn vertrouwelijk en daarom op grond van artikel 27 van de Wpg weggelaten. Verweerder heeft op grond van artikel 27, eerste lid, onder a en b van de Wpg geweigerd de achterliggende gegevens van de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE) te verstrekken.

Tegen dit besluit heeft eiser op 19 maart 2013 beroep ingesteld (AWB 13/1857).

Voorts heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om inzage in het rechercheonderzoek DIAS.

Bij besluit van 2 mei 2013 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van een deel van de politiegegevens die over eiser zijn geregistreerd met betrekking tot het rechercheonderzoek DIAS/Aquarius 2006/2007. Politiegegevens van derden en politiegegevens met betrekking tot eiser zelf waarvan kennisneming nadeel voor de politietaak kan opleveren heeft verweerder op grond van artikel 27 van de Wpg geweigerd.

Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser mede betrekking op het besluit van 2 mei 2013 (AWB 13/2773).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 30 april 2014 heeft verweerder stukken aan de rechtbank overgelegd en daarbij de mededeling gedaan als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft op 4 september 2014 beslist dat beperking van de kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. Bij brief van 16 september 2014 heeft eiser toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.R.M. Pompen, W.O. de Boer en Y. Scheper.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Partijen hebben na de zitting stukken overgelegd en hun standpunten nader toegelicht.

Op 8 juni 2015 heeft de rechtbank door verweerder overgelegde stukken ingezien. Verweerder heeft meegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van deze stukken. Op 2 september 2015 heeft de rechtbank beslist dat beperking van de kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. Bij brief van 9 september 2015 heeft eiser toestemming verleend om deze stukken bij de beoordeling van het beroep te betrekken.

Op 8 september 2015 heeft de door de rechtbank aangewezen rechter-commissaris stukken ingezien in een kantoor van de politie. Verweerder heeft meegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van deze stukken. Op 8 september 2015 heeft de rechtbank beslist dat beperking van de kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. Bij brief van 23 september 2015 heeft eiser toestemming verleend om deze stukken bij de beoordeling van het beroep te betrekken.

Nadien hebben partijen stukken overgelegd en hun standpunten nader toegelicht.

Partijen hebben toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg is bepaald dat onder politiegegevens moet worden verstaan elk persoonsgegeven dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a van de Wbp, waarnaar artikel 1, aanhef en onder m, van de Wpg verwijst, moet onder persoonsgegeven worden verstaan elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

Ingevolge artikel 25, eerste lid van de Wpg deelt de verantwoordelijke een ieder op diens schriftelijke verzoek binnen zes weken mede of, en zo ja welke, deze persoon betreffende politiegegevens verwerking ondergaan. Hij verstrekt daarbij tevens desgevraagd inlichtingen over de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt. De verantwoordelijke kan zijn beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen, dan wel voor ten hoogste zes weken indien blijkt dat bij verschillende regionale of landelijke eenheden van de politie politiegegevens over de verzoeker worden verwerkt. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.

Ingevolge artikel 27 van de Wbp wordt een verzoek als bedoeld in artikel 25, eerste lid, afgewezen voor zover het onthouden van kennisneming noodzakelijk is in het belang van:

a. de goede uitvoering van de politietaak;

b. de bescherming van de rechten van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van derden;

c. de veiligheid van de staat.

Ingevolge het tweede lid vindt een gehele of gedeeltelijke afwijzing schriftelijk plaats.

Huiszoeking 18 december 2012

2. In zijn beroepschrift van 19 maart 2013 (pagina 25) heeft eiser gesteld dat zijn verzoek betrekking heeft op

a. het proces-verbaal van de CIE met betrekking tot de doorzoeking;

b. alle vastgelegde (onderzoeks)verslagen van de opsporingsambtenaren waaruit mede blijkt waarom de mededeling uit het citaat van het proces-verbaal van de CIE door de opsporingsambtenaren aan zijn personalia is gekoppeld;

c. de naam van de officier van justitie die telefonisch toestemming gaf voor de doorzoeking;

d. een lijst van personen en instanties die daadwerkelijk zijn gegevens hebben geraadpleegd dan wel (ambtshalve) hebben ontvangen ná 18 december 2012.

a. Proces-verbaal CIE

3. Verweerder heeft in beroep alsnog het proces-verbaal van de CIE van 12 december 2012 overgelegd, waarbij de naam van de politie-inspecteur die het proces-verbaal heeft opgesteld onleesbaar is gemaakt. Ter zitting heeft eiser meegedeeld dat hij de naam van de politie-inspecteur wil weten.

Ter zitting van 21 april 2015 heeft de heer Y. Scheper namens verweerder toegelicht dat de politie-inspecteur die het proces-verbaal heeft opgesteld, en van wie eiser de naam wil weten, een andere persoon is anders dan degene die de informatie heeft verzameld die in het proces-verbaal is weergegeven. De naam van de politie-inspecteur die het proces-verbaal heeft opgesteld moet geheim blijven in het belang van de opsporing. Degenen die dit soort processen-verbaal opstellen bij de CIE kunnen hun werkzaamheden op een bepaalde regio concentreren of bij een specifiek thema betrokken zijn. Het vrijgeven van de naam kan er derhalve toe leiden dat bekend wordt wat de reden is van de interesse van de CIE voor de betreffende persoon.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus voldoende heeft gemotiveerd dat het onthouden van kennisneming van de naam van de politie-inspecteur noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering van de politietaak.

b. 00-informatie

4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van 21 april 2015 blijkt het volgende.

Indien een informant informatie verstrekt aan de politie wordt deze neergelegd in een gespreksverslag. Dit is de zogenaamde 00-informatie. De 00-informatie is direct te herleiden tot de bron/informant en uit de informatie blijkt ook op welke persoon de informatie betrekking heeft.

Anders gezegd: uit de 00-informatie blijkt de relatie tussen de vetgedrukte informatie in een proces-verbaal van de CIE, zoals dat van 12 december 2012, en de persoon waarop zo’n proces-verbaal van de CIE betrekking heeft.

Dat betekent dat de 00-informatie die aan het proces-verbaal van de CIE van 12 december 2012 ten grondslag ligt de gegevens bevat waarom eiser heeft verzocht zoals in rechtsoverweging 2 onder b weergegeven.

5. De informatie die de rechtbank ter zitting van 21 april 2015 en op 8 juni 2015 heeft ingezien is niet de 00-informatie, maar, naar de rechtbank uit de stukken en het verhandelde ter zitting van 21 april 2015 begrijpt, de zogenaamde 01-informatie. De rechtbank heeft vastgesteld dat uit deze informatie niet de relatie blijkt tussen de vetgedrukte informatie in het proces-verbaal van de CIE van 12 december 2012 en de persoon van eiser. Het verzoek van eiser ziet derhalve niet op deze 01-informatie.

6. Op 8 september 2015 heeft de rechter-commissaris de 00-informatie ingezien die aan het proces-verbaal van de CIE van 12 december 2012 ten grondslag ligt. De rechtbank stelt vast dat uit deze 00-informatie de relatie blijkt tussen de vetgedrukte informatie in het proces-verbaal van de CIE van 12 december 2012 en de persoon van eiser.

Naar het oordeel van de rechtbank is het onthouden van kennisneming van de volledige 00-informatie die aan het proces-verbaal van de CIE van 12 december 2012 ten grondslag ligt, noodzakelijk in het belang van de goede uitvoering van de politietaak en de gewichtige belangen van derden als bedoeld in artikel 27 van de Wpg. Die belangen maken het noodzakelijk dat de wijze waarop de politie via informanten informatie verzamelt, de persoonsgegevens van de informant, de uiteenzetting van de informant hoe hij aan de informatie is gekomen en de inhoud van die informatie geheel geheim blijven.

Verweerder heeft terecht geweigerd de 00-informatie die aan het proces-verbaal van de CIE van 12 december 2012 ten grondslag ligt aan eiser te verstrekken.

c. De naam van de officier van justitie die telefonisch toestemming gaf voor de doorzoeking

7. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser dit verzoek niet handhaaft.

d. Een lijst van personen en instanties die daadwerkelijk de gegevens hebben geraadpleegd dan wel (ambtshalve) hebben ontvangen ná 18 december 2012

8. De gegevens over de huiszoeking op 18 december 2012 zijn verwerkt in het politiesysteem BVH. In het besluit van 4 maart 2014 is over de raadpleging/verstrekking van deze gegevens het volgende vermeld:

“Bovenstaande gegevens zijn verwerkt in het politiesysteem BVH. Ze zijn niet aan

externen buiten de politie verstrekt. Binnen de politie zijn deze gegevens, als bedoeld

in artikel 8 van de Wet politiegegevens, raadpleegbaar voor politiemedewerkers binnen

het korps Nationale Politie met taken binnen de dagelijkse politiezorg, de recherche en

de informatie-organisatie. Via de Infodesk zijn deze gegevens opvraagbaar voor de

Koninklijke Marechaussee en de 4 Bijzondere Opsporingsdiensten bij de ministeries,

waaronder de FIOD en de SIOD.”

9. Ter zitting van 21 april 2015 is door verweerder meegedeeld dat de gegevens in het systeem BHV mogen worden geraadpleegd binnen het zogenaamde politiedomein en dat dergelijke raadplegingen niet hoeven te worden vastgelegd en feitelijk ook niet worden vastgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat er geen gegevens zijn waaruit blijkt wie binnen het politiedomein de gegevens over de huiszoeking in het systeem BHV heeft geraadpleegd.

10. Ter zitting van 21 april 2015 kon verweerder geen uitsluitsel geven over de vraag of het opvragen van gegevens via de Infodesk wordt geregistreerd.

In de beslissing tot schorsing van het onderzoek ter zitting van 21 april 2015 heeft de rechtbank bepaald dat verweerder bij de Infodesk zal nagaan of aldaar geregistreerd is of ten aanzien van de huiszoeking de politiegegevens van eiser zijn opgevraagd en indien dit het geval is, een aanvullend besluit zal nemen over het al dan niet verstrekken van die registratie.

Verweerder heeft op pagina 7 van het aanvullend verweer van 19 mei 2015 zijn bevindingen weergegeven. Bij brief van 29 september 2015 heeft de rechtbank hierover vragen gesteld aan verweerder, die verweerder bij brief van 28 oktober 2015 heeft beantwoord.

De rechtbank is van oordeel dat uit het aanvullend verweer van 19 mei 2015 en de brief 28 oktober 2015 voldoende blijkt dat verweerder zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de vraag of bij de Infodesk registraties hebben plaatsgevonden over verstrekking van gegevens over de huiszoeking aan de Koninklijke Marechaussee, de vier bijzondere opsporingsdiensten, of derden. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van verweerder dat dergelijke registraties niet zijn aangetroffen.

Onderzoek DIAS

11. Bij besluit van 2 mei 2013 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van de politiegegevens die over hem zijn geregistreerd met betrekking tot het rechercheonderzoek DIAS/Aquarius 2006/2007. Deze gegevens omvatten – volgens opgave van verweerder – 629 pagina’s en bestaan uit aangiften, notariële akten, kadastergegevens, correspondentie, aantekeningen, verslagen en dergelijke. Politiegegevens van derden zijn vertrouwelijk op grond van artikel 7 van de Wpg en zijn zoveel als nodig weggelaten/geanonimiseerd ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Bij het besluit van 2 mei 2013 heeft verweerder voorts geweigerd om politiegegevens met betrekking tot eiser te verstrekken, waarvan de kennisneming nadeel voor de politietaak, te weten het opsporingsbelang, kan opleveren. Deze gegevens omvatten journaals, schema’s, projectdocumenten met risico’s/hypothesen/tactische mogelijkheden, overzichten, processen-verbaal CIE-gegevens en dergelijke. De kennisneming hiervan zou volgens verweerder zodanig veel prijs geven van informatiepositie, opsporingstactiek en operationele risico’s, dat de opsporingstaak van de politie hierdoor kan worden belemmerd.

Toepassing artikel 8:29 van de Awb

12. Bij brief van 30 april 2014 heeft verweerder twee klappers met de ongeschoonde versie van de onder 12 genoemde 629 pagina’s aan de rechtbank overgelegd en meegedeeld dat alleen de rechtbank van deze ongeschoonde versie kennis mag nemen. Deze twee klappers zijn door de rechtbank genummerd als gedingstuk A47.

Bij separate brief van 30 april 2014 heeft verweerder stukken overgelegd waarover in het besluit van 2 mei 2013 is beslist dat eiser daarvan geen kennis mag nemen in verband met het opsporingsbelang. Verweerder heeft meegedeeld dat alleen de rechtbank van deze stukken kennis mag nemen. Deze stukken zijn door de rechtbank genummerd als gedingstuk A44.

De rechtbank heeft op 4 september 2014 beslist dat beperking van de kennisneming van de gedingstukken A44 en A47 gerechtvaardigd is. Bij brief van 16 september 2014 heeft eiser toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

De twee klappers met stukken, A47

13. Ter zitting is gebleken dat het beroep van eiser niet is gericht tegen het besluit van verweerder om eiser inzage te geven in een geschoonde versie van deze stukken, waarbij de namen van derden zijn weggelaten.

De geweigerde stukken, A44

14. De geweigerde stukken betreffen 21 stukken. In productie 19 bij het aanvullend verweer van 19 mei 2015 heeft verweerder de inventarislijst van de 21 stukken opgenomen (hierna: de inventarislijst), en per stuk vermeld wat de weigeringsgronden zijn, of een heroverweging per mei 2013 (“ex tunc”) ertoe leidt dat stukken alsnog worden verstrekt, en of de beoordeling per mei 2015 (“ex nunc”) ertoe leidt dat alsnog stukken worden verstrekt. Verweerder heeft op basis van de heroverweging ex tunc de stukken 7, 12, 17 en 21 van de inventarislijst alsnog geanonimiseerd (stukken 7, 12 en 17) dan wel samengevat (stuk 21) verstrekt. De geanonimiseerde versies van de stukken 7, 12 en 17 zijn als producties 20, 21 en 22 bij het aanvullend verweer van 19 mei 2015 overgelegd.

15. Eiser heeft in het beroepschrift van 5 mei 2013, ter zitting van 21 april 2015 en in de aanvullende beroepschriften van 19 juni 2015 en 7 juli 2015 uitgebreid betoogd dat het onderzoek DIAS/Aquarius onrechtmatig was, dat de politie onjuiste gegevens heeft geregistreerd en verwerkt, dat de verwerking van gegevens in strijd met de Wpg en dus onrechtmatig was, dat de gegevens al verwijderd en/of vernietigd hadden moeten zijn, en dat verweerder ten onrechte nog steeds gegevens over eiser verwerkt. Eiser heeft gesteld dat voor hem de schadelijke gevolgen groot zijn. Ook heeft eiser gesteld dat het onderzoek DIAS/Aquarius is gesloten en dat er dus geen opsporingsbelang meer is.

16. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de artikelen 25 en 27 van de Wpg, in de onderhavige procedure ter beoordeling uitsluitend voorligt de vraag of het onthouden van kennisneming van de politiegegevens die over eiser zijn vastgelegd, te weten de 21 stukken in de inventarislijst, noodzakelijk is in het licht van de in laatstgenoemd artikel vermelde belangen.

De vraag of het onderzoek DIAS/Aquarius onrechtmatig was, of de vastgelegde gegevens juist zijn, of de verwerking van de gegevens in strijd met de Wpg en dus onrechtmatig was, en of de gegevens al verwijderd en/of vernietigd hadden moeten zijn, gaan derhalve buiten het geschil om. Al hetgeen eiser in dat verband heeft aangevoerd treft geen doel.

17. Met betrekking tot de geanonimiseerd verstrekte stukken 7, 12 en 17 en het samengevat weergegeven stuk 21 van de inventarislijst overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de inventarislijst blijkt dat gegevens in de stukken 7, 12 en 17 niet zijn verstrekt in verband met de bescherming van de informatiepositie van de politie ten behoeve van het (toekomstig) opsporingsbelang (artikel 27, eerste lid, onder a van de Wpg), en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden (artikel 27, eerste lid, onder b van de Wpg).

Uit de inventarislijst blijkt dat gegevens in stuk 21 niet zijn verstrekt in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden (artikel 27, eerste lid, onder b van de Wpg).

Na kennisneming van de ongeschoonde stukken 7, 12 en 17, en van stuk 21 is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de goede uitvoering van de politietaak en de bescherming van de rechten van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van derden het onthouden van kennisneming noodzakelijk maakt.

18. Met betrekking tot de stukken 10, 15 en 19 van de inventarislijst overweegt de rechtbank het volgende.

Eiser beschikt reeds over deze stukken.

De stukken 10 en 19 heeft eiser overgelegd bij zijn brief van 1 mei 2015.

Stuk 15 bestaat uit 3 pagina’s. De eerste twee pagina’s heeft eiser overgelegd bij zijn beroepschrift van 5 mei 2013. De derde pagina heeft eiser overgelegd bij zijn brief van 1 mei 2015.

Uit de stukken blijkt dat eiser zijn verzoek van 18 januari 2013 heeft ingediend om de gevraagde gegevens te verkrijgen. Aangezien eiser inmiddels over de stukken 10, 15 en 19 beschikt behoeven de redenen die verweerder heeft gegeven voor het onthouden van deze stukken en de beroepsgronden van eiser daartegen geen bespreking meer.

19. Met betrekking tot de stukken van de inventarislijst met uitzondering van de hiervoor onder de nummers 17 en 18 besproken stukken overweegt de rechtbank het volgende.

Het betreft 14 stukken die door verweerder niet zijn verstrekt.

Verweerder heeft in de inventarislijst bij ieder stuk de weigeringsgrond(en) aangegeven. Bij veel van de stukken heeft verweerder het (toekomstig) opsporingsbelang genoemd, de bescherming van de informatiepositie van de politie, en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden. Bij een aantal stukken heeft verweerder als opsporingsbelang ook de bescherming van strategie en tactieken genoemd.

Bij enkele stukken heeft verweerder nog een nadere toelichting gegeven. Bij stuk 3 heeft verweerder met betrekking tot de bescherming van de informatiepositie en de tactiek van de politie vermeld dat eiser door kennisneming van het stuk kan vaststellen hoe smal of breed de politie de kring van personen beoordeelt die de politie tot de invloedssfeer van eiser rekent en dat eiser daarop zou kunnen acteren (benaderen, vermijden, contact verhullen, etc. bij nieuwe activiteiten). Bij stuk 1 en stuk 3 heeft verweerder met betrekking tot de bescherming van de belangen van derden vermeld dat voorkomen moet worden dat personen aan de hand van deze politiegegevens direct of indirect herleidbaar zijn en benaderd gaan worden, respectievelijk dat deelnemers aan mailverkeer met de politie er op moeten kunnen vertrouwen dat deze correspondentie enkel wordt gebruikt voor de goede uitvoering van de politietaak en met bescherming van hun persoonlijke levenssfeer.

Na kennisneming van stukken van de inventarislijst die niet reeds hiervoor onder de nummers 17 en 18 zijn besproken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de goede uitvoering van de politietaak en de bescherming van de rechten van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van derden het onthouden van kennisneming noodzakelijk maakt.

Overige beroepsgronden

20. In het beroepschrift van 19 maart 2013 heeft eiser – samengevat – aangevoerd dat de weigering om de gevraagde gegevens te verstrekken in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en de artikelen 12 tot en met 15 van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (hierna: de Richtlijn).

In de aanvullende gronden van 19 juni 2015 heeft eiser dit standpunt nader toegelicht en voorts aangevoerd dat de weigering in strijd is met artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 39 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met diverse artikelen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en heeft eiser een anticiperend beroep gedaan op het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (hierna: COM(2012)10).

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Gelet op artikel 3 van de Richtlijn is deze richtlijn niet van toepassing op de gegevens waarop het verzoek van eiser ziet. Deze beroepsgrond treft geen doel.

De COM(2012)10 betreft een voorstel voor een richtlijn. Uit het gestelde in het aanvullend beroepschrift van 19 juni 2015 onder nummer 40 begrijpt de rechtbank dat eiser een beroep op dit voorstel doet ter onderbouwing van zijn stelling dat onjuiste gegevens zijn vastgelegd of dat de vastlegging van gegevens onrechtmatig is. Zoals hiervoor onder 16 reeds overwogen treft deze beroepsgrond geen doel. Bovendien ziet de rechtbank geen reden voor anticiperende toepassing van dit voorstel.

In de uitspraak van 30 januari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BY9912) heeft de Afdeling overwogen dat uit artikel 8, tweede lid, van het EVRM voortvloeit dat het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer niet absoluut van aard is, maar kan worden beperkt, als dit in een democratische rechtsorde noodzakelijk is, in het belang van onder andere de bestrijding van strafbare feiten, en dat in artikel 27 van de Wpg op rechtmatige wijze van deze beperkingsmogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Gelet hierop slaagt het betoog van eiser dat de weigering in strijd met artikel 8 van het EVRM is niet.

Om dezelfde reden slaagt ook het betoog dat de weigering in strijd is met diverse regels van het recht van de Europese Unie niet.

21. Ten aanzien van het betoog van eiser dat verweerder bij het besluit tot weigering van de gegevens geen rekening heeft gehouden met het belang van eiser overweegt de rechtbank dat artikel 27, eerste lid, van de Wpg geen ruimte biedt voor een belangenafweging. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015, ECLI:RVS:2015:224.

Verzoek om getuigen te horen

22. Bij brief van 7 juli 2015 heeft eiser aan de rechtbank verzocht om vier personen als getuigen te horen. Uit de onderbouwing van het verzoek begrijpt de rechtbank dat eiser deze personen wil horen om te onderbouwen dat onjuiste gegevens zijn vastgelegd, dat vastlegging van gegevens onrechtmatig is, dat op basis van die onjuiste en onterecht vastgelegde gegevens is doorgerechercheerd. Zoals hiervoor onder nummer 16 reeds overwogen zijn deze vragen in het kader van de beoordeling van het onderhavige beroep niet aan de orde, en is het dus niet nodig hierover getuigen te horen.

Wat betreft het verzoek om officier van justitie L. Grooters te horen heeft eiser gesteld dat Grooters verschillende keren heeft bevestigd dat het onderzoek DIAS/Aquarius geen enkele rol meer kan spelen en dat het een afgesloten onderzoek betreft. In de aanvullende gronden van 19 juni 2015 heeft eiser gesteld dat eiser opnieuw als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek is aangemerkt, en dat de zaaksofficier Grooters op vrijdag 20 februari 2015 heeft aangegeven dat het onderzoek geen enkel verband houdt met de zaak die eerder na een artikel 12 Wetboek van Strafvordering-procedure is geëindigd. De rechtbank gaat er van uit dat met deze laatste zaak het onderzoek DIAS/Aquarius wordt bedoeld.

Uit de stukken blijkt dat verweerder niet bestrijdt dat het onderzoek DIAS/Aquarius een afgesloten onderzoek is, maar dat dit volgens verweerder niet wegneemt dat bepaalde gegevens het (toekomstig) opsporingsbelang dienen. De rechtbank ziet niet in dat het horen van Grooters over hetgeen zij volgens eiser heeft meegedeeld van belang kan zijn voor de beoordeling van de onderhavige zaak. De aspecten die eiser in verband met Grooters heeft genoemd zien veeleer op de vraag of is doorgerechercheerd op basis van gegevens die in het kader van het onderzoek DIAS/Aquarius zijn verzameld. Die vraag is in deze zaak niet aan de orde.

De rechtbank ziet gelet op het vorenstaande geen aanleiding om het verzoek tot het horen van de getuigen toe te wijzen.

Conclusie

23. Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

24. De rechtbank verwijst naar nummer 14. Verweerder heeft op basis van de heroverweging ex tunc alsnog enkele stukken verstrekt. Dat betekent dat verweerder deels aan het beroep van eiser in de zaak met zaaknummer AWB 13/2773 tegemoet is gekomen. De rechtbank ziet hierin aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn door de rechtbank vastgesteld op € 490 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor de zitting, wegingsfactor 1, waarde € 490 per punt). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 490.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, mr. J.J. Penning en mr. R. Schutgens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Nikkels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.