Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:8042

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
05/840754-15, 05/076308-15 (ter zitting gevoegd) en 05/119741-15 (ter zitting gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte in verband met bedreiging van twee personen, verboden wapenbezit, bezit van een kleine hoeveelheid wiet en diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee weken met als bijzondere voorwaarde dat hij zich dient te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dat behandeling inhoudt, alsmede een werkstraf van in totaal 50 uren en betaling van immateriële schade aan één van de slachtoffers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

Parketnummers: 05/840754-15, 05/076308-15 (ter zitting gevoegd) en 05/119741-15 (ter zitting gevoegd)

Uitspraak d.d.: 22 december 2015

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres 1] .

Raadsman mr. M.A.D. Kok te Ermelo.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren op de terechtzitting van 8 december 2015.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

05 840754-15

hij, op of omstreeks 14 juli 2015, te Apeldoorn, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van enig geldbedrag,

geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond aan en/of gericht op

voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , waarbij hij, verdachte, zijn gelaat

(gedeeltelijk) met kleding bedekt hield en/of

- ( vervolgens) (daarbij) tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft

geroepen: "Hier komen en (jullie) geld geven, anders schiet ik jullie kapot"

en/of "Geef geld" en/of "Ik maak je dood, ik wil je geld hebben", althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- ( vervolgens) met dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht op

voornoemde [slachtoffer 2] afgelopen is en/of

- ( vervolgens) tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft geroepen: "Kom hier met je

geld. Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking en/of

- ( vervolgens) een of meermalen, met dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

uit heeft gehaald naar die [slachtoffer 2] waarbij die [slachtoffer 2] ten minste eenmaal

op/tegen zijn arm werd geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij, op of omstreeks 14 juli 2015, te Apeldoorn, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp getoond aan en/of gericht naar/tegen voornoemde [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] gericht en/of tegen, althans in de richting van die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] geroepen: "Hier komen en jullie geld geven, anders schiet ik

jullie kapot" en/of "Geef geld" en/of "Ik maak je dood, ik wil je geld

hebben", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

05 076308-15

1.

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2015 tot en met 23 februari

2015

te [woonplaats] , althans in de gemeente Epe

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand, gelegen aan de

[adres 2] heeft weggenomen wapens, waaronder een gas/alarmpistool (Walther)

en/of diverse munitie/patronen en/of een boksbeugel, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of

een valse sleutel;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2015 tot en met 24 februari 2015

in de gemeente Apeldoorn

een of meer wapens van categorie III, te weten een gas/alarmpistool (Walther

P99), en/of munitie van categorie II, te weten 35 stuks patronen (Fiocchi)

en/of 50 stuks patronen (Umarex), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2015 tot en met 24 februari 2015

in de gemeente Apeldoorn

een of meer wapens van categorie II, te weten een stroomstootwapen (type

dragon-fire) en/of een magazijn van een militair vuurwapen (Diemaco),

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2015 tot en met 24 februari

2015

in de gemeente Apeldoorn

een of meer wapens van categorie I, onder 3, te weten een boksbeugel,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

05 119741-15

1.

hij op of omstreeks 8 mei 2015 te [woonplaats] , gemeente Epe met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 250 euro, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 8 mei tot en met 15 mei 2015 te [woonplaats] ,

gemeente Epe aanwezig heeft gehad ongeveer 5 gram, in elk geval een

hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 05/840754-15 primair ten laste gelegde feit.

De officier van justitie heeft voorts gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 05/840754-15 subsidiair ten laste gelegde feit, alsmede van de onder 05/076308-15 onder 1 (met uitzondering van braak of verbreking), 2, 3 en 4 en de onder 05/119741-15 ten laste gelegde feiten.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie aangegeven welke bewijsmiddelen daartoe per feit voorhanden zijn.

B. Standpunt van de verdediging

Door de raadsman is, zakelijk weergegeven, het volgende bepleit.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 05/840754-15 ten laste gelegde feiten. Hiertoe is het volgende naar voren gebracht.
Met betrekking tot het primair ten laste gelegde: verdachte heeft geen opzet gehad op het afhandig maken van geld. Het wilde aangever slechts bang maken. Vanuit het perspectief van verdachte was het een grap, hetgeen ook is verklaard door [getuige 1] en [getuige 2] . Los daarvan is sprake van vrijwillige terugtred.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde: verdachte houdt vol niet met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te hebben gedreigd, niet te hebben geroepen dat hij geld wilde of iemand zou doodmaken. Aangever [slachtoffer 2] heeft ook bij de politie aangegeven zich niet bedreigd te hebben gevoeld. Ook geven [getuige 1] en [getuige 2] aan dat het om een grap ging. Bedreiging kan dan ook niet bewezen worden verklaard.

Verdachte dient ook te worden vrijgesproken van het onder 05/119741-15 onder 2 ten laste gelegde, nu niet uit onderzoek is gebleken dat sprake is van hennep in de zin van de Opiumwet.

Met betrekking tot de onder 05/076308-15 onder 1 ten laste gelegde is aangevoerd dat geen sprake is geweest van braak/verbreking of inklimming, alsmede dat het in vereniging plegen niet bewezen kan worden verklaard. Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde voorhanden hebben van een stroomstootwapen wordt vrijspraak bepleit, nu het de vraag is of sprake is geweest van een strafbaar feit, aangezien het stroomstootwapen kapot was en niet geschikt om iemand pijn mee te doen.

C. Beoordeling door de rechtbank

Met betrekking tot het onder 05/840754-15 primair ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig is voor de opzet van verdachte op het dwingen van aangevers geld aan hem af te geven. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit punt, te weten dat het zijn bedoeling was aangevers angst aan te jagen om hen weg te jagen van het terrein, geloofwaardig.

Met betrekking tot de onder 05/076308-15 onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten merkt de rechtbank op dat ten laste is gelegd dat verdachte het gas/alarmpistool (Walther P99) en de munitie (Fiocchi patronen en Umarex patronen) - feit 2, alsmede een boksbeugel - feit 4 - voorhanden heeft gehad in Apeldoorn. Deze wapens en munitie zijn echter aangetroffen op de slaapkamer van verdachte bij zijn moeder te [woonplaats] . De pleegplaats Apeldoorn kan dan ook niet bewezen worden verklaard.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van deze feiten.

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig én overtuigend bewijs aanwezig is voor het onder 05/840754-15 subsidiair ten laste gelegde, alsmede voor het onder 05/075308-15 onder 1 en 3 en onder 05/119741-15 onder 1 en 2 tenlastegelegde. Waarbij de rechtbank met betrekking tot het voorhanden hebben van een magazijn van een militair vuurwapen (05/076308-15, feit 3) van oordeel is dat dit onderdeel niet bewezen kan worden verklaard, aangezien de tenlastelegging als pleegplaats Apeldoorn noemt, terwijl dit magazijn in [woonplaats] in beslaggenomen is.

Aangezien verdachte het onder 05/119741-15 als feit 1 ten laste gelegde feit duidelijk en ondubbelzinnig ter terechtzitting heeft bekend, is hierna met betrekking tot deze feiten volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht voor haar bewijsoordelen de volgende bewijsmiddelen redengevend.

05 840754-15 subsidiair:

Door [getuige 2] [slachtoffer 1] is aangifte gedaan. Hij heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij op 14 juli 2015 te Apeldoorn was. Hij was met [slachtoffer 2] [slachtoffer 2] naar een soort hangplek aan de Hogekampweg gefietst. Daar waren ook [getuige 2] en [getuige 1] . Er kwam een jongen aanlopen. Hij had een op een pistool gelijkend voorwerp in zijn hand. De jongen zei ‘ik wil geld! Honderd euro wil ik!’. De jongen richtte het pistool niet op iemand in het bijzonder, maar wees hem op hen allemaal1. Dat en de manier waarop hij sprak kwam erg dreigend over. [getuige 2] en [getuige 1] zeiden ‘het is [verdachte] ’. [verdachte] is de enige [verdachte] die zij kennen. Het pistool leek echt. [getuige 1] appte naderhand dat het een grap was geweest. Aangever geloofde dat niet, hij voelde zich ernstig bedreigd door de situatie2.

Door [slachtoffer 2] [slachtoffer 2] is aangifte gedaan. Hij heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij op 14 juli 2015 in Apeldoorn was met [getuige 2] [slachtoffer 1] , [getuige 1] en [getuige 2] . Er kwam een jongen aanlopen. De jongen riep ‘hier komen en geld geven anders schiet ik jullie kapot’. Hij had een pistool in zijn rechterhand dat hij op aangever richtte en op de andere jongens. Het was een zwart, best groot pistool.3 Daarna kwam de jongen op aangever afgelopen met het pistool nog in zijn hand, op aangever gericht. De jongen begon aangever te duwen en zei dingen als ‘kom hier met je geld. Ik maak je dood’. Aangever vond dat het pistool er echt uitzag. Hij weet bijna zeker dat de jongen [verdachte] heet met als achternaam iets als [verdachte]4.

Door [getuige 1] is, zakelijk weergeven, verklaard dat hij op 14 juli 2015 met [slachtoffer 2] , [getuige 2] en een andere [getuige 2] in Apeldoorn was. [verdachte] [verdachte] (fonetisch) kwam aanlopen5. [verdachte] stak een pistool door het hek en bewoog dit heen en weer gericht op de

jongens. Hij stond op twee/drie meter afstand. Hij zei ongeveer drie keer ‘geef geld’. Even later stond [verdachte] binnen de hekken. Hij stond weer te zwaaien met het pistool in de richting van iedereen. [verdachte] liep naar [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] rende weg. [verdachte] stond bij [slachtoffer 2] en hield zijn pistool op [slachtoffer 2] gericht. [verdachte] zei ‘ik maak je dood kankermongool’ en zei meerdere keren tegen [slachtoffer 2] ‘geef geld”. [getuige 1] wist dat het om een balletjespistool ging, het lijkt sprekend op een echt pistool. [getuige 1] zegt nog steeds te twijfelen of het een geintje van [verdachte] was. [getuige 1] kan het goed begrijpen als [slachtoffer 2] het niet als geintje heeft ervaren. De andere jongens dachten waarschijnlijk dat het een echt pistool was6.

Door Angelica Gravendijk, de moeder van [getuige 2] [slachtoffer 1] , is, zakelijk weergegeven, over het incident verklaard dat [getuige 2] uit angst is gevlucht. Zijn vriendje [slachtoffer 2] is ook bedreigd en is naar het huis van [getuige 2] gekomen. [slachtoffer 2] was in paniek, omdat hij was bedreigd. [getuige 2] heeft het zeker niet als grapje ervaren en [slachtoffer 2] is bang voor represailles van verdachte7.

Door verdachte is, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij op 14 juli 2015 in Apeldoorn was met [getuige 2] en [getuige 1] [getuige 1] . Twee mensen kwamen erbij, één ervan heette [slachtoffer 2] . Zij waren niet welkom en verdachte heeft ze, wel wat agressief, weggejaagd. Hij heeft met stemverheffing gesproken en met een speelgoedpistooltje naar hen gewezen8.

05 075308-15:

Feit 1:

Door [slachtoffer 3] is, zakelijk weergegeven, verklaard dat uit een pand gelegen aan de [adres 2] te [woonplaats] onder andere de volgende hem toebehorende goederen zijn weggenomen9: een nepwapen, knalpatronen en een boksbeugel. Hij herkent het wapen, de schietbeker en de knalpatronen op de hem getoonde fotobladen als de zijne.10 Door [slachtoffer 3] is later aangifte gedaan van diefstal van deze goederen, gepleegd tussen 20 februari 2015 en 23 februari 201511.

Door verdachte is, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij met zijn broer [naam 1] een groot leegstaand pand vlakbij camping de Zandhegge te [woonplaats] is binnengegaan. Opeens zag verdachte het pistool liggen. Het ging om een Walter P9912. Hij heeft het meegenomen omdat hij het mooi vond. Hij zag dat er patronen in het magazijn zaten. De op zijn kamer aangetroffen vuurwerkpatronen lagen ook bij het wapen13. De op zijn kamer aangetroffen boksbeugel heeft verdachte in hetzelfde huis gevonden14. Door verdachte is later verklaard dat dit feit had plaatsgevonden op 23 februari 201515.

Feit 3:
Uit een kennisgeving van inbeslagneming blijkt dat verdachte een taser (Dragon-fire) ter inbeslagneming heeft ingeleverd16.

Door verdachte is over deze taser, zakelijk weergegeven, verklaard dat deze bij zijn vader in Apeldoorn zou liggen17.

Uit een proces-verbaal onderzoek wapen blijkt, zakelijk weergegeven, met betrekking tot het door verdachte ingeleverde stroomstoopwapen dat het gaat om een Dragon-fire, een kapotte taser. Dit is een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie II onder 5 van de WWM18.

05 119741-15:

Feit 1:

- de aangifte en klacht door [slachtoffer 4] ;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Feit 2:

Door de moeder van verdachte, [slachtoffer 4], is zakelijk weergegeven verklaard dat zij op 11 mei 2015 op de kamer van verdachte in haar woning te [woonplaats] onder andere diverse zakjes met wiet heeft aangetroffen. Deze zakjes heeft zij aan de politie overhandigd.

Verdachte heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat het klopt dat hij een gripzakje van 5 gram wiet op zijn kamer had. Hij had deze wiet gewoon gekocht.

Uit een kennisgeving van inbeslagneming blijkt, zakelijk weergegeven, dat, naar aanleiding van het vinden van softdrugs door [slachtoffer 4] , op de slaapkamer van verdachte, onder andere een gripzakje met 5 gram wiet in beslaggenomen is.

Het verweer van de raadsman dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat sprake is van hennep in de zin van de Opiumwet wordt verworpen.

Uit het dossier blijkt dat verschillende zakjes, aangetroffen op de kamer van verdachte, in beslag genomen zijn. Het gaat om 1 zakje met 11,7 gram vermoedelijk hennep, 1 zak hennepafval en 1 gripzakje met 5 gram wiet. De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de eerste twee zakjes niet kan worden vastgesteld of het om hennep in de zin van de Opiumwet gaat.
Het aanwezig hebben van 5 gram hennep (te weten de inhoud van het gripzakje wiet van 5 gram) kan naar het oordeel van de rechtbank wel bewezen worden verklaard. De rechtbank acht hiervoor voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig door de bekennende verklaring van verdachte, die vaker wiet kocht en gebruikte en derhalve kennis van zaken heeft en de kennisgeving van inbeslagneming door politie van het genoemde gripzakje van 5 gram, waarbij door de verbalisanten wordt geconstateerd dat het hier om wiet gaat.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

05 840754-15 subsidiair:

hij, op 14 juli 2015, te Apeldoorn, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond aan en/of gericht naar/tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gericht en tegen, althans in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] geroepen: "Hier komen en jullie geld geven, anders schiet ik

jullie kapot" en/of "Geef geld" en/of "Ik maak je dood, ik wil je geld

hebben", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

05 076308-15

1.

hij op 23 februari 2015 te [woonplaats] , althans in de gemeente Epe met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand, gelegen aan de

[adres 2] heeft weggenomen wapens, waaronder een gas/alarmpistool (Walther)

en diverse munitie/patronen en een boksbeugel, toebehorende aan [slachtoffer 3] ;

3.

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2015 tot en met 24 februari 2015

in de gemeente Apeldoorn een wapen van categorie II, te weten een stroomstootwapen (type

dragon-fire) voorhanden heeft gehad;

05 119741-15

1.

hij op 8 mei 2015 te [woonplaats] , gemeente Epe met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 250 euro toebehorende aan [slachtoffer 4] ;

2.

hij in of omstreeks de periode van 8 mei tot en met 15 mei 2015 te [woonplaats] ,

gemeente Epe aanwezig heeft gehad ongeveer 5 gram hennep, zijnde hennep een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

05/840754-15 subsidiair: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,
meermalen gepleegd;

05 076308-15:

1: diefstal;

3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

05 119741-15:

1: diefstal;

2: handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte met betrekking tot de overtreding, ten laste gelegd onder 05/119741-15, feit 2 te veroordelen tot een werkstraf van 10 uur, subsidiair 5 dagen jeugddetentie en met betrekking tot de overige feiten te veroordelen tot een voorwaardelijke jeugddetentie van twee weken met een proeftijd van twee jaren en de voorwaarden genoemd in het rapport van de jeugdreclassering en daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen jeugddetentie.

De raadsman heeft zich met betrekking tot de strafmaat gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal ernstige feiten, die ook veel indruk maken op de betrokkenen. Met name de bedreiging van aangevers [slachtoffer 1] en Van [slachtoffer 2] heeft grote indruk gemaakt, hetgeen ook blijkt uit hun verklaringen. [slachtoffer 1] geeft in zijn aangifte aan dat hij zich door de situatie ernstig bedreigd voelde en Van [slachtoffer 2] is in paniek aangekomen bij de moeder van [getuige 2] [slachtoffer 1] en geeft in de toelichting op zijn schadevordering aan dat hij nog steeds bang is verdachte tegen te komen en dat het bedreigd worden met een vuurwapen ‘out of the blue’ hem niet in de koude kleren is gaan zitten. Daarnaast vergroot een dergelijk feit ook de gevoelens van onveiligheid bij de omstanders en anderen die er later kennis van nemen. Ook het stelen van geld van zijn moeder en het voorhanden hebben van een wapen en verdovende middelen in huis heeft uiteraard impact op zijn moeder en de andere familieleden. De diefstal uit de leegstaande woning zorgt voor ongemak bij de benadeelde en getuigt van weinig respect voor de eigendommen van anderen.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het rapport d.d. 23 november 2015 van S.L. Ladan, GZ-psycholoog. Hieruit blijkt, zakelijk weergegeven, het volgende. Verdachte heeft sinds een jaar behandelcontact bij Accare, kinder- en jeugdpsychiatrie. De van daaruit gevolgde PMT en cognitieve gedragstherapie zijn niet aangeslagen. Ouders hebben geen vertrouwen in de hulp door Accare. Het contact met Tactus, naar aanleiding van wietgebruik door verdachte, verliep eveneens niet naar tevredenheid. Vanaf dat verdachte 11 jaar oud was, is in toenemende mate sprake geweest van incidenten waarbij verdachte spullen vernielt, pogingen tot inbraak doet, liegt en geld steelt. Verdachte is altijd al gefascineerd geweest door wapens. De moeder van verdachte geeft aan aan haar taks te zitten.

Er is bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een zwakbegaafd intelligentieniveau naast een matig ernstige gedragsstoornis en cannabisgebruik. Dit uit zich in minder overzicht hebben op de wereld om heem heen, minder zicht hebben op de gevolgen van zijn gedrag en een traag niveau. Daarnaast uit het zich onder andere in gedragsproblemen, weinig empathie tonen, onvoldoende beklijven van straf/regels, spijbelen, geld stelen van ouders, omgang met criminele jongeren, cannabismisbruik en mogelijk dealen in cannabis, grensoverschrijdend gedrag. Zonder ingrijpen ligt het in de lijn der verwachting dat de gedragsstoornis zich zal ontwikkelen tot een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De gebrekkige ontwikkeling heeft een rol gehad in het tenlastegelegde. Verdachte is sterk externaliserend, wat deels ligt in lage intelligentie, maar ook in lacunaire gewetensontwikkeling en nog kinderlijke sociaal emotionele ontwikkeling, waarbij eigen behoeftebevrediging voorop staat. Geadviseerd wordt bij bewezenverklaring verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De kans op gewelddadige recidive wordt als hoog ingeschat. Geadviseerd wordt een multi systeem therapie (MST) behandeling op te leggen via Traverse of een soortgelijke instelling. Daarnaast voortdurende begeleiding van de jeugdreclassering met het advies random urinecontroles. Dit alles binnen een voorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog, te weten dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht, over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank heeft ook meegewogen de inhoud van het rapport d.d. 2 december 2015 van de jeugdreclassering, waaruit, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren komt.

Verdachte heeft zich aan afspraken met jeugdreclassering gehouden. Hij heeft zich daarentegen niet aan alle afspraken met ouders gehouden. De ontwikkeling van verdachte is zeer zorgelijk. Het is van groot belang dat hij behandeling krijgt voor zijn gedragsproblemen. Eerder ingezette psychomotore therapie, medicamenteuze ondersteuning en cognitieve gedragstherapie hebben geen resultaat gehad. Het is van belang dat er een lik op stuk beleid gehanteerd wordt, waarbij verdachte de consequenties van zijn gedrag zal gaan ervaren. Geadviseerd wordt bij bewezenverklaring een deels onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijk deel: meewerken aan de afspraken van de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering dat nodig acht, ook als dat inhoudt meewerken aan behandeling in de vorm van MST via Traverse of een soortgelijke instelling. Wat betreft de problemen rondom drugsgebruik is het advies dat verdachte deelneemt aan urinecontroles c.q. behandeling door Tactus Verslavingzorg.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft aangegeven zich aan te sluiten bij het advies van de jeugdreclassering.

De rechtbank houdt rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en zijn nog jonge leeftijd en weegt voorts ten voordele van verdachte rekening mee dat hij, blijkens een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 6 december 2015, niet eerder is veroordeeld.

Alles overwegende komt de rechtbank tot de oplegging van een jeugddetentie van twee weken. De rechtbank zal deze jeugddetentie voorwaardelijk opleggen, om verdachte te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten meer pleegt. Aan deze voorwaardelijke straf zullen als voorwaarden worden gekoppeld meewerken aan de afspraken van de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering dat nodig acht, ook als dat inhoudt meewerken aan behandeling in de vorm van MST via Traverse of een soortgelijke instelling, alsmede deelnemen aan behandeling door Tactus Verslavingszorg en het deelnemen aan urinecontroles. De proeftijd zal worden gesteld op twee jaren.

Daarnaast zal de rechtbank een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Voor het voorhanden hebben van hennep, een overtreding ten laste gelegd onder parketnummer 05/076308-15, zal de rechtbank een werkstraf van 10 uren, subsidiair 5 dagen jeugddetentie, opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] (gemachtigde [naam 2] ) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 180,95 gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het onder 05/840754-15 tenlastegelegde.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de schade aan de fiets door verdachte zou zijn veroorzaakt.

De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu niet kan worden vastgesteld dat de door de benadeelde partij opgevoerde schade is geleden als gevolg van de bewezen verklaarde handelingen van verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] (gemachtigde F. [slachtoffer 2] ) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 1.000,- (immateriële schade) gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het onder 05/840754-15 tenlastegelegde.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu uit de verklaringen van aangever niet blijkt dat hij zich bedreigd heeft gevoeld. Subsidiair is aangevoerd dat het bedrag dient te worden gematigd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 05/840754-15 subsidiair bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 150,-., gelet op hetgeen wordt toegewezen in gelijksoortige zaken. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van [slachtoffer 2] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 27, 36f, 62, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 91, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht,

de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie en

de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 05/840754-15 primair en onder 05/076308-15 als feiten 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het onder 05/840754-15 subsidiair, onder 05/076308-15 1 en 3, alsmede het onder 05/119741-15, 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

05/840754-15 subsidiair: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,
meermalen gepleegd;

05 076308-15:

1: diefstal;

3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

05 119741-15:

1: diefstal;

2: handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 05/840754-15 subsidiair, 05/076308-15 onder 1 en 3 en 05/119741-15 onder 1 bewezen verklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) weken;

 bepaalt, dat de jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene- dan wel bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

 legt als algemene voorwaarden op dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in art. 77aa, eerste tot en met vierde lid, Wetboek van Strafrecht, uit te voeren door Jeugdbescherming Gelderland, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 legt als bijzondere voorwaarden op dat de veroordeelde:

- zich houdt aan de afspraken en aanwijzingen die hem door genoemde reclasseringsinstantie worden gegeven, zolang deze instantie dit nodig acht, ook als dit zou inhouden:

 meewerken aan behandeling in de vorm van MST via Traverse of een soortgelijke instelling;

 meewerken aan urinecontroles en behandeling door Tactus Verslavingszorg;

  • -

    waarbij Jeugdbescherming Gelderland, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 05/840754-15 subsidiair, 05/076308-15 onder 1 en 3 en 05/119741-15 onder 1 bewezen verklaarde tot het verrichten van een werkstraf gedurende 40 (veertig) uren;

 beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van 05/119741-15, feit 2 tot een werkstraf gedurende 10 (tien) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van 05/840754-15 subsidiair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (gemachtigde F. [slachtoffer 2] ), van een bedrag van 150,- (honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [voorletters] [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [voorletters] [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 150,- (honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 3 (drie) dagen jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Bögemann, voorzitter, tevens kinderrechter, Vos en Roelvink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Oosten-Boksem, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 december 2015.

Mr. Roelvink en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK GELDERLAND

Team Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer voor kinderstrafzaken

Parketnummers: 05/840754-15, 05/076308-15 (ter zitting gevoegd) en 05/119741-15 (ter zitting gevoegd)

Uitspraak d.d. 22 december 2015

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van 22 december 2015.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

en , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte,

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres 1] ,

is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De raadsman, mr. M.A.D. Kok, is niet / wel verschenen.

De rechter spreekt het vonnis uit

en wijst verdachte op de mogelijkheid om binnen veertien dagen na heden hoger beroep tegen dit vonnis in te stellen.

Waarvan proces-verbaal,

1 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 1.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 2.

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p 7.

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 8.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 10.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 11.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] , p. 14.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 24-25.

9 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3] , p. 91.

10 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3] , p. 92.en fotobladen p. 54 6/m 61.

11 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 95.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 30.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 31.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 33.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 105.

16 Kennisgeving van inbeslagneming, p. 141.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 39.

18 Proces-verbaal onderzoek wapen, p. 77.