Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7988

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-12-2015
Datum publicatie
24-12-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 583
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AWB, IB/PVV, uitnodiging om ter zitting te verschijnen tijdig en op het juiste adres aangeboden, volmacht, onjuiste adressering aanslag, vereiste aangifte, omkering van de bewijslast, redelijke schatting, voor percentage winstaandeel is registratie bij Kamer van Koophandel van belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2707
FutD 2016-0017
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/583

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 24 december 2015

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2009 ambtshalve een aanslag (aanslagnummer [000] .H.96) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een geschat belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.000, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 226. Tevens is bij beschikking € 3.572 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 december 2014 de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.468 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd. Verweerder heeft de verzuimboete gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 30 januari 2015, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft, na daartoe de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Eiseres is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 7 oktober 2015 aan de gemachtigde van eiseres, [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ), naar het adres [A-straat 1] te [Q] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.

Per faxbericht van 8 oktober 2015 heeft [gemachtigde] te kennen gegeven dat hij niet meer optreedt als gemachtigde van eiseres.

Eiseres is door de griffier vervolgens bij aangetekende brief, verzonden op 8 oktober 2015 naar het adres [A-straat 2] [Z] (hierna: het adres [A-straat 2] ), onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.

Uit informatie van PostNL is gebleken dat genoemde brief niet door eiseres is afgehaald. PostNL heeft de brief vervolgens op 2 november 2015 retour gezonden aan de afzender. De brief is op 3 november 2015 ter griffie terugontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2015.

Eiseres is niet verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en

[A] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is geboren op [1957] in [R] . Zij is op 9 juni 1984 gehuwd met de heer [B] (hierna: echtgenoot). Eiseres en haar echtgenoot hebben vier kinderen: [C] , [D] , [E] en [F] .

2. Eiseres stond vanaf 11 november 1996 tot 6 december 2002 in geschreven in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA, thans: Basisregistratie personen) op het adres [A-straat 3] te [S] . Vanaf 6 december 2002 is de woonplaats van eiseres onbekend bij de gemeente.

3. De echtgenoot van eiseres is vanaf 2003 ingeschreven in de GBA op het adres [A-straat 2] . Verweerder heeft voor eiseres van 7 mei 2003 tot 5 december 2007 het adres [A-straat 4] te [Z] en vanaf 5 december 2007 het adres van haar echtgenoot als correspondentieadres gebruikt. Verweerder heeft de aan eiseres gerichte post nimmer retour ontvangen.

4. [C] en [D] zijn vanaf respectievelijk 7 oktober 2010 en 20 juli 2007 ingeschreven in de GBA op het adres [A-straat 2] . Vanaf 5 februari 2015 is [C] ingeschreven in de GBA op het adres [A-straat 5] te [Z] .

5. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) dat is vervaardigd op 6 februari 2012 is op [1996] een vennootschap onder firma (hierna: de vof) opgericht met de naam [G] V.O.F, met als vennoten de echtgenoot van eiseres en de heer [H] . De vof exploiteert een Ierse pub in [Z] . Op 22 mei 1998 is de heer [H] uitgetreden en op 3 februari 2000 is eiseres toegetreden als vennoot. Later zijn ook [C] (vanaf 1 januari 2010, datum van registratie bij de KvK: [2011 1] ) en [D] (vanaf 1 januari 2008, datum van registratie bij de KvK: [2011 2] ) toegetreden.

6. Per 2 mei 1996 is [I] B.V. (hierna: de BV) opgericht. De echtgenoot van eiseres is directeur en enig aandeelhouder van de BV. De BV exploiteert een Ierse pub in [T] .

7. Tussen eiseres, haar echtgenoot en [D] is een aanvullend vennootschap onder firmacontract gesloten. In dit contract is bepaald dat de vof met ingang van 1 januari 2008 voor onbepaalde tijd tussen deze drie partijen is ingegaan. Het contract is ondertekend door de echtgenoot van eiseres en [D] .

8. De vof en de BV zijn overeengekomen dat de vof de onderneming [J] per 1 januari 2009 overneemt. Op een uittreksel van de KvK van 6 februari 2012 staat het adres van de onderneming als nevenvestiging van de vof vermeld.

9. Verweerder heeft op 27 februari 2010 aan eiseres het aangiftebiljet IB/PVV 2009 uitgereikt. De aangifte moest voor 1 april 2010 zijn ingediend. Op verzoek van eiseres is uitstel verleend tot 1 september 2010.

10. Verweerder heeft met dagtekening 29 september 2010 aan eiseres een herinnering gezonden tot het doen van de aangifte IB/PVV 2009. Verweerder heeft eiseres daarbij in de gelegenheid gesteld om alsnog aangifte te doen voor 13 oktober 2010.

11. Aan deze herinnering heeft eiseres geen gehoor gegeven. Verweerder heeft vervolgens aan eiseres een aanmaning verzonden met dagtekening 4 november 2010. De uiterste indieningsdatum van de aangifte is daarin gesteld op 18 november 2010.

12. Aan deze aanmaning heeft eiseres geen gehoor gegeven. Verweerder heeft vervolgens met dagtekening 31 oktober 2012 ambtshalve een aanslag opgelegd met een geschat belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.000. Verweerder heeft de aanslag verzonden naar het adres [A-straat 2] .

13. Gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 26 oktober 2012, ontvangen door verweerder op 30 oktober 2012, bezwaar gemaakt tegen de opgelegde aanslag. Gemachtigde laat in deze brief aan verweerder weten dat de winst van de vof in 2009 slechts € 58.060 heeft bedragen en dat hiervan € 14.515 aan eiseres moet worden toegerekend.

14. Verweerder heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres het belastbaar inkomen uit werk en woning verlaagd tot € 75.486. Verweerder heeft de uitspraak op bezwaar verzonden naar het adres [A-straat 2] .

15. Gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 30 januari 2015 beroep ingesteld. Gemachtigde van eiseres heeft een machtiging overgelegd die op 4 december 2008 door eiseres is ondertekend. Eiseres heeft gemachtigde een volmacht verleend om namens haar op te treden met betrekking tot de IB/PVV over het jaar 2004.

16. Bij faxbericht van 8 oktober 2015 heeft gemachtigde van eiseres te kennen gegeven dat hij niet langer namens eiseres optreedt. In de fax is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Subject: ARN 15/583 (zitting 05-11-2015 om 10 uur)”

Geschil

17. Primair is in geschil of de door verweerder opgelegde aanslag IB/PVV 2009 nietig moet worden verklaard, omdat deze naar een onjuist adres is gezonden.

18. Subsidiair is in geschil of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Beoordeling van het geschil

Vooraf: machtiging en verschijnen ter zitting

19. Nu eiseres niet ter zitting is verschenen dient beoordeeld te worden of eiseres tijdig en op de juiste wijze is uitgenodigd om ter zitting te verschijnen.

20. Daarbij dient, gelet op de dagtekening van de door eiseres verleende volmacht, allereerst te worden beoordeeld of [gemachtigde] gemachtigd was om namens eiseres beroep in te stellen en ter zitting te verschijnen.

21. Naar het oordeel van de rechtbank duidt het feitelijk handelen van eiseres en haar gemachtigde op een doorlopende machtiging. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zowel de aanslag IB/PVV 2009 als de uitspraak op bezwaar zijn toegezonden aan eiseres, terwijl gemachtigde vervolgens bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingediend. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de aan [gemachtigde] verstrekte machtiging.

22. Uit het voorgaande volgt tevens dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig op het juiste adres is aangeboden. De vooraankondiging voor de zitting is op 10 september 2015 aan gemachtigde van eiseres verzonden. Op dat moment had gemachtigde eiseres al moeten informeren over de zittingsdatum. De uitnodiging is vervolgens op 7 oktober 2015 aan gemachtigde van eiseres verzonden en gelet op het hiervoor onder 16. geciteerde onderwerp van het faxbericht door de gemachtigde ontvangen. Dat gemachtigde zich vervolgens heeft onttrokken ontsloeg hem niet van de verplichting eiseres op de hoogte te stellen van de geplande zittingsdatum. Dat hij dat wellicht niet heeft gedaan en eiseres wellicht niet op de hoogte heeft gesteld van datum en tijdstip van de zitting en dat eiseres de op 8 oktober 2015 naar het adres [A-straat 2] verzonden uitnodiging niet van het postkantoor heeft afgehaald, dient voor haar rekening te blijven.

Nietigheid aanslag

23. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de aanslag IB/PVV 2009 nietig moet worden verklaard omdat deze een onjuiste adressering bevat.

24. De rechtbank deelt dit standpunt niet en overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft de aanslag opgelegd aan het hem bekende adres [A-straat 2] . Op dit adres stond op dat moment de echtgenoot van eiseres ingeschreven in de GBA. Uit het feit dat eiseres tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de opgelegde aanslag leidt de rechtbank af dat de aanslag eiseres tijdig heeft bereikt. Nu de door verweerder gekozen adressering geen gevolgen heeft gehad voor de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift, ziet de rechtbank geen aanleiding om de aanslag om deze reden nietig te verklaren.

Hoogte van de aanslag, omkering van de bewijslast, redelijke schatting

25. Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt, voor zover van belang, dat de rechtbank het beroep van de belastingplichtige ongegrond verklaart indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

26. Vaststaat dat eiseres, na daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand, niet aan de in artikel 8 van de AWR gestelde verplichting tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2009 heeft voldaan. Gesteld noch gebleken is dat eiseres de uitnodiging, de herinnering en de aanmaning tot het doen van aangifte niet heeft ontvangen. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat verweerder op verzoek van eiseres uitstel voor het indienen van de aangifte heeft verleend. Eiseres heeft derhalve niet de vereiste aangifte gedaan. Reeds hierom moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard. Dit brengt mee dat op grond van artikel 27e, eerste lid, van de AWR het door eiseres ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard, tenzij eiseres doet blijken (in de zin van overtuigend aantonen) dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

27. Deze omkering en verzwaring van de bewijslast laat evenwel onverlet dat verweerder gehouden is bij het ambtshalve vaststellen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van eiseres. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door een inspecteur (vgl. Hoge Raad 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). In dat kader rust op een inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. Hoge Raad 27 januari 2006, nr. 39872, ECLI:NL:HR:2006:AV0401). Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, wanneer hij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (vgl. Hoge Raad 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013: BX7184).

28. Verweerder heeft de aanslag gebaseerd op de beschikbare gegevens van eiseres van voorgaande jaren en op de aangiften van haar echtgenoot. Verweerder heeft het op basis van deze gegevens berekende belastbare bedrag verhoogd met een opslag. In de bezwaarfase is de opslag geschrapt. De aanslag is gebaseerd op het winstaandeel van eiseres in de vof. Ter bepaling van de hoogte van de winst is verweerder uitgegaan van het resultaat volgens de winst- en verliesrekening van de vof. Overeenkomstig de voorgaande jaren en de gegevens in het handelsregister is het winstaandeel van eiseres gesteld op 50%. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat [D] niet op 1 januari 2008, maar pas op de datum van registratie bij de KvK, te weten [2011 2] , een belang van 25% in de vof heeft verkregen. Tot [2011 2] is het winstaandeel van eiseres dus 50% in plaats van 25%. Verweerder heeft voorts de aftrek van het verlies uit de onderneming [J] niet geaccepteerd. Verweerder heeft daartoe onder meer gesteld dat de BV in haar aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2009 de omzet en de kosten van de onderneming [J] heeft verantwoord en dat zij deze ook in haar aangiften omzetbelasting over het jaar 2009 heeft verantwoord. Uitgaande van het voorgaande is de door eiseres genoten winst uit onderneming gesteld op (50% van € 177.660 =) € 88.830. Op dit bedrag zijn vervolgens de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling in mindering gebracht.

29. Naar het oordeel van de rechtbank berust de aanslag gelet op het vorenstaande, in het bijzonder gelet op het feit dat verweerder ook ondernemersfaciliteiten heeft toegekend, op een redelijke schatting.

30. Eiseres moet derhalve overtuigend aantonen dat de schatting van verweerder onjuist is en dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is opgelegd.

31. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de vof met ingang van 1 januari 2009 de onderneming [J] van de BV heeft overgenomen. De winst van de vof moet volgens eiseres dus worden gesaldeerd met het verlies van deze onderneming. Dat de overname heeft plaatsgevonden is volgens eiseres af te leiden uit:

  1. De aangifte vennootschapsbelasting 2009 van de BV omdat hierin alleen huurinkomsten zijn verantwoord;

  2. Het feit dat de vof de huur betaalt in [T] en de echtgenoot persoonlijk aansprakelijk is voor het betalen van de huur;

  3. Een KvK-uitdraai van de vof.

32. Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat zij met ingang van 2008 slechts een belang van 25% heeft in de vof. De echtgenoot heeft een belang van 50% en zoon

[D] heeft ook een belang van 25%.

33. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat de winst van de vof op nihil moet worden gesteld omdat de echtgenoot door de verhuurder van het pand in [T] persoonlijk aansprakelijk is gesteld voor de huurschuld van de BV en de echtgenoot in dat kader een bedrag van € 100.000 aan de verhuurder heeft betaald.

34. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet voldaan aan de op haar rustende verzwaarde bewijslast. Met hetgeen zij heeft aangevoerd en gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder heeft eiseres niet doen blijken dat de onderneming van [J] reeds met ingang van 1 januari 2009 voor rekening en risico van de vof werd gedreven. Reeds op die grond faalt ook het subsidiaire standpunt van eiseres. De betaling van de huurschuld door de echtgenoot voor de BV heeft geen invloed op de winst van de vof en evenmin op het winstaandeel van eiseres. Ten slotte heeft eiseres niet doen blijken dat

[D] reeds in 2009 een belang van 25% in de vof had. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat de wijziging in het belang in de vof eerst op [2011 2] bij de KvK is geregistreerd.

35. Gelet op het voorgaande is de aanslag IB/PVV terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Heffingsrente en verzuimboete

36. Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente en de verzuimboete heeft aangevoerd en de rechtbank de opgelegde boete passend en geboden acht, dienen ook de beroepen inzake de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking ongegrond te worden verklaard.

Proceskostenveroordeling

37. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, mr. R.A. Eskes en mr. A.F. Germs-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Leeuwen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 24 december 2015

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.