Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7857

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
C/05/283481 / HZ ZA 15-193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde exploiteert sinds jaren krachtens vergunning kiosk op perceel gemeente. Gemeente herroept de vergunning en vordert ontruiming. De rechtbank oordeelt dat de gemeente onrechtmatig handelt door van gedaagde ontruiming te vorderen zonder aan gedaagde een passende schadevergoeding aan te bieden. Vordering tot ontruiming wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2016/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/283481 / HZ ZA 15-193

Vonnis van 9 december 2015

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EPE,

zetelend te Epe,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. F.J. van Beek te Arnhem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. M. Bakhuis te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 september 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 november 2015

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De gemeente is eigenaar van de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Epe en Oene, [kadastraal nummer] (hierna: het perceel). Het perceel heeft een oppervlakte van ruim 5 hectare en is begroeid met bos. Het perceel vormt een onderdeel van het openbaar gebied van de gemeente. Nabij het perceel is een hertenkamp gelegen.

2.2.

In 1959 heeft de gemeente aan [naam] (hierna: [naam] ) een - in tijd onbeperkte - vergunning verleend voor het plaatsen van een kiosk op voormeld perceel.

2.3.

[naam] is vanuit de kiosk consumpties gaan verkopen aan (met name) recreanten.

2.4.

Op 15 juni 1970 heeft de gemeente aan [naam] een bouwvergunning verleend om aan/in de kiosk een personeelstoilet te bouwen.

2.5.

[naam] heeft - nadat hij daarvoor toestemming had gevraagd aan de gemeente - op 17 januari 1980 de kiosk en de daarin gevoerde onderneming verkocht aan [gedaagde] voor een bedrag van NLG 15.000,--.

2.6.

In 1984 heeft de gemeente haar standplaatsenbeleid gewijzigd, in die zin dat standplaatsen jaarlijks zullen worden toegewezen, waarbij voor de vaste standplaatsen, zoals die voor de kiosk, een overgangsregeling werd vastgesteld, inhoudende dat deze gedurende de eerste vijf jaren geen onderwerp zullen zijn van het toewijzingssysteem.

2.7.

De gemeente heeft bij brief van 1 augustus 1986 (productie 12 bij dagvaarding) aan [gedaagde] laten weten dat het standplaatsenbeleid per 1 januari 1987 zal worden gewijzigd. In deze brief komen de navolgende passages voor:
“(…)
Standplaatshouders die al meerdere jaren in het bezit zijn van een vergunning zullen niet in het toewijzingssysteem worden betrokken. Men heeft een bepaalde klantenkring opgebouwd en is verzekerd van een inkomen. Ik acht bij nader inzien onvoldoende reden aanwezig om in deze situatie - waarbij in zekere zin gesproken zou kunnen worden van verkregen rechten - wijziging te brengen.
Derhalve zullen alle standplaatshouders die in 1984 in het bezit waren van een standplaatsvergunning thans niet in het toewijzingssysteem worden betrokken (…)
Met ingang van 1987 zal wel het nieuwe vergoedingenstelsel - precario te regelen bij verordening - voor alle vergunninghouders gaan gelden (…).”

2.8.

In de zomer van 1999 is de kiosk van [gedaagde] door brand verwoest. De gemeente heeft op 7 oktober 1999 aan [gedaagde] een bouwvergunning verleend voor het op dezelfde locatie als voormeld oprichten van een kiosk.

2.9.

In 2003 is het beleid van de gemeente gewijzigd in die zin dat [gedaagde] voor de kiosk jaarlijks een standplaatsvergunning moest aanvragen.

2.10.

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente (hierna: het college) heeft aan [gedaagde] op 3 december 2013 wederom een standplaatsvergunning voor een jaar verleend. In de vergunning (productie 17) staat onder meer: “Deze vergunning is geldig van 1 januari tot uiterlijk 31 december 2014, zonder mogelijkheid tot verlenging.”

2.11.

[gedaagde] heeft op 3 januari 2014 bezwaar gemaakt tegen de aan hem verleende standplaatsvergunning.

2.12.

Op 24 maart 2014 heeft notaris [notaris] (hierna: de notaris) op verzoek van [gedaagde] een verklaring inzake verjaring van het recht van opstal met betrekking tot de kiosk laten inschrijven in de openbare registers. In deze verklaring komt onder meer de navolgende passage voor:
“De verjaring heeft plaatsgevonden doordat de hiervoor genoemde opdrachtgever/ belanghebbende gedurende een onafgebroken periode van twintig jaar te goeder trouw het bezit van het Registergoed heeft gehad en de rechtsvordering van de eigenaar/gerechtigde van/tot het Registergoed tot het doen ophouden van de met zijn recht strijdige bezitstoestand, is verjaard”.

2.13.

Het college heeft bij besluit van 6 juni 2014 het bezwaar van [gedaagde] gegrond verklaard, het besluit van 3 december 2013 herroepen en de aanvraag om een standplaatsvergunning voor het jaar 2014 geweigerd. Dit besluit (productie 19 bij dagvaarding) is als volgt gemotiveerd:
“(…)
De commissie komt tot de conclusie dat de kiosk (…) niet voldoet aan de definitie van een standplaats zoals genoemd in artikel 5:17 van de Algemene plaatselijke verordening (APV) Epe 2008. Om die reden kan er volgens de commissie geen standplaatsvergunning verleend worden, los van de recentelijke wijzigingen van het standplaatsenbeleid (…). Wij delen bovenstaande conclusie van de commissie (…).
Nu er geen sprake is van een standplaats, zal nader onderzocht moeten worden of en op welke (privaatrechtelijke) gronden de huidige bedrijfsmatige activiteiten voortgezet kunnen worden. Dit is ook van invloed op de wijze waarop wij het gebruik van gemeentegrond in rekening zullen brengen (…).”

2.14.

De gemeente heeft bij brief van 30 december 2014 aan [gedaagde] een huurovereenkomst met betrekking tot de grond waarop de kiosk staat aangeboden. Het betreft een huurovereenkomst voor bepaalde tijd, met terugwerkende kracht op 1 januari 2014 ingaand en eindigend op 31 december 2016, met een huurprijs die gelijk is aan de laatstelijk door [gedaagde] betaalde precariobelasting.
In deze brief heeft de gemeente [gedaagde] tevens verzocht de inschrijving van het opstalrecht in de openbare registers ongedaan te maken.

2.15.

[gedaagde] heeft de gemeente laten weten dat hij niet bereid is om de huurovereenkomst te ondertekenen en de inschrijving van het opstalrecht ongedaan te maken.

3 De vordering in conventie

3.1.

De gemeente vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht zal verklaren dat [gedaagde] geen recht van opstal of enig ander zakenrechtelijk (beperkt) recht heeft verkregen met betrekking tot de in de dagvaarding omschreven kiosk,
b. [gedaagde] zal bevelen de kiosk en al hetgeen daartoe behoort, waaronder in ieder geval begrepen eventuele kabels, leidingen, funderingen te verwijderen van het perceel en dit perceel ontruimd te houden, alsmede [gedaagde] zal bevelen voornoemd perceel ter plaatse en in de nabijheid van de kiosk in de oorspronkelijke staat te herstellen, waaronder begrepen het zo nodig aanvullen van de grond tot maaiveldniveau.

c. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans vanaf de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.

4. [gedaagde] zal veroordelen in de na de uitspraak vallende kosten (nakosten), voor wat

betreft het salaris van de advocaat (nasalaris) forfaitair berekend op € 131,00 zonder

betekening en verhoogd met € 68,00 in geval van betekening, te voldoen binnen 14 dagen

na dagtekening van het vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt

te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het vonnis,

althans vanaf de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele

voldoening.

3.2.

De gemeente legt aan haar vorderingen tegen de achtergrond van de vaststaande feiten - kort gezegd - de volgende stellingen ten grondslag.
[gedaagde] is geen bezitter van het recht van opstal. Nu er van bezit geen sprake is, heeft [gedaagde] niet op grond van verjaring het recht van opstal kunnen verwerven. Doordat de aan [gedaagde] verleende standplaatsvergunning voor het jaar 2014 is herroepen, heeft [gedaagde] op grond van het publiekrecht geen aanspraak jegens de gemeente voor het gebruik van de grond waarop de kiosk staat. Deze aanspraak heeft [gedaagde] ook anderszins niet omdat hij heeft geweigerd om de aangeboden huurovereenkomst te ondertekenen. [gedaagde] handelt onrechtmatig jegens de gemeente nu hij zonder recht of titel een kiosk heeft staan op grond van de gemeente.

3.3.

Op de overige stellingen van de gemeente zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

4 Het verweer in conventie

4.1.

[gedaagde] concludeert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de gemeente niet ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans deze zal afwijzen, een en ander met veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de na de uitspraak vallende nakosten ad € 131,00 zonder betekening en verhoogd met € 68,00 ingeval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van het wijzen van het vonnis, alles tot de dag der algehele voldoening.

4.2.

Op het verweer van [gedaagde] zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

5 De vordering in voorwaardelijke reconventie

5.1.

[gedaagde] vordert - voor het geval dat de rechtbank de hoofdvorderingen in conventie zal toewijzen - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. de gemeente zal veroordelen om aan hem tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover, te rekenen vanaf de datum van vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding, alles tot de dag der algehele voldoening,
b. de gemeente zal veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de na de uitspraak vallende nakosten ad € 131,00 zonder betekening en verhoogd met € 68,00 ingeval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van het wijzen van het vonnis, alles tot de dag der algehele voldoening.

5.2.

[gedaagde] legt aan zijn vordering de volgende stellingen ten grondslag.
Hij is als enige ondernemer binnen de gemeentegrenzen door de gemeente “weggeschreven” als ondernemer. Alle overige ondernemers, die standplaatsen exploiteren en daaruit inkomsten genereren, mogen deze exploitatie voortzetten. Dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De gemeente wenst uit oogpunt van bezuiniging het beheer en de exploitatie van het naastgelegen hertenkamp te privatiseren. Nu de gegadigde, [ondernemer] , alleen akkoord wil gaan met het overnemen van beheer en exploitatie van het hertenkamp, indien deze zelf met een zekere mate van exclusiviteit consumpties aan bezoekers en recreanten mag verkopen, moet [gedaagde] het veld ruimen.
De gemeente heeft ook gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid. De gemeente heeft zich geen rekenschap gegeven van het feit dat door verwijdering van de kiosk de gehele investering van [gedaagde] teniet wordt gedaan. De gemeente heeft hiervoor geen enkele compensatie aangeboden. De gemeente heeft evenmin acht geslagen op de kosten van rechtsbijstand als gevolg van de thans reeds jaren voortdurende juridische strijd met de gemeente.
De schade die hij als gevolg van de verwijdering van de kiosk zal lijden bestaat uit de waarde van zijn onderneming, de gekweekte goodwill, de te derven inkomsten alsmede de door hem gemaakte kosten van juridische bijstand.

6 Het verweer in voorwaardelijke reconventie

6.1.

De gemeente concludeert dat de rechtbank [gedaagde] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, althans deze zal afwijzen met zijn uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling in de kosten van deze procedure.

6.2.

Op het verweer van de gemeente zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

7 De beoordeling

in conventie

7.1.

[gedaagde] heeft ter comparitie aangevoerd dat zijn in zijn conclusie van antwoord ingenomen stelling dat hij in 1980 eigenaar van de kiosk is geworden aldus moet worden begrepen dat hij destijds een recht van opstal heeft verkregen. [gedaagde] stelt dat de verjaringstermijn ten aanzien van het recht van opstal is gaan lopen vanaf het moment waarop de kiosk (in 1959) door [naam] op het perceel van de gemeente is geplaatst en dat hij doordat de verjaringstermijn is verstreken door middel van verkrijgende verjaring het recht van opstal van de kiosk heeft verkregen. Voorts stelt [gedaagde] dat de rechtsvordering van de gemeente om een einde te maken aan de onrechtmatige toestand is verjaard.

7.2.

In deze wordt veronderstellenderwijze ervan uitgegaan dat de kiosk als een onroerende zaak moet worden aangemerkt.
Vast staat dat [naam] destijds enkel op grond van een publiekrechtelijke vergunning de kiosk heeft geplaatst op het aan de gemeente in eigendom toebehorende perceel. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente en [naam] destijds hebben gesproken over de privaatrechtelijke kant van het aldus door [naam] gemaakte gebruik van het perceel van de gemeente. Bij deze stand van zaken kan bezwaarlijk worden aangenomen dat [naam] heeft gepretendeerd bezitter te zijn van een recht van opstal. Het enkele feit dat [naam] in zijn aanvraag voor een bouwvergunning in 1970 heeft vermeld dat hij eigenaar is van de kiosk en de gemeente daartegen niet heeft geprotesteerd, betekent nog niet dat [naam] daarmee tegenover de gemeente heeft gepretendeerd bezitter van een recht van opstal te zijn. Voorts geldt dat de interne wil om als rechthebbende op - in casu - een recht van opstal op te treden, iemand nog niet tot bezitter maakt. Dat [naam] de pretentie van bezit van een recht van opstal niet had, blijkt tevens uit het feit dat hij in 1980 aan de gemeente toestemming heeft gevraagd om de kiosk te mogen verkopen aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft in 1980 als het ware de plaats ingenomen van [naam] . Nu [naam] geen bezitter was van het recht van opstal, kan niet gezegd worden dat [gedaagde] [naam] heeft opgevolgd in het bezit. [gedaagde] kan zichzelf ook niet buiten de wil van de gemeente om tot bezitter van het recht van opstal maken. Het feit dat [gedaagde] in zijn aanvraag om een bouwvergunning (in 1999) heeft verklaard dat hij eigenaar was van de oude kiosk alsmede dat de gemeente daartegen niet heeft geprotesteerd is in deze dan ook zonder betekenis. Bij gebrek aan bezit heeft [gedaagde] niet door middel van verkrijgende verjaring een recht van opstal verkregen.

7.3.

De notaris heeft op 23 januari 2014 namens [gedaagde] aan de gemeente een concept gestuurd van de (nadien op 24 maart 2014 in de openbare registers ingeschreven) verklaring van verjaring. [gedaagde] heeft daarmee het onbezwaarde eigendomsrecht van de gemeente met betrekking tot het perceel tegengesproken. Hiermee is de verjaringstermijn van de rechtsvordering om aan het door [gedaagde] gepretendeerde bezit van het recht van opstal een einde te maken gaan lopen (artikel 3: 314 BW). Deze rechtsvordering, waarvoor een verjaringstermijn van twintig jaar geldt (artikel 3: 306 BW), is nog niet verjaard.
heeft dan ook geen recht van opstal verkregen met betrekking tot de kiosk. Nu [gedaagde] tegen de gevorderde verwijdering van de kiosk geen ander (beperkt) zakelijk recht als verweer heeft ingeroepen, zal de verklaring voor recht worden beperkt tot het recht van opstal. Daar waar een verklaring voor recht geen voor tenuitvoerlegging vatbare titel oplevert, zal het vonnis in zoverre niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

7.4.

[gedaagde] heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van het college van
6 juni 2014 waarin de aanvraag om een standplaatsvergunning voor het jaar 2014 alsnog is geweigerd. Dit besluit heeft daarmee formele rechtskracht verkregen. Nu [gedaagde] geen gebruik heeft gemaakt van het aanbod om de grond waarop de kiosk is geplaatst, te huren (met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2014) en de gemeente ook anderszins niet wenst in te stemmen met voortgezet gebruik van het perceel, verblijft [gedaagde] met zijn kiosk zonder recht of titel op het perceel.

7.5.

Dit betekent echter niet dat daarmee de vordering, strekkende tot verwijdering van de kiosk, toewijsbaar is. Hiertoe is het volgende redengevend.

7.6.

Voorop wordt gesteld dat ook indien de gemeente, zoals in casu, als eigenaar optreedt, zij jegens [gedaagde] gehouden is om te handelen overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur.

7.7.

Vast staat dat [naam] op grond van de aan hem door de gemeente in 1959 verleende vergunning gedurende 21 jaar de door dan wel in opdracht van hem gebouwde kiosk heeft geëxploiteerd op het perceel van de gemeente. Bedoelde exploitatie had daarmee een duurzaam karakter.
heeft in 1980 aan de gemeente om toestemming verzocht om zijn kiosk en inventaris te verkopen aan [gedaagde] . De gemeente sluit niet uit dat zij bedoelde toestemming heeft gegeven. De gemeente heeft aldus moeten begrijpen dat [gedaagde] een investering heeft moeten doen om de kiosk en inventaris te verwerven. [gedaagde] is er daarbij onmiskenbaar vanuit gegaan dat hij de kiosk eveneens voor langere tijd kon exploiteren, al is het maar om zijn investering te kunnen terugverdienen. In 1980 wees niets erop dat die verwachting irreëel was. Dit werd niet anders doordat de gemeente in 1984 haar standplaatsenbeleid wijzigde. Sterker nog, aan de inhoud van de hiervoor onder 2.7 weergegeven inhoud van de brief van de gemeente van 1 augustus 1986, waarin de gemeente blijk geeft oog te hebben voor de financiële belangen van houders van een standplaatsvergunning zoals [gedaagde] , mocht [gedaagde] de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat hij de exploitatie van zijn kiosk nog wel enige tijd zou kunnen voortzetten. De gemeente was in 1999 ervan op de hoogte dat [gedaagde] nadat de kiosk was afgebrand een nieuwe kiosk heeft laten bouwen, zodat de gemeente moet hebben begrepen dat [gedaagde] daarvoor investeringen heeft moeten doen. Aannemelijk is dat [gedaagde] deze investering heeft gedaan in de verwachting dat hij de nieuwe kiosk eveneens langdurig zou kunnen exploiteren. Immers, niets wees er in 1999 op dat de gemeente overwoog om haar standplaatsenbeleid te wijzigen ten nadele van exploitanten zoals [gedaagde] .
Eerst met ingang van 2003 was [gedaagde] op grond van gewijzigd beleid gehouden om jaarlijks een standplaatsvergunning aan te vragen, welke vergunning hem tot en met het jaar 2013 zonder meer is verleend. Eerst medio 2013, voorafgaande aan de verlening van de vergunning voor het jaar 2014 werd [gedaagde] geconfronteerd met het feit dat de gemeente hem na afloop van dat jaar geen vergunning meer zou verlenen en eerst medio 2014 met het feit dat de gemeente van oordeel was dat er voor voortzetting van de exploitatie geen publiekrechtelijke basis bestond.

7.8.

Ofschoon op zichzelf juist is de stelling van de gemeente dat het tot het normale ondernemersrisico van [gedaagde] behoort dat aan een toestemming om op een bepaalde locatie een onderneming te voeren op enig moment een einde komt, moet de gemeente bij de besluitvorming omtrent het beëindigen van die toestemming ook acht slaan op de bij [gedaagde] gewekte gerechtvaardigde onder 7.7 geschetste verwachtingen. Daarbij komt nog dat aan het besluit om [gedaagde] na 2014 geen nieuwe standplaatsvergunning meer te geven ten grondslag ligt de wens van de gemeente om in het kader van bezuiniging het beheer en de exploitatie van het in de nabijheid van de kiosk gelegen hertenkamp af te stoten naar een private partij, die daarbij de eis stelt dat zij ter plaatse met een zekere mate van exclusiviteit consumpties mag verkopen, waardoor er voor [gedaagde] geen plaats meer is. Los van het vorenstaande geldt dat indien [gedaagde] de kiosk dient te verwijderen, sprake is van een inbreuk op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), welk artikel (vertaald) luidt als volgt: “Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.”
Het begrip eigendom wordt door het EHRM ruim uitgelegd. Volgens de jurisprudentie van het EHRM is van ontneming van eigendom sprake indien een maatregel zodanig ingrijpende gevolgen heeft dat geen zinvolle alternatieve vorm van gebruik van de eigendom overblijft of de eigendom van elke waarde wordt beroofd. Dit is hier het geval. Onder het begrip eigendom valt derhalve ook de vergunning om een onderneming te drijven en de mogelijkheid daarmee door te gaan, nadat de vergunning is herroepen.
De door de gemeente gepleegde inbreuk op de eigendom kan het onrechtmatig karakter verliezen door het betalen of aanbieden van een redelijke schadevergoeding (Hoge Raad 19 december 1952, NJ 1953,642). Dit heeft de gemeente in dit geval niet gedaan.

7.9.

De gemeente heeft immers [gedaagde] weliswaar een huurovereenkomst voor bepaalde tijd aangeboden, maar dit verschuift slechts het moment waarop [gedaagde] de kiosk moet verwijderen. Om die reden kan niet gezegd worden dat de gemeente aan [gedaagde] een redelijke schadevergoeding heeft aangeboden. Ter comparitie heeft de gemeente weliswaar nog een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd aangeboden, maar nu zij daaraan de voorwaarde heeft verbonden dat [gedaagde] met een bedrag van
€ 10.000,-- zal bijdragen in de kosten van beheer en exploitatie van het hertenkamp, heeft [gedaagde] dit aanbod met recht van de hand gewezen. Het beheer en de exploitatie van het hertenkamp regarderen [gedaagde] immers niet. Evenmin is in deze van belang dat [gedaagde] , nu hij met succes heeft betoogd dat in zijn geval geen sprake was van een standplaats en hij om die reden de door hem over de jaren 2011 tot en met 2014 betaalde precariobelasting heeft teruggekregen, vanaf 1 januari 2011 zonder enige vergoeding gebruik maakt van het perceel.

7.10.

Dit alles betekent dat de gemeente onrechtmatig handelt jegens [gedaagde] door hem te dwingen de kiosk te verwijderen. De daartoe strekkende vordering wordt dus afgewezen.

7.11.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

in reconventie

7.12.

De eis in reconventie is voorwaardelijk ingesteld. Uit de beslissing in conventie vloeit voort dat de voorwaarde niet is vervuld, zodat op de vordering in reconventie geen beslissing hoeft te worden gegeven.

7.13.

Het instellen van een voorwaardelijke eis in reconventie is onder de gegeven omstandigheden een redelijke vorm van verdediging voor [gedaagde] . De gemeente wordt daarom met betrekking tot het geding in reconventie als in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering beschouwd. De gemeente zal in de kosten van het geding in reconventie worden veroordeeld (Hoge Raad
21 januari 1977, NJ 1977,487). De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 452,00 ter zake van salaris advocaat (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00).

7.14.

De nakosten zijn toewijsbaar als na te melden.

7.15.

[gedaagde] heeft wettelijke handelsrente gevorderd over de proceskosten en de nakosten. Nu deze kosten niet vallen onder het bereik van artikel 6:119 a BW, zal de rechtbank ter zake uitgaan van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW. De ingangsdatum van de wettelijke rente zal worden bepaald als hierna zal worden vermeld.

8. De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] geen recht van opstal heeft verkregen met betrekking tot de kiosk,

8.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

8.3.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

8.4.

verstaat dat de vordering geen behandeling behoeft,

8.5.

veroordeelt de gemeente in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 452,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, indien betaling niet binnen voormelde termijn mocht hebben plaatsgevonden,

8.6.

veroordeelt de gemeente in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de gemeente niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

8.7.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2015.

Th/Le