Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7855

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-12-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5688
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hulp bij het huishouden valt onder het begrip maatschappelijke ondersteuning en valt onder de door de wetgever aan verweerder gegeven opdracht in de Wmo 2015. Hulp bij het huishouden is geen algemeen gebruikelijke voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/5688

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K. Wevers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem te Lochem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres toegekende hulp bij het huishouden ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2007) met ingang van 1 april 2015 beëindigd op grond van de Wmo 2015.

Bij besluit van 8 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard ten aanzien van de onzorgvuldige voorbereiding van het primaire besluit en het primaire besluit, na nader onderzoek, in stand gelaten.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.E. van der Jagt-Jobsen, mr. I.M. van der Heijden, I. Brinks en A. van Dijk.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Bij besluit van 25 september 2012 heeft verweerder eiseres, voor zover van belang, geïndiceerd voor hulp bij het huishouden van drie uur per week op grond van de Wmo 2007. Eiseres heeft deze indicatie toegekend gekregen tot 1 oktober 2017.

Tussen partijen is niet in geschil dat de hieraan ten grondslag liggende beperkingen die eiseres ondervindt in haar zelfredzaamheid sindsdien niet zijn verbeterd.

2. Verweerder heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat eiseres gebruik kan maken van de algemeen gebruikelijke voorziening hulp bij het huishouden en daarom niet langer is aangewezen op een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015.

3. De rechtbank overweegt allereerst dat de hulp bij het huishouden tot 1 januari 2015 uitdrukkelijk als resultaatsgebied was opgenomen in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2007. Het college diende ter compensatie van de beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid hulp bij het huishouden als individuele voorziening te treffen.

Ingevolge artikel 2.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 draagt het gemeentebestuur zorg voor de maatschappelijke ondersteuning. Tussen partijen is in geschil of de hulp bij het huishouden moet worden beschouwd als maatschappelijke ondersteuning bedoeld in artikel 1.1.1 van die wet.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verplichting om te compenseren voor het voeren van een huishouden, zoals deze voorheen gold onder de Wmo 2007, niet specifiek in de tekst van de Wmo 2015 is teruggekomen en de Wmo 2015 dan ook niet langer de concrete voorziening hulp bij het huishouden kent.

De rechtbank is van oordeel dat hulp bij het huishouden valt onder het begrip maatschappelijke ondersteuning en dus valt onder de door de wetgever aan verweerder gegeven opdracht in de Wmo 2015. Hierbij overweegt de rechtbank dat één van de beoogde doelstellingen van de Wmo 2015, zoals ook blijkt uit artikel 2.3.5, derde lid, tweede volzin, van de Wmo 2015, het realiseren van een situatie is waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie waardoor hij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Indien de cliënt niet zelf zijn huis schoon kan houden, dient de voorziening hulp bij het huishouden hem in staat te stellen om alsnog zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving te blijven door zijn huis schoon te houden. In de Memorie van Toelichting (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, p.10) is bovendien het volgende opgenomen: “De verplichting om maatwerk te leveren is in het wetsvoorstel ruimer geformuleerd dan de compensatieplicht in de Wmo en ziet op alle gevallen waarin iemand problemen heeft met zijn zelfredzaamheid en participatie, of beschermd wonen of opvang nodig heeft. De maatwerkvoorziening is aanvullend op wat iemand zelf kan bijdragen en vormt samen met de inzet van eigen kracht of, indien van toepassing, gebruikelijke hulp of mantelzorg een samenhangend ondersteuningsaanbod, ofwel maatwerk.” Dat de hulp bij het huishouden of soortgelijke omschrijvingen in de Wmo 2015 en de Memorie van Toelichting niet specifiek worden benoemd, maakt niet dat de wetgever daarmee dus bedoeld heeft dat deze niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 zouden vallen. Uit de definitie van het begrip maatschappelijke ondersteuning in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 en de verwijzing naar de begrippen zelfredzaamheid en participatie vloeit reeds voorts dat de wetgever ervoor gekozen heeft de op grond van de wet te verstrekken voorzieningen (afgezien van beschermd wonen en opvang) niet langer uitdrukkelijk te benoemen. Hiervoor kan steun gevonden worden in de Memorie van Toelichting waar juist de nadruk wordt gelegd op een ruimere maatwerkverplichting dan de compensatieplicht in de Wmo 2007. Tot slot is in de Nota naar aanleiding van het nader verslag (TK 2013-2014, 33 841, nr. 64, p. 104) het volgende opgenomen: “(…) omdat de regering verwacht dat gemeenten met de beleidsvrijheid die zij hebben binnen de kaders van het wetsvoorstel, de maatschappelijke ondersteuning, waaronder hulp bij het huishouden, anders zullen gaan organiseren.” Hulp bij het huishouden wordt hier expliciet benoemd binnen de kaders van de Wmo 2015. En ook in de 'kwartaalbrief' van de staatssecretaris van Volksgezondheid welzijn en sport (Vws) van 21 september 2015 (pag. 8) is een vergelijkbaar standpunt verwoord: "Het categoraal vooraf, bijvoorbeeld in het beleidsplan, uitsluiten van bepaalde typen van ondersteuning als bijdrage aan iemands zelfredzaamheid, zoals hulp bij het huishouden, zonder daarbij een zorgvuldig onderzoek te doen naar de ondersteuningsvraag in relatie tot de (actuele) kenmerken van de cliënt en diens situatie, verhoudt zich niet met de Wmo 2015. (...)". De rechtbank concludeert ook hieruit dat de hulp bij het huishouden ontegenzeggelijk deel uitmaakt van de maatschappelijke ondersteuning die de Wmo 2015 beoogt te bewerkstelligen.

4. Ingevolge artikel 1 van de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Lochem 2015 (Verordening) wordt onder algemeen gebruikelijke voorziening verstaan: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt, indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is.

Verweerder heeft de algemeen gebruikelijke voorzieningen nader uitgewerkt in de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente Lochem (Beleidsregels). Op grond van artikel 1.6 van de Beleidsregels zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in principe voor iedereen beschikbaar, of mensen nu wel of geen beperking hebben. Wat in de concrete situatie algemeen gebruikelijk is, hangt vaak af van de geldende maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze:

  • -

    niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, én;

  • -

    in de reguliere handel verkrijgbaar is, én;

  • -

    in prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten.

Uitzonderingen op deze criteria kunnen zijn situaties waarin:

  • -

    de handicap plotseling ontstaat, waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal aangeschaft of vervangen moeten worden, of

  • -

    de aanvrager een inkomen heeft, dat door aantoonbare kosten van de handicap onder de voor hem geldende bijstandsnorm dreigt te komen.

De rechtbank kan het standpunt van verweerder dat hulp bij het huishouden voor een persoon als eiseres een algemeen gebruikelijke voorziening is, niet volgen. Daartoe overweegt de rechtbank dat het de vraag is of het aannemelijk is dat eiseres, ware zij niet beperkt bij het schoonmaken van haar huis, over hulp bij het huishouden zou hebben kunnen beschikken. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank van cruciale betekenis of hulp bij het huishouden naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als eiseres behoort. De rechtbank acht van belang dat de hulp bij het huishouden, met de indicatie deze zoals voor eiseres is vastgesteld, het enige middel is om haar beperkingen bij het schoonmaken van haar huis op te heffen en dat dit feit enkel en alleen de reden voor eiseres vormt om van de hulp bij het huishouden gebruik te maken. Bovendien, hoewel op zichzelf niet doorslaggevend, komt daar nog bij dat de omvang, alsmede het structurele karakter, van de hulp bij het huishouden betekenen dat de kosten hiervan niet tot het gangbare bestedingspatroon van eiseres behoren.

Tot slot overweegt de rechtbank in dit kader dat verweerder in het Financieel Besluit Wmo 2015 een overzicht van richtprijzen van voorzieningen die voor de uitvoering van de Wmo relevant zijn, heeft opgenomen, waarin ook het tarief voor het persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden (HV1) is vastgesteld. Hieruit blijkt dat verweerder blijkbaar wel vindt dat een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden in de vorm van een pgb kan worden verstrekt. Nu een pgb een verstrekkingsvorm van een maatwerkvoorziening is, houdt dit een strijdigheid in met verweerders standpunt dat hulp bij het huishouden een algemeen gebruikelijke voorziening is.

5. Nu er geen sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening heeft verweerder ten onrechte artikel 1 en artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met de wet. Het beroep gegrond is en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

6. De rechtbank ziet, onder verwijzing naar hetgeen onder rechtsoverweging 1 is vermeld, aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen. Dit betekent dat de indicatie van eiseres herleeft en zij tot 1 oktober 2017 weer recht heeft op hulp bij het huishouden van drie uur per week.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het besluit van 13 januari 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht groot € 45 aan haar vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 980.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. J.A. van Schagen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Wolsink-van Veldhuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.