Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7791

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
15-12-2015
Zaaknummer
05/820891-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, een werkstraf van 240 uren en (deels voorwaardelijke) ontzeggingen van de rijbevoegdheid wegens meerdere overtredingen van de Wegenverkeerswet en het voorhanden hebben van hennep, hasjiesj en cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/820891-14

Datum uitspraak : 30 november 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] .

Raadsman: mr. H. Halfers, advocaat te Rotterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

Van 11 mei 2015 en 16 november 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 22 mei 2014 te Apeldoorn in de gemeente Apeldoorn, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,

(personenauto, merk VW), daarmede gaande in de richting van de

kruising/splitsing van de Ugchelseweg en de Jachtlaan, op de weg, de

Ugchelseweg zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, binnen de bebouwde kom en in strijd met het gestelde in artikel 20 van het

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, heeft gereden met een

snelheid van ongeveer 92 kilometer per uur, in elk geval met een grotere

snelheid dan de maximum aldaar voor hem,verdachte toegestane snelheid van 50

kilometer per uur en/of met die hoge snelheid, althans nagenoeg die snelheid, een in die weg gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting, naar rechts verlopende bocht met zodanige

hoge snelheid is in- en of doorgereden, dat hij, verdachte uit deze bocht is

gevlogen en/of met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto, merk VW)

op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de

Ugchelseweg) is terecht gekomen en/of daarbij niet aan zijn, verdachtes

verplichting, als vermeld in artikel 3 van voormeld reglement, inhoudende:

"Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden", heeft voldaan

en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een over dat voor het

tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (Ugchelseweg) rijdend,

hem, verdachte toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto,

merk Volvo), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] )

zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan en/of welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximum snelheid in ernstige

mate heeft overschreden;

Subsidiair

hij op of omstreeks 22 mei 2014 te Apeldoorn in de gemeente Apeldoorn, als

bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, merk VW), daarmede gaande in

de richting van de kruising/splitsing van de Ugchelseweg en de Jachtlaan, op

de weg, de Ugchelseweg, binnen de bebouwde kom en in strijd met het gestelde in artikel 20 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, heeft gereden met een

snelheid van ongeveer 92 kilometer per uur, in elk geval met een grotere

snelheid dan de maximum aldaar voor hem, verdachte toegestane snelheid van 50

kilometer per uur en/of met die hoge snelheid, althans nagenoeg die snelheid, een in die weg gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting, naar rechts verlopende bocht met zodanige

hoge snelheid is in- en of doorgereden, dat hij, verdachte uit deze bocht is

gevlogen en/of met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto, merk VW)

op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de

Ugchelseweg) is terecht gekomen en/of daarbij niet aan zijn, verdachtes

verplichting, als vermeld in artikel 3 van voormeld reglement, inhoudende:

"Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden", heeft voldaan

en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een over dat voor het

tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (Ugchelseweg) rijdend,

hem, verdachte toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto,

merk Volvo), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

2.

hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken

was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Apeldoorn in de gemeente Apeldoorn op/aan de Ugchelseweg, op of omstreeks 22 mei 2014 omstreeks 17.30 uur de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht;

3.

hij op of omstreeks 22 mei 2014 te Apeldoorn in de gemeente Apeldoorn als

bestuurder van een voertuig (personenauto), op de weg, de Klein Hattem, zijnde een weg met een lengte van ongeveer 385 meter, met een breedte van ongeveer 5.20 meter (tussen de aan beide zijde aanwezige grindstroken) en in welke weg 6, althans een aantal verkeersdrempels zijn gesitueerd, terwijl op dat moment een grote groep/en fietser/s (ouders met kinderen) hem,

verdachte over die weg (de Klein Hattem) tegemoet reden op zodanige wijze en/of met hoge snelheid, althans met een grotere snelheid dan de aldaar ingevolge bord A1 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met daarop 30, aangegeven maximum snelheid van 30 kilometer per uur, heeft gereden, dat een aantal van die fietsers heeft moeten uitwijken om een aanrijding met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) te voorkomen en/of (vervolgens) de weg, de Laan van Westenenk is opgereden, de rijstrook bestemd voor het rechts afslaande verkeer is opgereden en in strijd met gestelde in artikel 68 lid 1 onder c. van voormeld reglement en een voor de kruising/splitsing van deze rijstrook/weg en de Ugchelseweg gesitueerd en in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd verkeerslicht, dat rood licht

uitstraalde, inhoudende: "Stop" , niet voor de op het wegdek van die rijstrook aangebrachte stopstreep, dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) tot stilstand heeft gebracht, doch die kruising/splitsing is opgereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

4.

hij op of omstreeks 22 mei 2014 te Apeldoorn in de gemeente Apeldoorn opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 9,70 kilogram en/of 2,60 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer 2,9 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep, (telkens) een middel/en als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

hij op of omstreeks 22 mei 2014 te Apeldoorn in de gemeente Apeldoorn opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 34,90 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Ten aanzien van feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 22 mei 2014 bestuurde verdachte een personenauto van het merk Volkswagen. Hij reed daarmee binnen de bebouwde kom van Apeldoorn, op de Ugchelseweg in de richting van de kruising van de Ugchelseweg en de Jachtlaan.2 Op de Ugchelseweg gold op dat moment een maximum snelheid van 50 kilometer per uur.3 Verdachte is aldaar met een te hoge snelheid een – gezien zijn rijrichting – naar rechts lopende bocht ingereden, uit de bocht gevlogen en op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte terechtgekomen.4 Daarna is hij tegen een personenauto van het merk Volvo gebotst, die over dat voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte van de Ugchelseweg reed.5 De bestuurster van die Volvo, [slachtoffer] , heeft daarbij kneuzingen, onder andere aan haar linker knie en been en een breuk in haar linker onderarm opgelopen.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair onder 1 tenlastegelegde feit. Zij is van mening dat op grond van de inhoud van het dossier kan worden gesteld dat verdachte als bestuurder van de personenauto een ongeval heeft veroorzaakt waarbij hij zeer onvoorzichtig heeft gehandeld. Volgens de officier van justitie is het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het bewijs geen opmerkingen gemaakt.

De beoordeling door de rechtbank

Gelet op hetgeen als vaststaand is aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte als bestuurder van de auto een ongeval heeft veroorzaakt. De vraag is vervolgens of verdachte door zijn verkeersgedrag artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW ‘94) heeft overtreden. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW ‘94, is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW ‘94.

Vast staat dat verdachte op de Ugchelseweg harder heeft gereden dan daar was toegestaan. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij ongeveer 80 kilometer per uur reed. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij ongeveer 60 of 70 kilometer per uur reed. Op het wegdek van de Ugchelseweg is een bandenspoor van de Volkswagen aangetroffen. Verbalisanten hebben op grond daarvan een verkeersongevallenanalyse gemaakt en hebben de door verdachte gereden snelheid op de Ugchelseweg berekend. De berekende snelheid van de Volkswagen is 93 kilometer per uur, waarbij is opgemerkt dat de snelheid van dat voertuig bij het begin van het bandenspoor 86 kilometer per uur bedroeg.7 De rechtbank acht de verklaringen van verdachte over de door hem gereden snelheid in het licht van de berekeningen van verbalisanten, niet aannemelijk. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de berekening van de verkeersongevalsanalyse. De rechtbank acht verdachtes verklaringen te meer niet aannemelijk, nu in de verkeersongevalsanalyse is opgemerkt dat de Volkswagen voor de plaats van de botsing tot stilstand had kunnen komen bij een snelheid van 82 kilometer per uur of minder.8 Verdachte moet dus harder hebben gereden dan die snelheid.

Door zo hard te rijden als berekend, heeft verdachte een krachtens de WVW `stgestelde maximum snelheid (te weten een in artikel 20 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 gesteld maximum, hierna: RVV1990) fors overschreden.

Zoals hiervoor vermeld heeft [slachtoffer] kneuzingen en een breuk in haar linker onderarm opgelopen. Naast dat zij tijdelijk verhinderd is geweest in de uitoefening van haar dagelijkse bezigheden en gedurende vijf maanden niet heeft kunnen werken, heeft [slachtoffer] in juni 2015 verklaard dat sprake is van blijvend letsel aan haar linker onderarm. Zij kan haar linker onderarm en haar pols niet volledig strekken of buigen. Dit zal niet meer herstellen. Daarnaast heeft zij letsel aan haar rechterbeen opgelopen, dat niet geheel zal herstellen.9

Nu het letsel zo ernstig is als omschreven en geen uitzicht op volkomen genezing bestaat, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .

Verdachte heeft aldus de maximum toegestane snelheid ernstig overschreden door binnen de bebouwde kom ongeveer 93 kilometer per uur te rijden, is met die snelheid een – gezien zijn rijrichting – naar rechts lopende bocht ingereden, uit de bocht gevlogen en op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte terechtgekomen. Hij heeft daarmee niet aan de aan hem gestelde verplichting in artikel 3 RVV1990 voldaan. Verdachte is daarna frontaal op een tegemoetkomende personenauto gebotst. Hij heeft zo hard gereden, omdat hij achtervolgd werd door de politie en wilde aan hen te ontkomen, omdat hij niet wilde dat zij ontdekten dat hij in zijn auto drugs aanwezig had.10 Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze omstandigheden van dien aard dat sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag waardoor verdachte een ongeval heeft veroorzaakt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte schuld in de zin van artikel 6 WVW ‘94 draagt aan dit ongeval.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] d.d. 22 mei 2014, p. 22 t/m 24;

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , p. 15 en 16;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 november 2015.

Ten aanzien van feit 3

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 22 mei 2014 bestuurde verdachte een personenauto op de Klein Hattem in Apeldoorn.11 De Klein Hattem is een weg met een lengte van ongeveer 385 meter. De breedte tussen de aan beide zijden van de weg aanwezige grindstroken bedraagt ongeveer 5.20 meter en de weg is voorzien van 6 verkeersdrempels.12 Op die weg kwam verdachte een grote groep fietsers, bestaande uit minderjarige kinderen en ouders, tegemoet rijden.13

Verdachte is vervolgens de Laan van Westenenk opgereden, is op het kruispunt rechtsaf de Ugchelseweg opgereden en heeft daarbij niet eerst zijn auto tot stilstand gebracht, terwijl een voor die kruising geplaatst en in zijn rijrichting gekeerd verkeerslicht rood uitstraalde.14

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 tenlastegelegde feit. Verdachte heeft hard gereden, terwijl hem een groep fietsers bestaande uit ouders met kinderen tegemoet kwam fietsen. Daarnaast heeft verdachte een rood verkeerslicht genegeerd. Verdachte heeft volgens de officier van justitie gevaarlijk gereden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het bewijs geen opmerkingen gemaakt.

De beoordeling door de rechtbank

Op de Klein Hattem gold op 22 mei 2014 een maximum snelheid van 30 kilometer per uur.15 Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij niet wist dat de Klein Hattem een 30-kilometer-zone betrof, heeft hij ten overstaan van de politie verklaard dat hij dat wel wist. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het wel kan kloppen dat hij 50 á 60 kilometer per uur heeft gereden.16 Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben daarnaast ook gezien dat verdachte met zeer hoge snelheid over de Klein Hattem reed. Zij hebben niet op de kilometerteller van de dienstauto gekeken, maar verdachte reed zo hard dat de afstand tussen hen en verdachte steeds groter werd en ze hem bijna uit het oog verloren.17

Verdachte heeft ter terechtzitting voorts verklaard dat hij heeft gezien dat een grote groep ouders met kinderen in tegengestelde richting over de Klein Hattem fietsten. Om hen te ontwijken, is hij op de grindstrook gaan rijdenNaast dat verbalisanten hebben gezien dat verdachte uitweek naar de rechter grindstrook, hebben zij echter ook gezien dat tegemoetkomende fietsers uitweken naar de aan hun zijde gelegen grindstrook, om een aanrijding te voorkomen.18 De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van verbalisanten.

Verdachte heeft aldus (fors) harder gereden dan de maximum toegestane snelheid van 30 kilometer per uur. Hij heeft zodanig gereden dat een groep tegemoetkomende fietsers, waaronder minderjarige kinderen, moest uitwijken om een aanrijding met verdachte te voorkomen. Daarnaast is verdachte een kruising opgereden, terwijl hij een rood verkeerslicht (als bedoeld in artikel 68 lid 1 onder c RVV1990) heeft genegeerd. Een – in dit geval rood uitstralend – verkeerslicht is bedoeld om het verkeer op een veilige manier te reguleren. Het is een feit van algemene bekendheid dat het negeren van zo’n verkeersteken gevaarlijke situaties kan veroorzaken.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte zich als bestuurder van een personenauto dusdanig heeft gedragen dat hij daarmee op de weg gevaar heeft veroorzaakt en het verkeer op die weg heeft gehinderd. De rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 4

Overweging ten aanzien van het gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat sprake is van een schending van een fundamenteel vormvoorschrift, die niet meer kan worden hersteld. Zijn cliënt heeft in het ziekenhuis een voor zichzelf belastende verklaring afgelegd, zonder dat hem de cautie was gegeven. De raadsman is daarom van mening dat de resultaten van het onderzoek die door dat verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs. Dat maakt dat de raadsman van mening is dat zijn cliënt moet worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.
Het dossier bevat een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] , gedateerd 22 mei 2014, waarin hij beschrijft dat hij samen met een collega en verdachte in het ziekenhuis was, omdat verdachte naar aanleiding van het verkeersongeval moest worden onderzocht. Volgens [verbalisant 5] heeft verdachte hem daar – voor zover in dit kader relevant – geheel ongevraagd verteld dat hij op de achterbank van zijn auto een doos met wiet had liggen.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan dit op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal. Gelet op hetgeen in het proces-verbaal is beschreven, kan niet worden gesteld dat sprake was van een verhoorsituatie zoals bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering; verbalisanten waren immers enkel met verdachte in het ziekenhuis, opdat verdachte medisch kon worden onderzocht. Verbalisanten waren daarom niet gehouden om verdachte de cautie te geven. De rechtbank zal het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 5] , alsmede overige zich in het dossier bevindende processen-verbaal die zien op het onderzoek naar en van de in de auto aanwezige verdovende middelen, dan ook niet uitsluiten van het bewijs. Het verweer wordt, zoals ook door de officier van justitie gevorderd, verworpen.

Nu verdachte ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde (ook ter terechtzitting) een bekennende verklaring heeft afgelegd en aldus sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering, alsmede het feit dat door de raadsman ten aanzien van het bewijs verder geen opmerkingen zijn gemaakt, zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] d.d. 22 mei 2014, p. 21;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] d.d. 23 mei 2014, p. 31 en 32;

- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 8] , [verbalisant 9] en [verbalisant 10] d.d. 26 mei 2014, p. 48 t/m 51;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 40, boven het midden;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 november 2015.

Ten aanzien van feit 5

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] d.d. 22 mei 2014, p. 22 t/m 24;

- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 8] , [verbalisant 9] en [verbalisant 10] d.d. 26 mei 2014, p. 48 t/m 51;

- het rapport Identificatie van drugs en precusoren van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door ing. [naam] d.d. 4 juni 2014, p. 52 en 53.

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 november 2015.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en het onder 2 tot en met 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 22 mei 2014 te Apeldoorn in de gemeente Apeldoorn, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,

(personenauto, merk VW), daarmede gaande in de richting van de

kruising/splitsing van de Ugchelseweg en de Jachtlaan, op de weg, de

Ugchelseweg zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, binnen de bebouwde kom en in strijd met het gestelde in artikel 20 van het

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, heeft gereden met een

snelheid van ongeveer 92 kilometer per uur, in elk geval met een grotere

snelheid dan de maximum aldaar voor hem, verdachte toegestane snelheid van 50

kilometer per uur en/of met die hoge snelheid, althans nagenoeg die snelheid, een in die weg gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting, naar rechts lopende bocht met zodanige

hoge snelheid is in- en of doorgereden, dat hij, verdachte uit deze bocht is

gevlogen en/of met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto, merk VW)

op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de

Ugchelseweg) is terecht gekomen en/of daarbij niet aan zijn, verdachtes

verplichting, als vermeld in artikel 3 van voormeld reglement, inhoudende:

"Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden", heeft voldaan

en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een over dat voor het

tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (Ugchelseweg) rijdend,

hem, verdachte toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto,

merk Volvo), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] )

zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan en/of welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximum snelheid in ernstige

mate heeft overschreden;

2.

hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken

was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Apeldoorn in de gemeente Apeldoorn op/aan de Ugchelseweg, op of omstreeks 22 mei 2014 omstreeks 17.30 uur de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht;

3.

hij op of omstreeks 22 mei 2014 te Apeldoorn in de gemeente Apeldoorn als

bestuurder van een voertuig (personenauto), op de weg, de Klein Hattem, zijnde een weg met een lengte van ongeveer 385 meter, met een breedte van ongeveer 5.20 meter (tussen de aan beide zijde aanwezige grindstroken) en in welke weg 6, althans een aantal verkeersdrempels zijn gesitueerd, terwijl op dat moment een grote groep/en fietser/s (ouders met kinderen) hem,

verdachte over die weg (de Klein Hattem) tegemoet reden op zodanige wijze en/of met hoge snelheid, althans met een grotere snelheid dan de aldaar ingevolge bord A1 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met daarop 30, aangegeven maximum snelheid van 30 kilometer per uur, heeft gereden, dat een aantal van die fietsers heeft moeten uitwijken om een aanrijding met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) te voorkomen en/of (vervolgens) de weg, de Laan van Westenenk is opgereden, de rijstrook bestemd voor het rechts afslaande verkeer is opgereden en in strijd met gestelde in artikel 68 lid 1 onder c van voormeld reglement en een voor de kruising/splitsing van deze rijstrook/weg en de Ugchelseweg gesitueerd en in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd verkeerslicht, dat rood licht

uitstraalde, inhoudende: "Stop" , niet voor de op het wegdek van die rijstrook aangebrachte stopstreep, dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) tot stilstand heeft gebracht, doch die kruising/splitsing is opgereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

4.

hij op of omstreeks 22 mei 2014 te Apeldoorn in de gemeente Apeldoorn opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 9,70 kilogram en/of 2,60 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer 2,9 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep, (telkens) een middel/en als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

hij op of omstreeks 22 mei 2014 te Apeldoorn in de gemeente Apeldoorn opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 34,90 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 7 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van feit 3:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van feit 4:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 5:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Overweging ten aanzien van het gedane beroep op psychische overmacht

De raadsman heeft in het kader van het onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde een beroep gedaan op psychische overmacht. Hij heeft daartoe bepleit dat bij zijn cliënt sprake was van een psychische druk waartegen hij geen weerstand kon en behoefde te bieden. Bij zijn cliënt, die van Marokkaanse komaf is, was sprake van schaamte en schande ten opzichte van zijn familie, nu hij zich – zakelijk weergegeven – liet lenen voor het vervoeren van drugs. In de Arabische samenleving zijn de fenomenen ‘schaamte’ en ‘schande’ van grote betekenis.

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op hetgeen is gesteld niet worden gezegd dat sprake is van een van buiten komende drang. Een gevoel van schaamte is immers intrinsiek en komt dus uit verdachte zelf. De rechtbank merkt voorts op, dat al zou sprake zijn van een van buiten komende drang, het niet zo is dat verdachte daartegen geen weerstand kon en behoefde te bieden. Verdachte heeft zelf besloten om zich te lenen voor het vervoeren (aanwezig hebben) van drugs en heeft eerder verklaard dat hij voor de politie is gevlucht, omdat hij niet naar de gevangenis wilde. Dit heeft geresulteerd in het onder 1 tot en met 3 bewezenverklaarde handelen.

Het beroep wordt verworpen.

Gelet op het vorengaande is verdachte strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie gevorderd een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft zij ten aanzien van feit 3 een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden gevorderd, met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft bij het bepalen van haar strafeis rekening gehouden met het feit dat sprake is van ernstige feiten. De officier van justitie heeft ten aanzien van de voorwaardelijke gevangenisstraf geen bijzondere voorwaarden geëist, nu zij met de reclassering van mening is dat verdachte wordt omringd door een sociaal netwerk, dat ervoor kan zorgen dat verdachte niet afglijdt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om zijn cliënt geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de periode dat zijn cliënt in verzekering gesteld is geweest. Volgens de raadsman roept een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf een reëel risico op tot het verlies van huisvesting, werk en inkomen. Dit zou mogelijk tot recidive kunnen leiden. De raadsman heeft zich gelet daarop op het standpunt gesteld dat een combinatie van de maximaal op te leggen werkstraf voor de duur van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Hij heeft in dit kader onder meer bepleit dat zijn cliënt beschikt over eigen woonruimte en een baan. Daarnaast heeft hij onder druk van zijn vriendin en zijn familie de contacten met personen in het drugscircuit verbroken.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met het feit dat bij zijn cliënt sprake was van een psychische druk, in die zin dat sprake was van schande en schaamte ten opzichte van zijn familie.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 13 oktober 2015; en

- een advies van Reclassering Nederland, gedateerd 2 november 2015.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft gevaar en hinder veroorzaakt op de weg, heeft een verkeersongeval veroorzaakt waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en heeft de plaats van dit betreffende verkeersongeval verlaten zonder zijn identiteit kenbaar te maken. Daarnaast heeft hij hennep, hasjiesj en cocaïne voorhanden gehad. Dit zijn ernstige feiten en verdachte heeft laakbaar gehandeld.

Hoewel deze feiten in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende sanctie rechtvaardigen, zal de rechtbank een dergelijke straf niet opleggen, nu zij bij het bepalen van de straf rekening houdt met het volgende.
Verdachte heeft ter terechtzitting oprecht berouw getoond en is nog niet eerder veroordeeld ten aanzien van soortgelijke feiten. Daarnaast is ter terechtzitting en uit het reclasseringsrapport van 2 november 2015 – kort gezegd – naar voren gekomen dat verdachte zijn leven inmiddels op de rit heeft. Hij beschikt over eigen woonruimte en heeft werk. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte zich nog inlaat met personen uit het drugscircuit. Het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf zal ervoor kunnen zorgen dat verdachte zijn baan en woonruimte verliest. Daarnaast zal zijn ondersteunende sociale netwerk afnemen. De rechtbank is van oordeel dat deze factoren er juist (mede) voor zorgen dat verdachte niet afglijdt en de kans op recidive zo veel mogelijk beperkt blijft. Zij acht het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf in dit specifieke geval daarom onwenselijk.

De aard en ernst van de feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank evenwel de maximale werkstraf van 240 uren. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden als een forse stok achter de deur passend en geboden. De proeftijd zal worden bepaald op 2 jaren. De reclassering heeft in het rapport van 2 november 2015 beschreven dat de lijdensdruk vanuit verdachtes vriendin en (schoon-)familie op zichzelf al een voldoende recidive beperkend effect hebben bij verdachte. Daarin ziet de rechtbank reden om geen bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te koppelen.

De tijd die verdachte in verzekering gesteld is geweest, zal op de werkstraf in mindering worden gebracht.

Ook acht de rechtbank gelet op de ernst van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde handelen een ontzegging van de rijbevoegdheid noodzakelijk. Zij zal ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar opleggen. Dit is hoger dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank acht een ontzegging van de rijbevoegdheid van voornoemde duur gelet op verdachtes gevaarzettende rijgedrag echter passend en geboden. Zij merkt daarbij nog op dat verdachte, hoewel hij een ontzegging van de rijbevoegdheid als vervelend zal ervaren, door deze bijkomende straf niet het risico loopt om zijn baan kwijt te raken, nu hij ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij het openbaar vervoer kan gebruiken om op zijn werk te komen. De tijd gedurende welke het rijbewijs al ingevorderd is geweest, zal op de onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid in mindering worden gebracht. Ten aan zien van het onder 3 bewezenverklaarde zal een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden worden opgelegd. De proeftijd zal worden bepaald op 2 jaren.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 5, 6, 7, 175, 176, 177, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 3, 10, 11 en 13 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

De algemene voorwaarde:

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde voorts tot:

  • -

    een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

  • -

    beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

De rechtbank:

  • -

    ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar;

  • -

    bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;

  • -

    ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden;

  • -

    bepaalt, dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Barrau (voorzitter), mr. E.G. de Jong en mr. C. Kleinrensink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 november 2015.

mr. E.G. de Jong is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 10] van de politie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL062B-2014069610, gesloten op 6 augustus 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 16 november 2015 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 39, onder het midden en p. 40, derde alinea.

3 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 30 juni 2014 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , p. 66, bovenaan derde alinea.

4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 16 november 2015 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 40, laatste alinea en het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 30 juni 2014 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , p. 66, laatste alinea.

5 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 16 november 2015 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 40, derde en het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 30 juni 2014 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , p. 66, laatste alinea en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , p. 23, midden en het proces-verbaal van verhoor benadeelde [slachtoffer] d.d. 22 mei 2014, p. 13.

6 De geneeskundige verklaring m.b.t. [slachtoffer] d.d. 22 augustus 2014, p. 14f en 14g.

7 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 30 juni 2014 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , p. 66, laatste alinea en p. 83.

8 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 30 juni 2014 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , p. 66, laatste alinea en p. 83.

9 Het proces-verbaal van verhoor benadeelde [slachtoffer] d.d. 16 juni 2015 (separaat ingezonden).

10 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 16 november 2015.

11 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 16 november 2015 en het en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , p. 22, onder het midden.

12 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] d.d. 19 maart 2015 (separaat ingezonden).

13 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 16 november 2015 en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] d.d. 19 maart 2015 (separaat ingezonden).

14 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 16 november 2015 en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] d.d. 19 maart 2015 (separaat ingezonden).

15 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , p. 22, onder het midden.

16 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 16 november 2015.

17 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , p. 22, onder het midden en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] d.d. 19 maart 2015 (separaat ingezonden).

18 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] d.d. 19 maart 2015 (separaat ingezonden).