Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7713

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
11-12-2015
Zaaknummer
278612
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of uit overeenkomst tussen partijen afdwingbare resultaatsverbintenissen voortvloeien of een inspanningsverplichting. Uitleg. Geen tekortkoming in de nakoming van de inspanningsverplichting. De in reconventie gevorderde (partiële) ontbinding wordt daarom afgewezen. Vordering in conventie tot betaling van openstaande facturen wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2510
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/278612 / HA ZA 15-113

Vonnis van 28 oktober 2015

in de zaak van

de stichting

STICHTING DIENST LANDBOUWKUNDIG ONDERZOEK,

gevestigd te Wageningen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.E.C.A. Vlasman te Laren (Noord-Holland),

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te Rhenen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. T. van der Meeren te Heilig Landstichting.

Partijen zullen hierna DLO en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 mei 2015,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 augustus 2015,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie,

  • -

    de akte wijziging van eis in reconventie van [gedaagde] ,

  • -

    de antwoordakte van DLO.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

DLO is een stichting die activiteiten ontplooit in het kader van landbouwkundig onderzoek. Binnen de stichting fungeren verschillende onderzoeksinstituten zonder rechtspersoonlijkheid, waaronder de in het geding zijnde Food & Bioased Research (hierna: FBR).

2.2.

[gedaagde] maakt onderdeel uit van een concern dat zich bezig houdt met het ontwikkelen, fabriceren en handelen in verf, verfwaren en aanverwante artikelen.

2.3.

Partijen zijn met elkaar in het kader van een project, genaamd “high solid biobindmiddelen voor biobased verven”, op 2/4 november 2011 een overeenkomst aangegaan waarbij DLO opdrachtnemer was en [gedaagde] opdrachtgever (hierna: de Overeenkomst). Het betrof een overeenkomst tot het uitvoeren van onderzoek naar - kort gezegd - ontwikkeling van volledig op hernieuwbare grondstoffen gebaseerde bindmiddelen voor verven door DLO met een looptijd van (initieel) twee jaren en een totale door [gedaagde] te betalen prijs van € 157.230,00 exclusief btw. In de Overeenkomst is – onder meer – als volgt bepaald:

“(…)

Artikel 1. Definities

(…)

Effectieve Datum:

De “Effectieve Datum” van deze Overeenkomst is 1 november 2011.

Onderzoekwerkplan:

Het “onderzoekwerkplan” is de beschrijving van de activiteiten aangaande het Onderzoek, overeengekomen tussen Partijen en opgenomen in bijlage 1. Onderdeel van het Onderzoekwerkplan is de projectbegroting welke de begroting is van de kosten van het Onderzoek en welke is opgenomen in bijlage 2.

(…)

Artikel 2. Uitvoering van de Overeenkomst

2.1.

Het onderzoek zal worden uitgevoerd volgens het Onderzoekwerkplan en onder leiding van en supervisie van de Projectleider.

2.2.

Met het aanvaarden van de Overeenkomst, verbindt FBR zich tot niet meer dan bij de uitvoering van het Onderzoek te streven naar een voor [gedaagde] bruikbaar resultaat.

2.3.

Alle in het Onderzoekwerkplan vermelde termijnen en leveringsdata zijn schattingen, tenzij uitdrukkelijk anders is overeengekomen. De enkele overschrijding van een termijn resulteert niet in verzuim. Indien een termijn wordt of dreigt te worden overschreden, zal FBR [gedaagde] hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte stellen. FBR kan in dat geval in overleg met [gedaagde] een herziene planning vaststellen.

2.5.

Het onderzoek bevat een tweetal Go/No Go momenten, een half jaar en één jaar na de Effectieve datum, waarop [gedaagde] kan beslissen het Onderzoek voort te zetten of stop te zetten, één en ander nader omschreven in het Onderzoekwerkplan. In het geval dat [gedaagde] een No Go beslissing neemt, zal [gedaagde] FBR hiervan, met redenen omkleed, binnen twee (2) weken na het Go/No Go moment, schriftelijk op de hoogte stellen. (…) Indien FBR binnen de gegeven periode geen schriftelijk beslissing van [gedaagde] heeft ontvangen zal worden aangenomen dat er een Go beslissing is genomen. In geval van een No Go beslissing zal deze Overeenkomst automatisch met onmiddellijke ingang beëindigd zijn, met in acht name van artikel 8.5.

Artikel 3. Prijs en Betaling

3.1.

De totale prijs van het Onderzoek bedraagt honderdzevenenvijftigduizendtweehonderddertig Euro (€ 157,230,-) in totaal en is nader gespecificeerd in de projectbegroting (bijlage 2). (…) Kosten van het onderzoek tot aan het eerste Go/no Go moment zijn vierenveertigduizendzeshonderdnegen Euro (€ 44.609,-). Kosten van het Onderzoek tot aan het 2e Go/No Go moment zijn vierentachtigduizendachthonderdveertien Euro (€ 84.814,-).

(…)

3.3.

De prijs van het Onderzoek zal door [gedaagde] in termijnen worden voldaan. FBR zal hiertoe facturen doen uitgaan die door [gedaagde] binnen dertig (30) dagen na dagtekening van de desbetreffende ontvangen factuur zullen zijn voldaan. (…)

3.4.

Wanneer een factuur niet volgens artikel 3.3. binnen dertig (30) dagen na dagtekening wordt voldaan, dan wordt het factuurbedrag verhoogd met één en een kwart procent (1,25%) per dertig (30) dagen en in rekening gebracht tot volledige betaling van het factuurbedrag, inclusief verhoging van één en een kwart procent (1,25%) per dertig (30) dagen, heeft plaatsgevonden. Tevens kan FBR alle buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten tot incassering van het verschuldigde verhalen op [gedaagde] , welke buitengerechtelijke kosten tenminste tien procent (10%) van al het verschuldigde zullen bedrage, met een minimum van duizend Euro (€ 1000), exclusief BTW.

(…)

Artikel 4. Berichten en Rapportage

4.1.

FBR zal overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in het Onderzoekswerkplan aan [gedaagde] rapporteren omtrent de stand van zaken, voortgang van het Onderzoek dan wel eventuele Onderzoeksresultaten. Voorts zal FBR op redelijk verzoek van [gedaagde] naar beste vermogen inlichtingen verschaffen met betrekking tot specifieke vraagpunten, sturing en ontwikkeling terzake het Onderzoek, via werkbesprekingen, zo vaak als nodig. Werkbesprekingen vinden plaats onder leiding van de Projectleider.

(…)

4.3.

Alle correspondentie, nota’s en alle Rapportage(s) zoals vereist of toegestaan onder deze Overeenkomst zal door Partijen aan de hierna genoemde adressen worden gestuurd:

[gedaagde]

t.a.v. dhr. [naam]

(…)

Food & Biobased Research

t.a.v. dr. Rolf Blaauw

(…)

Artikel 8. Duur en beëindiging van de Overeenkomst

8.1.

Deze Overeenkomst vangt aan op de Effectieve Datum en zal voortduren tot het moment dat het Onderzoek voltooid is – behoudens in geval het bepaalde in artikel 2.6. van toepassing is.

8.2.

Indien één der Partijen een uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichting niet nakomt, zal de betreffende Partij, na in gebreke stelling, de mogelijkheid hebben om binnen een redelijke termijn alsnog deze verplichting na te komen. Bij uitblijven hiervan binnen deze gestelde termijn is de in gebreke stellende Partij bevoegd de Overeenkomst te ontbinden door middel van aangetekend schrijven, zonder inachtneming van een opzegtermijn, onverminderd het recht op schadevergoeding. Tevens zullen alle vorderingen van de ontbindende Partij op de tekortkomende Partij direct opeisbaar zijn.

(…)

8.4.

Indien [gedaagde] op het moment van de ontbinding als bedoeld in artikel 8.2. reeds prestaties ter uitvoering van de Overeenkomst heeft ontvangen, zullen deze prestaties en de daarmee samenhangende betalingsverplichting geen voorwerp van ongedaanmaking zijn, tenzij FBR ten aanzien van die prestaties in verzuim is. Bedragen die FBR voor de ontbinding heeft gefactureerd in verband met hetgeen zijn reeds ter uitvoering van de Overeenkomst heeft verricht of geleverd, blijven met inachtneming van de het in de vorige volzin bepaalde onverminderd verschuldigd en worden op het moment van de ontbinding direct opeisbaar.

(…)

Artikel 9. Aansprakelijkheid

9.1.

FBR aanvaardt wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding voor zover dat uit dit artikel 9 blijkt.

9.2.

De aansprakelijkheid van FBR voor schade bij [gedaagde] is in elk geval beperkt tot directe schade met een maximum van honderd procent (100%) van de door [gedaagde] reeds betaalde bedragen ter zake van het Onderzoek in verband waarmee de schade is ontstaan. Indien het een Onderzoek met verschillende fases betreft geldt een verdere beperking van de hier bedoelde aansprakelijkheid tot maximaal de betaalde prijs voor die fase waarin de schade is ontstaan.

9.3.

FBR is nimmer aansprakelijk voor enige indirecte schade, gevolgschade of enige andere bijkomstige schade (waaronder, maar niet gelimiteerd tot gederfde omzet of winst, verlies van data, verlies van het gebruik van apparatuur). FBR is jegens [gedaagde] nimmer aansprakelijk voor schade ten gevolge van of in verband met door haar verricht Onderzoek en/of het gebruik van daaruit voortvloeiende Onderzoeksresultaten, tenzij en voor zover de schade veroorzaakt is door grove schuld en/of opzet door een leidinggevende van FBR.

(…)

9.6.

Eventuele aanspraken van [gedaagde] in de hier bedoelde zin dienen zo spoedig mogelijk maar in ieder geval binnen één (1) jaar na het einde van de Overeenkomst te zijn ingediend, bij gebreke waaraan het recht op schadevergoeding vervalt.

(…)

Artikel 14. Overig

(…)

In geval van tegenstrijdigheden tussen de contractdocumenten prevaleert de Overeenkomst boven het Onderzoekwerkplan, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald. In geval van tegenstrijdigheid tussen later overeengekomen bijlagen geldt dat een later gedateerd document prevaleert boven een eerder gedateerd document.

(…)”

In het onderzoekwerkplan is als volgt geschreven:

“1. Achtergrond en motivatie

(…) Herfst en Helder (toevoeging rb: onderdeel van [gedaagde] ) heeft als innovatief verfbedrijf de wens om als eerste volledig op hernieuwbare grondstoffen gebaseerde bindmiddelen te gebruiken voor zijn verfformuleringen en deze verven te vermarkten. Dergelijke biobindmiddelen zijn op dit moment nog niet beschikbaar.

Om deze ambitie te helpen realiseren heeft Herfst en Helder daarbij de hulp gezocht van Wageningen Food & Biobased Research; een onderzoeksinstituut dat reeds vele jaren werkt aan biobased producten, waaronder bio-verven.

(…)

3. Aanpak

Wageningen Food & Biobased Research en Herfst en Helder zulen in een onderzoekstraject van twee-en half jaar, werken aan de ontwikkeling en eerste opschaling van de biobindmiddelen en het verkennen van de marktintroductie.

Het technologisch onderzoek zal de bereiding van diverse series van biobindmiddelen, op 0.5 tot 1 liter schaal, omvatten, die na bereiding en karakterisatie bij WUR/FBR, op aspecten als gemiddeld molgewicht, molgewichtsverdeling, (…), zuurgetal, hydroxygetal en viscositeit worden beoordeeld en vervolgens bij Herfst en Helder in verfformuleringen worden verwerkt en door hen worden geëvalueerd op aspecten als drogingssnelheid, doordroging, hardheid van de film, kleur, mengbaarheid met kleurenpasta’s en levensduur (waaronder glansbehoud als functie van de tijd). De performance van de verfformuleringen zal worden vergeleken met referentieformuleringen.

Zo zullen na iedere serie biobindmiddelen en de evaluaties omtrent de werking in de verfformuleringen die verkregen worden, aanwijzingen worden verkregen hoe de structuur van de bindmiddelen kan worden aangepast om tot een (nog) meer optimale performance te komen.

Iedere serie zal uit 3-4 bindmiddelen bestaan waarmee bij Herfst & Helder uit ieder bindmiddel globaal een liter verf geformuleerd zal kunnen worden voor evaluatie op verfeigenschappen. De verven zullen geformuleerd worden met een milieuvriendelijk additieven pakket. Na 6 tot 7 series bindmiddelen zal zo een bindmiddel receptuur ontwikkeld zijn die uitzicht geeft op een goede tot uitstekende performance in verven, binnen het marktbereik dat Herfst & Helder nastreeft.

Per serie biobindmiddelen zal voor synthese en volledige karakterisatie een looptijd van ca. 6 weken benodigd zijn bij inzet een ca 0.6 fte aan onderzoekers. Evaluatie bij Herfst & Helder zal vervolgens ca. 2-3 weken duren. Zo kunnen met een doorlooptijd van anderhalf jaar een 6 tal series biobindmiddelen uitgebreid geëvalueerd worden op hun geschiktheid te worden gebruikt in de verven van Herfst & Helder.

Mocht onverhoopt en onverwachts na de evaluatie van twee series bindmiddelen (na 6 maanden), blijken dat de werking van de biobindmiddelen niet aan de verwachtingen van Herfst & Helder voldoet en dat er te weinig uitzicht op verbetering is, dan kan besloten worden het project te beëindigen.

Na anderhalf jaar is de screening van de verschillende series biobindmiddelen afgerond en zullen één of twee van de meest veelbelovende bindmiddelen op grotere labschaal (5-10 liter) worden gemaakt, in overleg en met hulp van een bindmiddelproducent. Indien een bindmiddel producent wordt gevonden die al in dit stadium op groter dan 10 liter schaal wil investeren in de bindmiddel synthese, zal WUR/FBR daarbij de bindmiddel producent assisteren door middel van het aanleveren van de ontwikkelde receptuur en actief bijdragen door aanwezig te zijn bij de eerste opschaling reacties. Daarbij zal gekeken worden naar voor opschaling belangrijke eigenschappen als kinetiek en warmte overdracht.

In het vierde halfjaar van het onderzoek zullen zo grotere hoeveelheden bindmiddelen en verf kunnen worden geproduceerd die bij klanten van Herfst en Helder (bijv. woningbouw stichtingen, schildersbedrijven) uitgezet kunnen worden om bijvoorbeeld proefvlakken te kunnen schilderen.

WUR/FBR zal deze fase ondersteunen met technisch advies en het verder verfijnen van het additieven (droger)pakket.

Op deze wijze zal na ca. 2 jaar voldoende inzicht verkregen zijn om te besluiten of de biobindmiddelen een verder opschalingstraject zullen in gaan richting commerciele productie. In het laatste half jaar van het onderzoek zal WUR/FBR Herfst en Helder assisteren met betrekking tot de verdere marktverkenning.

4. Raming van kosten

De kosten voor het onderzoeksdeel uit te voeren door WUR/FBR bedragen € 157.230,- exclusief BTW in totaal. Kosten voor het eerste jaar zijn € 84.814,-, voor het 2e jaar € 61.409,- en voor het 3e jaar € 11.006,-. Na een half jaar zijn er twee go/no go momenten waarop besloten kan worden verder door te gaan met een onderzoek of het onderzoek optioneel te beëindigen. Kosten tot aan het 1e go/no go moment zijn € 44.609,-. Kosten tot aan het 2e go/no go moment zijn € 84.814,-.”

2.4.

DLO heeft in verband met de uitvoering van haar werkzaamheden facturen aan [gedaagde] gezonden. De eerste drie facturen van 7 december 2011 (€ 13.097,14 inclusief btw), 23 december 2011 (€ 13.329,19 inclusief btw) en 15 juni 2012 (€ 13.329,19 inclusief btw) zijn door [gedaagde] voldaan op respectievelijk 25 januari 2012, 21 februari 2012 en 11 juli 2012.

2.5.

DLO heeft bij factuur van 29 oktober 2012 een bedrag van € 13.329,19 (inclusief btw) bij [gedaagde] in rekening gebracht. Deze factuur is onbetaald gebleven. De heer [naam] van [gedaagde] (hiena: [naam] ) heeft nadien per (ongedateerde) e-mail aan DLO daarover geschreven:

“(…) Graag zouden we de betaling van de rekening in 2 tranches doen:

op 20 december over te maken 7000 Euro

op 21 januari 2013 over te maken 6.329,19 Euro

Ik hoop op uw welwillende medewerking.”

2.6.

[naam] heeft op 6 maart 2013 als volgt per e-mail aan de heer R. Blaauw (onderzoeker bij DLO, hierna: Blaauw) geschreven:

“Even voor de zekerheid, we hebben toch afgesproken dat wij betalen nadat jij die rapportage hebt gemaakt?”

Blaauw heeft diezelfde dag geantwoord “Klopt!”.

2.7.

In augustus 2013 heeft DLO een rapport aan [gedaagde] toegestuurd, met als ondertitel “Eerste voortgangsrapportage”. Daaruit wordt als volgt geciteerd:

3.3. Resultaten en discussie

Tijdens de harssyntheses zijn geen praktische problemen ondervonden. Wel was in enkele gevallen de opgevangen hoeveelheid condensatiewater laag. Een verklaring hiervoor kon niet worden gevonden. Verder valt op dat de viscositeit van de latere harsen (…) veel lager is dan die van de eerste harsen. Ook hier kon geen goede verklaring voor worden gegeven. De harsen zijn op basiseigenschappen (…) getest door Herfst & Helder / [gedaagde] Coatings. Voor gedetailleerde beschrijving van de testen en de resultaten wordt verwezen naar de laboratoriumrapportages. Samenvattend werden de volgende eigenschappen vastgesteld:

  • -

    alle harsen drogen vrij langzaam t.o.v. een commerciële referentiehars

  • -

    in de loop van enkele dagen drogen treedt vergeling van de film op

  • -

    de films voelen stroef aan, en kunnen gemakkelijk stuk gekrabd worden, m.a.w. filmsterkte is onvoldoende.

Al met al bevindt zich onder de polyglycerol-harsen nog geen veelbelovende kandidaat voor een 100% bio-based alkydhars. Op dit moment wordt aan andere types bio-based harsen gewerkt. Deze zullen in een volgende rapportage worden beschreven.”

2.8.

[naam] heeft daarna op 19 september 2013 als volgt aan DLO geschreven:

“(…) Ten aanzien van “stappen” zitten we op elkaar te wachten en dat bevordert de voortgang niet.

Ik denk dat het toch wel duidelijk is geworden dat wij in de eerste plaats naar inhoud kijken en in de tweede plaats de daaraan gerelateerde de financiële kant.

En als ik dan de inhoudelijke kant relateer aan het door FBR opgestelde Projectvoorstel, dan is een aanspraak op het eerste go /no go punt reëel te noemen.

Ik hoop dat we hier snel uit komen en een constructieve toekomst tegemoet gaan.”

2.9.

De heer A. van der Bent van DLO heeft op 11 november 2013 als volgt aan [naam] en de heer C. [gedaagde] van [gedaagde] geschreven:

“Op 2 oktober hebben we met elkaar gesproken over de (met name) financiële afhandeling van het Biocoat project. Dat was op zich een goed overleg, maar zonder concrete oplossingen. Uit de emails die na 2 oktober over en weer zijn toegestuurd komt duidelijk naar voren dat het nog niet gelukt is om op één lijn te komen. De formele stand van zaken is dat de betaling van factuur 22701189 (toevoeging rb: de factuur van 29 oktober 2012) door de directie van [gedaagde] is tegengehouden. Vanuit de wens om tot overeenstemming te komen heeft FBR nog geen aansluitende facturen gestuurd. Behalve genoemde factuur van 11.201 € is er n.l. voor 101.745 € werk uitgevoerd dat nog niet is gefactureerd. In totaal gaat het dus om een bedrag van 112.946 € voor vooralsnog onbetaald werk. Deze situatie is voor ons niet acceptabel.

Hoe nu verder? Het herhalen van standpunten, wat in het vorige overleg al gebeurde en zich via de mail heeft voortgezet, lijkt ons weinig zinvol. Aan onze kant is er geen geduld voor verdere pogingen van de kant van [gedaagde] om de inspanningsverbintenis van FBR, die duidelijk is vastgelegd in de onderzoekovereenkomst, op te rekken tot een resultaatverbintenis, om vervolgens op grond van tegenvallend resultaat te claimen dat er dus niet geleverd zou zijn. FBR heeft geheel voldaan aan haar verplichtingen zoals die zijn vastgelegd in onze overeenkomst. Dat laat onverlet dat we jullie ervaring delen dat de resultaten ernstig tegenvallen, in een mate die we gelukkig zelden meemaken.

Wij stellen voor om nog één keer bijeen te komen in een ultieme poging er samen uit te komen. De bijeenkomst zal heel concreet moeten zijn over het doel en de beweegruimte om daar te komen (zijn partijen bereid tot een schikking?). Als dat niet werkt heeft het geen zin de discussies en mailwisselingen voort te zetten. FBR zal dan staan op onmiddellijke betaling van factuur 22701189 en betaling binnen 30 dagen van alle overige facturen (voor het OHW) die direct zullen volgen. Bij overschrijding van de betalingstermijn zullen facturen verhoogd worden met de contractueel overeengekomen rente van 1,25%, plus eventuele bijkomende kosten.”

2.10.

[gedaagde] heeft zich nadien tot een advocaat gewend. Deze heeft als volgt op 23 december 2013 aan DLO geschreven:

“(…) Uit het dossier maak ik op dat FBR te kort schiet in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Ik verwijs u hierbij o.a. naar de email van cliënte d.d. 26 september 2013 alsmede de emailcorrespondentie d.d. 11 en 14 oktober j.l.

Uit de correspondentie maak ik op dat onbetwist vaststaat dat FBR de afspraken omtrent het aantal samples per serie, het aantal series, de omvang van de samples en de overeengekomen planning heeft geschonden.

Cliënte heeft u meerdere malen in de gelegenheid gesteld om uw verplichtingen na te komen maar dat verzoek bleef zonder gevolg.

Ook het verzoek van cliënte om meer gegevens ter beschikking te stellen zodat cliënte inzicht krijgt waar u al die maanden mee bezig bent geweest. Ter zake verwijs ik naar artikel 7:402 en 403 BW.

Wat cliënte betreft is FBR in verzuim, althans in gebreke. Indien in rechte zou komen vast te staan dat FBR niet in verzuim zou zijn dan wordt FBR middels dit bericht nogmaals, maar thans voor de laatste keer, tot 10 januari 2014 in de gelegenheid gesteld om de afspraken uit de overeenkomst alsnog en in haar geheel na te komen waaronder (maar niet beperkt daartoe) het aanleveren van het aantal samples per serie, het aantal series, de hoeveelheid per serie, een beschrijving per sample zodat cliënte ook precies weet wat er in de samples zit en wat er mee is gedaan en waarom .

Namens cliënte verzoek en voor zoveel nodig sommeer ik u voor 10 januari 2014 alle gegevens met betrekking tot het door u uitgevoerde werkzaamheden ter beschikking te stellen, waaronder de urenverantwoording van het voorgaande in het kader van artikel 7:403 BW. Op u rust immers een informatie- en verantwoordingsplicht.

Gezien het voorgaande overweegt cliënte overeenkomstig artikel 7:408 BW de overeenkomst op te zeggen. Dat geldt temeer nu u in een gesprek heeft aangegeven niet meer met cliënte te willen spreken zoals er niet een deelbetaling aan u zou zijn verricht.

In dat gesprek is – in strijd met wat u in uw email d.d. 19 december j.l. stelt – niet afgesproken dat cliënte een substantieel deel van de uitstaande post alvast zou gaan betalen. Cliënte heeft u aangegeven zich te zullen beraden. Een toezegging tot betaling heeft cliënte niet gedaan.

In uw email geeft u aan dat u een eerste betaling van € 57.000,00 wenst te ontvangen op 27 december a.s. om 17:00 uur. Dat bedrag zal cliënte – gezien uw tekortkomingen – niet voor voornoemde datum betalen. Zij beroept zich op haar opschortingsrecht.

Cliënte vreest dat als de subsidieverstrekker eenmaal kennis krijgt van uw werkzaamheden, zij dat bedrag van cliënte terug zal vorderen. U kunt zich voorstellen dat cliënte dan weer dat bedrag bij u terug zal halen. Partijen staan er dan – op zijn zachts gezegd – nogal gekleurd op bij de subsidieverstrekker.

Kort en goed: cliënte is bereid om met u een regeling te treffen onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieverstrekker daarmee akkoord gaat.(…)”

2.11.

Bij e-mail bericht van 9 januari 2014 heeft DLO aan [gedaagde] bericht dat zij bereid is om in overleg te treden en informatie te verschaffen over de gevolgde onderzoekslijnen en de urenverantwoording.

2.12.

In een e-mail bericht van 16 januari 2014 heeft de advocaat van [gedaagde] als volgt aan DLO geantwoord:

“Uw e-mail besprak ik met cliënte. Ik constateer dat FBR niet aan mijn verzoek heeft gedaan. Ter zake verkeert FBR derhalve in verzuim. Cliënte is dus gerechtigd de overeenkomst te ontbinden.

Ten einde een en ander (nog) niet op de spits te drijven zal cliënte de overeenkomst (nog) niet ontbinden.

Indien en voor zover in rechte zou komen vast te staan dat FBR nog niet in verzuim zou verkeren, biedt cliënte FBR nog een 10 dagen om – voor zover nog mogelijk – te voldoen aan hetgeen partijen zijn overeengekomen.

U geeft verder aan dat het FBR niet duidelijk zou zijn wat cliënte precies van FBR zou willen. Wat cliënte precies van FBR wil staat niet alleen beschreven in de overeenkomst maar tevens in mijn e-mail waarop u heeft gereageerd. Voor de volledigheid hieronder een deel van de relevante passage uit die e-mail.

(…)

Indien FBR niet begrijpt wat cliënt zou willen ontvangen, dan is het wellicht verstandig om u te wenden tot degene die de overeenkomst heeft opgesteld. Dat is een persoon werkzaam bij uw organisatie. Mocht die het ook niet meer weten dan ontvang ik graag specifieke vragen van uw zijde wat u niet begrijpt.

Aangezien FBR niet zeker weet of zij wel nadere informatie aan cliënte gaat verschaffen tijdens het gesprek, ziet cliënte vooralsnog af van een bespreking en handhaaft zij de hierboven ingenomen stellingen en wacht zij uw reactie af.”

2.13.

DLO heeft ten slotte op 24 januari 2014 aan (de advocaat van) [gedaagde] geschreven:

“(…) FBR heeft aan al haar verplichtingen onder de overeenkomst voldaan. FBR betwist dat ook dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. FBR heeft zelfs herhaaldelijk – onverplicht – aangeboden aanvullende informatie te verstrekken en hierover met [gedaagde] in gesprek te gaan (laatstelijk in mijn email van 9 januari 2014).

[gedaagde] is op dit aanbod niet ingegaan. Oplevering van de eindrapportage is door FBR opgeschort vanwege het feit dat [gedaagde] de uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen niet nakomt.

FBR heeft [gedaagde] herhaaldelijk mondeling en per e-mail verzocht over te gaan tot betaling van de openstaande bedragen onder de overeenkomst. Tot op heden heeft FBR de openstaande bedragen niet van [gedaagde] ontvangen.

FBR verzoekt, en zo nodig sommeert, [gedaagde] daarom hierbij het openstaande bedragen van EUR 11.201,- (exclusief BTW) en EUR 112.612 (exclusief BTW) per omgaande, docht uiterlijk op 24 februari aanstaande, te voldoen op (….).

Indien het volledige bedrag niet binnen deze termijn door FBR is ontvangen, stellen wij [gedaagde] hierbij, voor zover al nodig, in gebreke en zeggen [gedaagde] aan tot rechtsmaatregelen tegen [gedaagde] aan te gaan. (…)”

2.14.

DLO heeft bij factuur van 27 januari 2014 een bedrag van € 101.745,00 exclusief btw, € 123.111,45 inclusief btw in rekening gebracht bij [gedaagde] . DLO heeft [gedaagde] op 11 maart 2014 en 28 april 2014 tevergeefs schriftelijk gesommeerd tot betaling van de openstaande facturen van 29 oktober 2012 (r.o. 2.5.) en 27 januari 2014.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

DLO vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [gedaagde] :

Primair: tot betaling van € 136.440,64, te vermeerderen met de overeengekomen rente vanaf de vervaldata van de facturen tot aan de dag van algehele betaling (tot en met 8 januari 2015 bedragende € 22.149,57) en tot betaling van € 13.644,05 aan overeengekomen buitengerechtelijke incassokosten;

Subsidiair: tot betaling van € 136.440,64, te vermeerderen met de overeengekomen rente vanaf de vervaldata van de facturen tot aan de dag van algehele betaling (tot en met 8 januari 2015 bedragende € 22.149,57) en tot betaling van € 2.139,40 aan buitengerechtelijke incassokosten conform het Besluit BIK;

Primair en subsidiair: tot betaling van de kosten van het gelegde beslag ad € 1.722,27 en tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

DLO heeft aan haar vordering de met [gedaagde] gesloten overeenkomst van opdracht ten grondslag gelegd. Op grond van die overeenkomst was zij – kort samengevat – gehouden onderzoek te doen naar de ontwikkeling van biobindmiddelen voor verfproducten. Van deze (inspannings)verplichting heeft DLO zich gekweten, ter onderbouwing waarvan – onder meer – is gewezen op de voortgangsrapportage van augustus 2013 (r.o. 2.7.). [gedaagde] is, ondanks dat het onderzoek niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, op grond van de overeenkomst gehouden de openstaande facturen te voldoen, welke facturen [gedaagde] , ondanks herhaalde aanmaningen daartoe, onbetaald heeft gelaten. DLO vordert dan ook nakoming.

3.3.

[gedaagde] heeft een beroep gedaan op haar opschortingsrecht. Volgens haar is DLO tekortgeschoten in de nakoming van de resultaatsverbintenissen uit de Overeenkomst en heeft zij daardoor schade geleden. In reconventie heeft zij daarom (partiele) ontbinding gevorderd, waarover hierna meer.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat zij op terechte gronden een beroep heeft gedaan op het eerste go/no-go moment dat in de Overeenkomst is opgenomen. [gedaagde] heeft voorts nog een beroep gedaan op matiging van de vorderingen van DLO, nu volgens [gedaagde] de hoogte van de gefactureerde bedragen in geen verhouding staan tot hetgeen DLO heeft gepresteerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert, na wijziging van eis:

Primair:

1. te verklaren voor recht dat:

 DLO tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en dat DLO aansprakelijk is voor alle schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

 het tekortschieten door DLO ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt;

2. de tussen partijen gesloten overeenkomst te ontbinden;

3. DLO – als voorschot op de schade – te veroordelen om aan [gedaagde] te betalen het door [gedaagde] aan DLO betaalde bedrag van € 41.721,42 te vermeerderen met de wettelijke rente van de data dat bedragen aan DLO zijn betaald;

Subsidiair:

4. te verklaren voor recht dat:

 DLO tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en dat DLO aansprakelijk is voor alle schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

 het tekortschieten door DLO gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt;

5. de tussen partijen gesloten overeenkomst gedeeltelijk te ontbinden in die zin dat DLO slechts aanspraak kan maken op € 2.887,58 terwijl DLO geen verdere werkzaamheden meer voor [gedaagde] hoeft te verrichten;

6. DLO te veroordelen om – binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis – verantwoording af te leggen overeenkomstig artikel 7:403 BW waarbij DLO alle gegevens met betrekking tot het onderzoek aan [gedaagde] ter beschikking zal moeten stellen, waaronder in ieder geval de urenregistratie waaruit blijkt welke personen op welke data welke werkzaamheden hebben verricht en hoeveel tijd zij daaraan hebben besteed op straffe van een door DLO aan [gedaagde] te betalen dwangsom van € 500,00 per dag danwel een door uw rechtbank te bepalen termijn en op straffe van een door uw rechtbank te bepalen dwangsom;

Primair en subsidiair:

7. DLO te veroordelen in de kosten van het geding.

3.6.

Volgens [gedaagde] vloeien uit de tussen partijen gesloten Overeenkomst een aantal resultaatsverbintenissen van DLO voort, waarin DLO is tekortgeschoten. Concreet heeft [gedaagde] aangevoerd dat 1) DLO de duur van het onderzoekstraject heeft overschreden, 2) DLO diverse series biobindmiddelen niet heeft geleverd, 3) DLO per sample te weinig heeft aangeleverd, 4) DLO te weinig samples heeft aangeleverd en 5) DLO het onderzoek ondeugdelijk heeft uitgevoerd en heeft belet dat [gedaagde] tijdig zou kunnen bijsturen. DLO heeft het onderzoek volgens [gedaagde] bovendien niet alleen slechts ten dele uitgevoerd, maar ook ondeugdelijk. Deze tekortkomingen rechtvaardigen de gevorderde (partiele) ontbinding van de Overeenkomst, aldus [gedaagde] .

3.7.

DLO voert verweer. DLO heeft aangevoerd dat van resultaatsverbintenissen geen sprake is. Er is slechts sprake van een inspanningsverbintenis, en aan die verbintenis is voldaan, aldus DLO. DLO heeft verder betwist dat zij in verzuim is komen te verkeren. Verder heeft zij een beroep gedaan op artikel 8.4 van de Overeenkomst waarin is bepaald dat bedragen die DLO voor de ontbinding aan [gedaagde] heeft gefactureerd in verband met hetgeen zij reeds ter uitvoering van de Overeenkomst heeft verricht, verschuldigd blijft.

In het geval zou komen vast te staan dat sprake is van schadeplichtigheid aan de zijde van DLO, heeft DLO een beroep gedaan op eigen schuld.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

De rechtbank zal eerst ingaan op de door [gedaagde] bij wege van reconventie gevorderde (partiële) ontbinding van de Overeenkomst.

Op grond van artikel 6:265 BW is voor de ontbinding van een wederkerige overeenkomst een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis vereist en verzuim, tenzij nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is.

4.2.

De vraag ligt voor of DLO is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis. In dat kader rijst de vraag of zoals [gedaagde] ter onderbouwing van dat standpunt heeft aangevoerd, uit de Overeenkomst op DLO rustende resultaatsverbintenissen voortvloeien. Deze verplichtingen volgen volgens [gedaagde] uit het Onderzoekwerkplan. Ter onderbouwing van haar stelling dat DLO in die verplichtingen tekort is geschoten heeft [gedaagde] gewezen op een verklaring van haar onderzoeker de heer Velthuis.

4.3.

DLO heeft op zichzelf niet betwist dat het onderzoek niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Het onderzoek heeft geen bruikbare samples van voldoende omvang opgeleverd zoals die zijn beschreven in het Onderzoekwerkplan. Dat levert volgens DLO echter geen tekortkoming op, nu de bepalingen uit het Onderzoekwerkplan geen afdwingbare verplichtingen creëren. De bepalingen geven richting aan het onderzoek, maar het resultaat kan niet geleverd of gegarandeerd worden. DLO stelt dat zij het onderzoek naar beste kunnen heeft uitgevoerd en daarmee heeft zij voldaan aan de inspanningsverplichting die krachtens artikel 2.2. van de Overeenkomst op haar rust.

DLO heeft tijdens de comparitie van partijen nog verklaard dat het Onderzoekwerkplan een voorgenomen set activiteiten is (in gezamenlijk overleg tot stand gekomen), waarvan partijen hoopten dat die tot resultaat zouden leiden. De Overeenkomst is overkoepelend en gaat voor op het Onderzoekwerkplan, zo heeft DLO aangegeven. Gelet op de aard van de opdracht, het uitvoeren van onderzoek, is dat ook logisch, nu resultaat niet gegarandeerd kan worden, aldus DLO. DLO heeft verder verklaard dat dit ook zo met [gedaagde] is besproken en dat [gedaagde] daarmee ook heeft ingestemd.

DLO heeft verder aangevoerd dat zij [gedaagde] gedurende de uitvoering van het onderzoek op de hoogte heeft gehouden van de (tegenvallende) resultaten. Tot uitvoering van de hiervoor genoemde set activiteiten uit het Onderzoekwerkplan is het dan ook niet gekomen, omdat geen bruikbare resultaten werden geboekt. Het onderzoek is zich vervolgens meer gaan richten op literatuuronderzoek. Al in een vroeg stadium is dan ook afgeweken van het Onderzoekwerkplan en [gedaagde] is daarvan op de hoogte gesteld en gebleven en heeft daarmee ook ingestemd. Pas in het najaar van 2013 toen tussen partijen discussie ontstond over de betaling van de openstaande facturen heeft [gedaagde] DLO aangesproken op de concrete punten uit het Onderzoekwerkplan, aldus DLO.

4.4.

[gedaagde] heeft tijdens de comparitie van partijen verklaard dat zij de Overeenkomst met DLO is aangegaan in de hoop en verwachting dat het onderzoek tot een goed resultaat zou leiden. Namens DLO is volgens [gedaagde] ook aangegeven dat het niet zo moeilijk moest zijn, de uitvoering van het onderzoek en het ontwikkelen van een biobased bindmiddel. [gedaagde] had dan ook de verwachting dat de afspraken uit het Onderzoekwerkplan gehaald zouden worden. [gedaagde] heeft verder over de uitvoering van het onderzoek verklaard dat zij wist dat DLO van het Onderzoekwerkplan afweek vanwege tegenvallende resultaten; zij heeft dat naar eigen zeggen getolereerd. Verklaard is dat getracht is in gesprek te blijven in de hoop op betere onderzoeksresultaten.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat partijen ieder een andere uitleg aan de inhoud van de Overeenkomst geven. Het komt dan aan op de bedoeling van partijen en hetgeen zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

De rechtbank is van oordeel dat, in het licht van hetgeen DLO daartegen heeft aangevoerd, de stelling van [gedaagde] - dat sprake is van afdwingbare resultaatsverbintenissen - onvoldoende uit de verf is gekomen. In dat kader wordt voorop gesteld dat in de Overeenkomst met zoveel woorden duidelijk is bepaald dat DLO zich niet tot meer verbindt dan bij de uitvoering van het onderzoek te streven naar een voor [gedaagde] bruikbaar resultaat. Dat stemt naar het oordeel van de rechtbank ook overeen met de aard van het doen van onderzoek. De uitkomst van onderzoek kan niet op voorhand worden gegarandeerd. [gedaagde] heeft dat ook niet betwist en evenmin toegelicht hoe deze bepaling uit de Overeenkomst zich verhoudt tot de volgens haar afdwingbare verplichtingen uit het Onderzoekwerkplan.

Uit hetgeen partijen ter comparitie hebben verklaard, zoals hiervoor weergegeven, volgt dat partijen zich ook overeenkomstig de inspanningsverplichting jegens elkaar hebben gedragen. Reeds in een vroeg stadium is, vanwege tegenvallende resultaten, van het Onderzoekwerkplan afgeweken. Tot het aanleveren van samples van voldoende omvang en kwaliteit, ter verdere ontwikkeling door [gedaagde] , is het nooit gekomen. [gedaagde] was daarvan op de hoogte en heeft daartegen ook niet geprotesteerd, althans daarvan is niet gebleken. Zij heeft de werkwijze van DLO naar eigen zeggen getolereerd.

Evenmin is gebleken dat DLO [gedaagde] heeft toegezegd dat het onderzoek tot bruikbare resultaten zou leiden, dan wel dat de activiteiten uit het Onderzoekwerkplan gerealiseerd zouden worden, dan wel dat te allen tijde de in het Onderzoekwerkplan opgenomen hoeveelheden aan [gedaagde] zouden worden geleverd. De enkele stelling van [gedaagde] dat DLO zou hebben toegezegd dat het onderzoek niet zo moeilijk zou zijn, hetgeen DLO heeft betwist, is in ieder geval onvoldoende om – in het licht van het al het voorgaande – de stelling te kunnen dragen dat DLO een resultaatsverbintenis op zich heeft genomen. De gestelde tekortkoming kan dan ook niet worden gegrond op de genoemde activiteiten uit het Onderzoekwerkplan.

[gedaagde] heeft verder nog in algemene zin aangevoerd dat DLO geen dan wel ondeugdelijke werkzaamheden heeft verricht. Aan die niet nader geconcretiseerde stelling zal in het licht van de op DLO rustende inspanningsverplichting en diens voortgangsrapportage van augustus 2013, waaruit haar werkzaamheden blijken, voorbij worden gegaan. Slotsom is dat niet is komen vast te staan dat DLO in de uitvoering van de verbintenissen uit de Overeenkomst tekort is geschoten. Bij die conclusie kan in het midden blijven of DLO in verzuim was, dan wel of aan de zijde van [gedaagde] sprake was van eigen schuld. De in reconventie gevorderde (partiele) ontbinding zal worden afgewezen.

4.6.

In conventie rijst dan de vraag of [gedaagde] is gehouden om de openstaande facturen van DLO te voldoen. [gedaagde] heeft haar betalingsverplichting opgeschort in verband met de door haar gevorderde (partiele) ontbinding van de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende schadevordering. Nu die vordering zal worden afgewezen resteert de vraag of het beroep van [gedaagde] op het eerste go/no go moment effect sorteert. [gedaagde] heeft in dat verband gesteld dat het eerste go/no go moment zich pas heeft aangediend na ontvangst van de eerste voortgangsrapportage in augustus 2013. Middels die rapportage heeft zij inzicht gekregen in wat DLO tot aan dat moment had gedaan en was evaluatie van de onderzochte bindmiddelen pas mogelijk. [gedaagde] heeft nadien, op 19 september 2013 (zie r.o. 2.8.), een beroep gedaan op het go/no go moment, aldus [gedaagde] .

DLO heeft aansluiting gezocht bij de tekst van de Overeenkomst en het Onderzoekwerkplan waar staat geschreven dat het eerst go/no go moment zich aandient 6 maanden na de effectieve datum, zijnde 1 november 2011. Dat moment was op 19 september 2013 al (ongebruikt) verstreken, aldus DLO, zodat [gedaagde] daaraan geen rechten meer kan ontlenen.

4.7.

Het antwoord op de vraag wat partijen ten aanzien van het go/no go moment zijn overeengekomen volgt niet klip en klaar uit de letterlijke tekst van de Overeenkomst en het Onderzoekwerkplan. De Overeenkomst bepaalt dat het onderzoek twee go/ no go momenten bevat, waarvan de eerste na een half jaar, een en ander nader omschreven in het Onderzoekwerkplan. Het Onderzoekwerkplan bepaalt dat besloten kan worden het project te beëindigen, mocht onverhoopt en onverwachts na de evaluatie van twee series binmiddelen (na 6 maanden) blijken dat de werking van de biobindmiddelen niet aan de verwachtingen van [gedaagde] voldoet en dat er te weinig uitzicht is op verbetering. Deze bepalingen zijn voor tweeërlei uitleg vatbaar. Ofwel het eerste go/no go moment vindt plaats 6 maanden na de start van de overeenkomst (zoals DLO heeft betoogd), of wel na de evaluatie van twee series bindmiddelen (zoals [gedaagde] heeft betoogd). Beslissend is dan de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

De gegeven omstandigheden zijn dat op grond van artikel 2.3. van de Overeenkomst termijnen in het Onderzoekwerkplan schattingen zijn. Verder volgt uit de beschrijving van het go/no go moment in het Onderzoekwerkplan dat het een evaluatie moment is om te bekijken of het onderzoek voldoet aan de verwachtingen. Het doel van het go/no go moment zou illusoir worden als het gekoppeld zou zijn aan een vast moment in de tijd, onafhankelijk van de vraag of er op dat moment onderzoeksresultaten zijn te evalueren. Uit het partijdebat en de in het geding gebrachte stukken volgt dat DLO niet eerder dan in augustus 2013 aan [gedaagde] een schriftelijke voortgangsrapportage ter beschikking heeft gesteld. In de “inleiding” staat ook met zoveel woorden geschreven: “Dit rapport is het eerste voortgangsverslag. Het beschrijft de uitgevoerde experimenten en resultaten van FBR t.a.v. harssynthese met ‘bio-based’ uitgangsmaterialen.”

De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat het eerste go/no go moment heeft plaatsgevonden na ontvangst van de voortgangsrapportage door [gedaagde] in augustus 2013. Pas op dat moment heeft [gedaagde] kunnen evalueren of het onderzoek tot dan toe voldeed aan haar verwachtingen. Partijen zijn het er over eens dat de onderzoeksresultaten zeer teleurstellend zijn, zodat het beroep van [gedaagde] op het go/no go moment op 19 september 2013 (r.o. 2.8.) naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd was. Op grond van artikel 2.5. is de Overeenkomst op die datum met onmiddellijke ingang beëindigd.

4.8.

De kosten van het onderzoek tot aan het eerste go/no go moment zijn door partijen, ongeacht de omvang van de uitgevoerde werkzaamheden, gefixeerd op een bedrag van € 44.609,00 (artikel 3.1. Overeenkomst). Uit het voorstel betalingswijze (bijlage bij de Overeenkomst) volgt dat dit bedrag exclusief 19% btw is. Inclusief btw bedraagt dit derhalve € 53.084,71. Vast staat dat [gedaagde] reeds een bedrag van € 39.755,52 inclusief btw heeft voldaan. Per saldo is [gedaagde] dan nog aan DLO verschuldigd een bedrag van € 13.329,19. De vordering van DLO zal tot dat bedrag worden toegewezen. De gevorderde overeengekomen rente zal over dat bedrag worden toegewezen vanaf dertig dagen (artikel 3.3. Overeenkomst) na 19 september 2013 nu partijen in maart 2013 (zie r.o. 2.6.) zijn overeengekomen dat [gedaagde] pas hoefde te betalen na ontvangst van de voortgangsrapportage.

4.9.

Dan de in conventie gevorderde buitengerechtelijke kosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is nu het verzuim van [gedaagde] na 1 juli 2012 is ingetreden. DLO heeft haar vordering ter zake van buitengerechtelijke incassokosten gebaseerd op artikel 3.4. van de Overeenkomst, maar een en ander niet van een nadere inhoudelijke motivering en/of onderbouwing voorzien. [gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van het primair gevorderde bedrag aan incassokosten. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank deze kosten ambtshalve matigen (artikel 242 lid 1 Rv) tot de redelijke en gebruikelijke tarieven die volgen uit de Staffel Besluit BIK. Op grond van de toegewezen hoofdsom is dan een bedrag van € 1.099,03 toewijsbaar.

4.10.

[gedaagde] heeft in reconventie nog gevorderd DLO te veroordelen om aan haar alle gegevens met betrekking tot het onderzoek ter beschikking te stellen, waaronder in ieder geval de urenregistratie waaruit blijkt welke personen op welke data welke werkzaamheden hebben verricht en hoeveel tijd zij daaraan hebben besteed. DLO heeft in reactie daarop als productie 16 een urenregistratie overgelegd en voorts verwezen naar haar voortgangsrapportage van augustus 2013.

Op grond van artikel 7:403 lid 1 BW is de opdrachtnemer verplicht de opdrachtgever te informeren over de uitvoering en voltooiing van de opdracht. Zonder een nadere toelichting van de zijde van [gedaagde] , die ontbreekt, is niet in te zien waarom DLO niet aan die verplichting heeft voldaan met het opstellen van haar voortgangsrapportage van augustus 2013. In zoverre is de vordering dan ook niet toewijsbaar.

Op grond van artikel 7:403 lid 2 BW moet een opdrachtnemer het hoe en waarom van zijn handelen aangeven en financiële rekenschap afleggen voor zover hij voor rekening van de opdrachtgever gelden heeft uitgegeven of ontvangen. In het licht van de vaststelling dat [gedaagde] in totaal € 53.084,71 aan DLO is verschuldigd is de rechtbank van oordeel dat DLO met het overleggen van de urenregistratie aan die verplichting heeft voldaan. Zonder een nadere toelichting, die ontbreekt, kan in ieder geval niet geoordeeld worden dat de urenregistratie niet aan de vereisten van artikel 7:403 lid 2 BW voldoet. De vordering van [gedaagde] zal worden afgewezen.

4.11.

DLO heeft in conventie gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 914,27 voor verschotten (€ 613,00 griffierecht en € 301,27 aan explootkosten) en € 452,00 voor salaris advocaat (1 punt tarief II).

4.12.

[gedaagde] zal in conventie als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van DLO op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 103,26

- griffierecht 808,00 (€ 1.421,00 -/- € 613,00)

- salaris advocaat 678,00 (1,5 punten × tarief II € 452,00)

Totaal € 1.589,26

4.13.

[gedaagde] zal in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van DLO worden begroot op € 1.788,00 (2 punten × tarief IV € 894,00).

5 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan DLO te betalen een bedrag van € 14.428,22, vermeerderd met de contractuele rente van 1,25% per dertig dagen over € 13.329,19 met ingang van 19 oktober 2013 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.366,27,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van DLO tot op heden begroot op € 1.589,26, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van DLO tot op heden begroot op € 1.788,00,

5.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2015.

Cc: AB