Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7708

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
18-04-2017
Zaaknummer
280988
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het geschil tussen partijen.

- Het beroep op artikel 236 lid 1 Rv faalt.

- Het beroep op artikel 6 sub a Rv faalt. Uitleg rechtspraak van het Hof van Justitie over artikel 5 aanhef en onder 1 EEX-Verdrag (thans artikel 5 aanhef en onder 1 sub a EEX-Verordening).

- Artikelen 3 en 4 EVO-Verdrag.

- Eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident, wordt veroordeeld in de volledige proceskosten van gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident omdat hij zijn vorderingen in de hoofdzaak naar het oordeel van de rechtbank heeft gebaseerd op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen zouden hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2073
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/280988 / HA ZA 15-187

Vonnis in incident van 21 oktober 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Arnhem,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. R. Bijlsma te Arnhem,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

TEIJIN LIMITED,

gevestigd te Tokyo 100-8585, Japan,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. G.J.R. Kalsbeek te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Teijin genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de akte uitlating tevens overlegging producties van [eiser]

  • -

    de akte overlegging producties van [eiser]

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van Teijin

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

[eiser] vordert in de hoofdzaak dat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. wordt vastgesteld dat Teijin toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van het

“Outlines of Management Trust Contract” (hierna: OMTC), door de op haar rustende

verplichting om [eiser] toe te laten tot het pensioenfonds in Nederland niet na te

komen,

II. Teijin wordt veroordeeld tot vergoeding van de door [eiser] als gevolg van

voormelde tekortkoming geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens

de wet, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum

van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

III. Teijin wordt veroordeeld in de kosten van het geding, alsmede tot betaling van de

nakosten.

2.2.

[eiser] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Er is sprake van wanprestatie. Teijin heeft zonder goede reden niet voldaan aan de op grond van het OMTC op haar rustende verplichting [eiser] toe te laten tot het Nederlandse pensioenfonds. Nu vaststaat dat nakoming blijvend onmogelijk is, [eiser] heeft inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en Teijin heeft aangegeven [eiser] om administratieve redenen niet toe te kunnen laten tot het pensioenfonds, dient de tekortkoming zich te vertalen in een verplichting voor Teijin om de door [eiser] geleden schade te vergoeden.

3 De vordering in het incident

3.1.

Teijin vordert voor alle weren dat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

(i) de rechtbank zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de door [eiser]

ingestelde vorderingen in de hoofdzaak,

(ii) [eiser] wordt veroordeeld in de (daadwerkelijk gemaakte) kosten van deze

procedure, tot op heden begroot op € 18.728,33, vermeerderd met eventuele door Teijin

gemaakte kosten na indiening van de incidentele conclusie en vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis, indien en voor zover [eiser]

deze kosten niet voordien heeft voldaan,

(iii) [eiser] wordt veroordeeld in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente

daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis, indien de nakosten binnen

die termijn niet zijn betaald.

3.2.

[eiser] voert gemotiveerd verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Teijin stelt het volgende voorop. De vorderingen van [eiser] zijn in feite gelijk aan (een deel van) zijn vorderingen in de procedure die tot het vonnis van de kantonrechter Arnhem van 7 februari 2011 en het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2014 hebben geleid en waarin de rechter zich telkens onbevoegd heeft verklaard van die vorderingen kennis te nemen. Net als in die procedure vordert [eiser] thans schadevergoeding in het licht van een vermeende, door Teijin niet nagekomen pensioentoezegging, welke volgens [eiser] zou blijken uit het OMTC. Op grond hiervan zou Teijin in de ogen van [eiser] bewerkstelligen dat Runnebooms pensioen zou worden ondergebracht bij het op dat moment nog niet bestaande maar in oprichting zijnde pensioenfonds van Teijin in Nederland. De onderhavige vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak zijn wederom op deze vermeende verbintenis gebaseerd. Tegen het arrest is echter geen cassatieberoep ingesteld. Het arrest is dus in kracht van gewijsde gegaan en heeft tussen partijen gezag van gewijsde. Reeds om die reden dient de rechtbank zich onbevoegd te verklaren, aldus Teijin.

4.2.

Ingevolge artikel 236 lid 1 Rv hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. De ratio van artikel 236 Rv is dat het ongewenst is dat een eenmaal beslecht geschilpunt in een volgende procedure opnieuw ter discussie wordt gesteld. Wanneer een partij zich niet in een beslissing kan vinden, dient zij (cassatie)beroep aan te tekenen. Wanneer zij dat niet doet, krijgt de beslissing kracht van gewijsde. Met ‘de rechtsbetrekking in geschil’ wordt gedoeld op het geschilpunt, de rechtsvraag die partijen verdeeld houdt.

4.3.

Aan het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2014 komt naar het oordeel van de rechtbank geen gezag van gewijsde toe, nu het gerechtshof de gestelde grondslag van de vorderingen van [eiser] (kort gezegd het niet nakomen van toezeggingen door Teijin aan [eiser] in verband met zijn pensioenaanspraken en bonus) in zijn arrest niet inhoudelijk heeft onderzocht en dientengevolge over de ‘rechtsbetrekking in geschil’ in de zin van artikel 236 lid 1 Rv ook geen inhoudelijke beslissing heeft gegeven. Het gerechtshof heeft in zijn arrest van 24 juni 2014 immers alleen een beslissing genomen over zijn rechtsmacht/bevoegdheid. De bevoegdheidskwestie kan in dit verband, ook ten aanzien van hetzelfde geschil, niet worden gezien als de ‘rechtsbetrekking in geschil’. Reeds om deze reden faalt het beroep van Teijin op artikel 236 lid 1 Rv.

4.4.

Teijin betwist verder dat aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van de jegens haar ingestelde vorderingen.

4.5.

Zoals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest van 24 juni 2014 ook heeft overwogen, gelden tussen Nederland en Japan geen verdragen over de rechtsmacht in civiele zaken, zodat ingevolge artikel 1 Rv de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is, moet worden beoordeeld aan de hand van titel 1, afdeling 1 van Boek 1 Rv.

4.6.

Niet in geschil is dat de rechtbank haar bevoegdheid niet kan ontlenen aan de hoofdregel van artikel 2 Rv, nu Teijin niet in Nederland is gevestigd. Onderzocht moet daarom worden of de rechtbank haar bevoegdheid kan ontlenen aan de aanvullende grond van artikel 6 sub a Rv, zoals [eiser] stelt en Teijin gemotiveerd betwist.

4.7.

Ingevolge artikel 6 sub a Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Met ‘de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt’ doelt de wetgever op de litigieuze verbintenis. Op dit punt heeft de wetgever aansluiting beoogd bij de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake artikel 5 aanhef en onder 1 EEX-Verdrag (thans artikel 5 aanhef en onder 1 sub a EEX-Verordening), die bepaalt dat de plaats van uitvoering van de litigieuze verbintenis moet worden vastgesteld overeenkomstig het recht dat op deze verbintenis van toepassing is.

4.8.

Teijin stelt primair dat de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren, omdat de litigieuze verbintenis niet als aanknopingsfactor kan dienen voor het aannemen van rechtsmacht op grond van artikel 6 sub a Rv.

4.9.

Uit de eigen stellingen van [eiser] blijkt dat de litigieuze verbintenis ziet op de afspraak uit het OMTC dat Teijin zou bewerkstelligen dat Runnebooms pensioen zou worden ondergebracht bij het op dat moment nog niet bestaande maar in oprichting zijnde pensioenfonds van Teijin in Nederland.

4.10.

De nakoming van deze verbintenis was echter onmogelijk. Uit de stukken kan namelijk worden afgeleid dat het (uiteindelijk opgerichte) Nederlandse pensioenfonds van Teijin in strijd met haar statutaire doelstelling zou handelen, indien [eiser] bij het pensioenfonds zou worden aangesloten. Het pensioenfonds mocht slechts uitvoering geven aan pensioenovereenkomsten die waren gesloten door een bij haar aangesloten onderneming. Teijin was niet zo een onderneming.

4.11.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is in zijn arrest van 24 juni 2014 ook tot deze conclusie gekomen:

Voor zover [eiser] c.s. ten aanzien van de aanvankelijke toezegging [eiser] c.s. onder het pensioenfonds te brengen hebben gesteld dat deze verbintenis in Nederland moest worden uitgevoerd, was nakoming van die verbintenis volgens de eigen stellingen van [eiser] c.s. (juridisch) onmogelijk en is deze reeds in een vroeg stadium geconverteerd in een verbintenis tot compensatie door betaling van een geldsom.

4.12.

Een verbintenis waarvan de nakoming in Nederland onmogelijk was, kan dan ook niet in Nederland (of elders) worden uitgevoerd. In zoverre stelt Teijin terecht dat de litigieuze verbintenis niet als aanknopingsfactor kan dienen voor het aannemen van rechtsmacht op grond van artikel 6 sub a Rv.

4.13.

Maar er is meer. Teijin stelt zich ook op het standpunt dat artikel 6 sub a Rv niet van toepassing is, omdat de plaats van uitvoering van de litigieuze verbintenis niet kan worden bepaald.

4.14.

In de dagvaarding verwijst [eiser] met betrekking tot de litigieuze verbintenis naar artikel 4 van het OMTC. Dit artikel luidt:

Trustee had the privilege of joining with the Pension System at Teijin Holland Entity (now under being programmed to be established in April, 2001.)

4.15.

Teijin stelt dat geen enkel rechtsstelsel antwoord geeft op de vraag waar de geciteerde verbintenis zou moeten worden uitgevoerd. Een ‘privilege of joining’ betreft volgens Teijin immers niet een verbintenis die op een bepaalde locatie door haar zou moeten worden uitgevoerd. Teijin verwijst in dit verband nog naar een arrest van het gerechtshof Den Bosch van 31 oktober 2006 (ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ1330), waarin een door de rechtbank Den Bosch gewezen vonnis van 4 mei 2005 wordt bekrachtigd. De rechtbank had zich onbevoegd verklaard en overwoog daartoe onder meer het volgende:

Aansluiting zoekend bij het arrest van het hof EG van 19 februari 2002 (zaak C-256/00 inzake Besix / WABAG) oordeelt de rechtbank dat met het oog op de rechtszekerheid in een geval als het onderhavige, waarin één enkele plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de vordering ten grondslag ligt – het voortzetten van de onderhandelingen – niet kan worden bepaald, artikel 5 sub 1 EEX-Vo niet van toepassing is.

4.16.

De rechtbank stelt vast dat [eiser] in zijn incidentele conclusie van antwoord op geen enkele wijze is ingegaan op voorgaande stellingen van Teijin. Evenmin heeft hij concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de plaats van uitvoering van de litigieuze verbintenis wel kan worden bepaald.

4.17.

Ten slotte stelt Teijin dat op grond van het toepasselijke Japanse recht de plaats van uitvoering van de litigieuze verbintenis in Japan is gelegen.

4.18.

Het OMTC is op 29 december 2000 tussen partijen gesloten. Dit betekent dat het toepasselijke recht niet aan de hand van Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) moet worden bepaald, maar aan de hand van het Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980 (hierna: het EVO-Verdrag). Volgens dit verdrag is primair bepalend het door partijen gekozen recht (artikel 3 EVO-Verdrag), bij gebreke waarvan

– zoals in het onderhavige geval – het recht toepasselijk is van het land waarmee zij het nauwst is verbonden (artikel 4 lid 1 EVO-Verdrag). De overeenkomst wordt vermoed het nauwst te zijn verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats, of, wanneer het een vennootschap, vereniging of rechtspersoon betreft, haar hoofdbestuur heeft (artikel 4 lid 2 EVO-Verdrag). De rechtbank laat hier artikel 6 EVO-Verdrag (‘individuele arbeidsovereenkomsten’) buiten beschouwing, nu [eiser] met nadruk stelt dat het OMTC niet kwalificeert als een arbeidsovereenkomst.

4.19.

De rechtbank stelt vast dat [eiser] enerzijds stelt dat hij op grond van het OMTC de kenmerkende prestatie moest leveren, te weten arbeid ten behoeve van de diverse dochterondernemingen, op grond van nadere overeen te komen overeenkomsten, terwijl hij anderzijds stelt dat Teijin op grond van het OMTC diende te bewerkstelligen dat Runnebooms pensioen zou worden ondergebracht bij het op dat moment nog niet bestaande maar in oprichting zijnde pensioenfonds van Teijin in Nederland.

4.20.

Bij gebreke van een nadere onderbouwing kan de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet eenduidig vaststellen welke de kenmerkende prestatie is. Daarmee vindt het vermoeden van artikel 4 lid 2 EVO-Verdrag geen toepassing (artikel 4 lid 5 EVO-Verdrag). Dientengevolge grijpt de rechtbank voor de vraag door welk recht het OMTC wordt beheerst terug op de hoofdregel van artikel 4 lid 1 EVO-Verdrag, te weten het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Dat is Japan. Teijin heeft in dit verband namelijk onweersproken gesteld dat (1) Teijin is gevestigd in Japan, (2) de door [eiser] bedoelde, vermeende verplichtingen door Teijin feitelijk in Japan moesten worden uitgevoerd, (3) [eiser] zijn werkzaamheden voor Teijin gewoonlijk in Japan -en dus niet in Nederland- verrichtte, (4) Teijin aan [eiser] toekomende vergoedingen gedurende de laatste jaren van de relatie mede heeft betaald in Japanse Yen en op een bankrekening die door hem werd aangehouden bij de in Tokyo, Japan, gevestigde Bank of Tokyo-Mitsubishi UFJ, en (5) het OMTC niet in de Nederlandse taal is opgesteld. Dat [eiser] ten tijde van het sluiten van het OMTC in Nederland woonachtig was, is onvoldoende om tot een andersluidend oordeel te komen.

4.21.

De rechtbank is ten slotte met Teijin van oordeel dat op grond van het toepasselijke Japanse recht de plaats van uitvoering van de litigieuze verbintenis, voor zover die plaats zou kunnen worden bepaald, in Japan is gelegen en niet in Nederland. Zoals hiervoor reeds is overwogen, ziet de litigieuze verbintenis op de afspraak uit het OMTC dat Teijin zou bewerkstelligen dat Runnebooms pensioen zou worden ondergebracht bij het op dat moment nog niet bestaande maar in oprichting zijnde pensioenfonds van Teijin in Nederland. Teijin heeft met verwijzing naar een opinie van het Japanse advocatenkantoor Mori Hamada & Matsumoto onweersproken gesteld dat zij in dit opzicht nooit meer had kunnen doen dan vanuit haar vestigingsplaats in Japan een verzoek richten aan het door [eiser] bedoelde pensioenfonds en/of eventuele formuleren invullen ten behoeve van [eiser] .

4.22.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank haar bevoegdheid niet kan ontlenen aan artikel 6 sub a Rv. Aan de Nederlandse rechter komt dan ook geen rechtsmacht toe ten aanzien van de door [eiser] in de hoofdzaak ingestelde vorderingen jegens Teijin. De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren van die vorderingen kennis te nemen.

4.23.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Tevens zal hij in de proceskosten van de hoofdzaak worden veroordeeld, nu hij nodeloos kosten heeft veroorzaakt door die hoofdzaak bij de verkeerde rechter aanhangig te maken.

4.24.

Teijin stelt in dit verband dat [eiser] de volledige proceskosten van Teijin dient te vergoeden, nu [eiser] met het entameren van de onderhavige procedure misbruik maakt van procesrecht. Aan de vorderingen van [eiser] liggen dezelfde feiten ten grondslag als in de procedure die tot het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2014 heeft geleid. Ook komen daarbij dezelfde rechtsvragen aan de orde. Omdat [eiser] bovendien thans geen nieuwe stellingen heeft aangevoerd had hij op voorhand moeten begrijpen dat zijn onderhavige vorderingen geen kans van slagen hadden. Teijin begroot de voor deze procedure gemaakte kosten op € 18.728,33 exclusief btw, zijnde het totaal van het griffierecht, de advocaatkosten en de vertaalkosten.

4.25.

Van misbruik van procesrecht is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (zie HR 29 juni 2007, NJ 2007, 353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het aanspannen van een procedure past evenwel terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM.

4.26.

Vast staat dat aan de onderhavige vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak dezelfde feiten ten grondslag liggen als aan de vorderingen in de procedure die tot het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2014 heeft geleid. Ook komen daarbij dezelfde rechtsvragen aan de orde.

4.27.

[eiser] heeft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in die eerdere procedure onder andere gebaseerd op artikel 6 sub a Rv. Dat is thans de enige grondslag. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] evenwel geen nieuwe stellingen aangevoerd. Dit had wel op zijn weg gelegen, te meer nu het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest van 24 juni 2014 in rechtsoverweging 4.8 onder meer het volgende heeft geconcludeerd:

[eiser] c.s. hebben, kortom, onvoldoende concrete aanknopingspunten gegeven om in verband met het door hen gedane beroep op artikel 6 sub a Rv te kunnen oordelen dat de Nederlandse rechter voor de verschillende door [eiser] c.s. gestelde verbintenissen bevoegd is als rechter van het land waar de desbetreffende verbintenis krachtens het de desbetreffende overeenkomst beheersende recht, moet worden uitgevoerd. Nu deze stellingen gemotiveerd door Teijin Ltd. – volgens wie op de overeenkomsten Japans recht, althans geen Nederlands recht van toepassing is en de uitvoering van alle (op betalingsverplichtingen gerichte) verbintenissen van Teijin Ltd. steeds in Japan zijn uitgevoerd – zijn betwist en van [eiser] c.s. op grond van de zogenaamde ‘twee conclusie regel’ had mogen worden verwacht dat zij als appellanten bij memorie van grieven de voor het slagen van die grieven vereiste (rechts)feiten stellen, gaat het hof dan ook aan het beroep van [eiser] c.s. op artikel 6 sub a Rv voorbij.

4.28.

Zelfs na de uitvoerige incidentele conclusie van Teijin heeft [eiser] in zijn incidentele conclusie van antwoord in feite niet meer gesteld dan dat in confesso is dat de kenmerkende prestatie onder het OMTC door [eiser] diende te worden geleverd en dat de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, aansluiting en stortingen bij het pensioenfonds, in Nederland diende plaats te vinden. Dat is gelet op het gemotiveerde verweer van Teijin onvoldoende en in ieder geval niets nieuws.

4.29.

Dat door een verkeerde insteek in de eerdere procedure (de litigieuze verplichting vloeide voort uit een arbeidsovereenkomst) [eiser] tegen een onbevoegdheids-verklaring is aangelopen, doet, wat daarvan verder ook zij, niets af aan het voorgaande. Ook de stelling van [eiser] dat hij het recht heeft om deze feiten opnieuw ter beoordeling voor te leggen omdat er inhoudelijk nog geen oordeel is geveld over zijn vorderingen, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat erom dat in het kader van de vraag naar de bevoegdheid van de Nederlandse rechter onder de geschetste omstandigheden in feite sprake is van een herhaling van zetten. Veelzeggend is in dit verband ook de stelling van [eiser] dat procederen in Japan voor hem geen optie is en dat hij in dat kader “elke mogelijkheid wil benutten om te voorkomen dat Teijin hem op formele gronden buiten spel zet zonder dat er ooit een inhoudelijk oordeel wordt geveld over de inhoud”.

4.30.

Alles overziend heeft [eiser] zijn vorderingen in de hoofdzaak naar het oordeel van de rechtbank dan ook gebaseerd op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen zouden hebben. Daarmee ligt de vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten van Teijin voor toewijzing gereed. Het gevorderde bedrag van € 18.728,33 is toewijsbaar, nu [eiser] dit bedrag op geen enkele wijze gemotiveerd heeft betwist.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

verklaart zich onbevoegd van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen,

in het incident en in de hoofdzaak

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten, aan de zijde van Teijin tot op heden begroot op € 18.728,33, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Teijin niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2015.

Coll.: MvG