Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7665

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-12-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
05/820128-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland in Arnhem heeft een 21-jarige man uit Ede, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf, veroordeeld tot de maximale werkstraf van 240 uur en in totaal 24 maanden onvoorwaardelijke rij-ontzegging. De 21-jarige man had in de avond van 14 februari 2015 op een smalle en donkere weg, de Zecksteeg in Ede, onder invloed van diverse biertjes een fietser van achteren aangereden. De fietser is ten val gekomen, waardoor zijn rechterbeen gebroken is. De 21-jarige man is na de aanrijding doorgereden, met achterlating in hulpeloze toestand, in het donker, van de fietser en diens zoontje. De rechtbank rekent het de 21-jarige man niet alleen zwaar aan dat hij de fietser en diens zoontje heeft achtergelaten, maar ook dat hij tot de terechtzitting geen verantwoordelijkheid voor zijn gedrag heeft willen nemen. Omdat de man nog niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit en omdat hij een baan te verliezen heeft, is volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zij het met een proeftijd van drie jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820128-15

Datum uitspraak : 4 december 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te Ede,

wonende te [adres]

Raadsvrouw: mr. W. van Oosterbaan-van Veen, advocaat te Ede.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2015 en 20 november 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 14 februari 2015 te Ede in de gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de Goorsteeg, daarmede rijdende over de weg, de Zecksteeg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

onder invloed van alcoholhoudende drank, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank,

niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en is blijven kijken op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die Zecksteeg en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) op zodanige wijze heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (Zecksteeg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor hem, verdachte voor hem uit over die weg fietsende bestuurder van een fiets en/of een fiets, ten gevolge waarvan of waarbij die bestuurder van die fiets ten val is gekomen

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan en/of welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat verdachte verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 14 februari 2015 te Ede in de gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de Goorsteeg, daarmede heeft gereden over de weg, de Zecksteeg en

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor hem, verdachte voor hem uit over die weg fietsende bestuurder van een fiets en/of een fiets, ten gevolge waarvan of waarbij die bestuurder van die fiets ten val is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 14 februari 2015 te Ede in de gemeente Ede als bestuurder

van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig

gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij

een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 490 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen

van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan

hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren

verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft

plaatsgevonden;

3.

hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto)

betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Ede

op/aan de Zecksteeg, op of omstreeks 14 februari 2015 omstreeks 21.30 uur de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 14 februari 2015 te Ede reed verdachte als bestuurder van een personenauto (merk [naam] ) over de Zecksteeg, komende uit de Goorsteeg.2 Op de Zecksteeg fietste omstreeks 21.30 uur [slachtoffer] in de richting van Ede.3 De Zecksteeg is een rechte weg van 4,4 meter breed4 en er is geen verlichting.5 Verdachte is in aanrijding gekomen met [slachtoffer]6 ten gevolge waarvan [slachtoffer] ten val is gekomen.7 Als gevolg van dit ongeluk heeft [slachtoffer] een fractuur van het rechter onderbeen en een zwelling bij zijn rechter knie opgelopen, ten aanzien waarvan de duur van de genezing is geschat op zes maanden.8 Verdachte heeft zijn rijbewijs sinds 20 september 2013.9 Het onderzoeksresultaat van de analyse van de adem van verdachte bedroeg om 00:08 uur 490 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht .10

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten. Naar de mening van de officier van justitie is sprake van grove schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De officier van justitie is voorts van mening dat het letsel van het slachtoffer te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten. Nu de ademanalyse pas uren na de aanrijding en ook pas uren na de aanhouding van verdachte is verricht, kan naar de mening van de raadsvrouw niet bewezen worden dat verdachte ten tijde van de aanrijding onder invloed was van alcohol, noch dat hij onder invloed van alcohol heeft gereden. Ten aanzien van de mate van schuld geldt volgens de raadsvrouw voorts dat, nu niets bekend is over de omstandigheden waaronder de aanrijding heeft plaatsgevonden, niet duidelijk is of het verdachte is die de aanrijding heeft veroorzaakt. Enkel kan worden bewezen, aldus de raadsvrouw, dat verdachte in aanrijding is gekomen met [slachtoffer] en aldus hooguit gevaar op de weg heeft veroorzaakt, zoals subsidiair ten laste is gelegd.

De beoordeling door de rechtbank

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is in zijn algemeenheid vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en voorts naar de overige omstandigheden van het geval.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 14 februari 2015 rond 21.30 uur met zijn zoontje over de Zecksteeg te Ede fietste en dat zij beiden werkende verlichting op hun fiets hadden. [slachtoffer] hoorde en zag een auto hem van achteren naderen en liet hierop zijn zoontje voor hem fietsen zodat de auto hen makkelijk zou kunnen passeren. Plotseling voelde [slachtoffer] een harde klap en veel pijn en lag hij op de grond.11

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij na de aanrijding en nadat hij omstreeks 21.35 uur met de auto thuis was gekomen, met de fiets naar de plaats van het ongeval is terug gegaan. Ook heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij tussen het moment van thuiskomen en het moment waarop hij weer is weggegaan met de fiets niet heeft gedronken. Wel heeft hij thuis alcohol gedronken nadat hij op de fiets terug kwam van de plaats van het ongeval en voordat de politie bij hem thuis arriveerde.12 De rechtbank verstaat dit betoog van verdachte als een verklaring voor de hoeveelheid alcohol die kort na middernacht in zijn adem is gemeten. Maar de rechtbank volgt verdachte hierin niet.

Daartoe overweegt de rechtbank het navolgende. Op het moment dat het ambulancepersoneel ter plaatse van het ongeval het letsel van [slachtoffer] aan het onderzoeken was, werd verbalisant [verbalisant 1] aangesproken door een jongen op een fiets. De jongen had rood doorlopen ogen, sprak met dubbele tong en vertelde een verhaal over een boer die spiegels van auto’s - in het bijzonder van [naam] ’s - had afgereden.13 Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij deze jongen op de fiets was.14 De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte reeds onder invloed van alcohol was op het moment dat hij op de fiets terugkeerde naar de plaats van de aanrijding.

Bij de politie heeft verdachte over zijn alcoholgebruik verklaard dat hij ongeveer acht à negen biertjes (“fluitjes”) heeft gedronken.15 Dergelijk alcoholgebruik past naar het oordeel van de rechtbank bij de uitslag van de ademanalyse die 490 ug/l bedroeg.16 Voorts overweegt de rechtbank dat de tijd tussen de aanrijding, omstreeks 21:30 uur, en het moment van thuiskomst van verdachte, omstreeks 21:35 uur, te kort was om een dergelijke hoeveelheid bier te nuttigen.

De eerst ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte dat hij, nadat hij bij het ongeval was gaan kijken, thuis whisky is gaan drinken en dat enkel dit alcoholgebruik tot het gemeten ademalcoholgehalte heeft geleid, wordt op geen enkele wijze ondersteund. De rechtbank acht dit verhaal dan ook ongeloofwaardig, mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen.

De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat verdachte heeft gereden - ook ten tijde van de aanrijding - onder invloed van alcoholhoudende drank, overeenkomstig de gemeten hoeveelheid.

Ten aanzien van de omstandigheden van het ongeval overweegt de rechtbank dat de Zecksteeg een smalle weg is en dat het die avond donker was, hetgeen extra oplettendheid van iedere deelnemer aan het verkeer vereist. Verdachte heeft desondanks gereden onder invloed van een forse hoeveelheid bier waardoor zijn reactie- en inschattingsvermogen negatief werd beïnvloed. Verdachte heeft daarmee bewust grote risico’s voor de verkeersveiligheid genomen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat gebruik van alcoholhoudende drank de rijvaardigheid negatief kan beïnvloeden.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld door onder invloed van alcohol deel te nemen aan het verkeer en daarbij een voor hem, op een smalle en donkere weg, rijdende fietser, ondanks het door die fietser gevoerde achterlicht, niet dan wel onvoldoende op te merken, met een aanrijding tot gevolg.

Dat verdachte heeft gereden onder invloed van alcoholische drank, levert niet alleen een strafverzwarende omstandigheid bij feit 1 op, maar leidt ook tot een bewezenverklaring van feit 2.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft gehandeld.

Ten aanzien van het letsel van het slachtoffer [slachtoffer] , zoals hiervóór benoemd, overweegt de rechtbank dat dit letsel kan worden gekwalificeerd als zodanig letsel dat daaruit een tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden van [slachtoffer] is ontstaan.

Ten aanzien van feit 3

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 14 februari 2015 heeft verdachte, nadat hij betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op de Zecksteeg in Ede, de plaats van het ongeval verlaten zonder daarbij zijn identiteit bekend te maken.17 [slachtoffer] heeft daarbij een zwelling bij zijn rechter knie en een fractuur aan de bovenzijde van het onderbeen rechts opgelopen.18

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

Ter terechtzitting heeft verdachte erkend dat hij is doorgereden na het ongeval zonder dat hij het slachtoffer [slachtoffer] heeft geholpen. Verdachte heeft voorts ter terechtzitting verklaard dat hij een klap heeft gehoord en een rode lichtflits heeft gezien toen hij op de Zecksteeg reed. Hij denkt dat dit de flits van een achterlamp is geweest. Verdachte is toen doorgereden omdat hij bang was voor de gevolgen.19

Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat verdachte - ten minste - heeft moeten vermoeden dat hij iemand had aangereden. Desondanks is verdachte niet gestopt en heeft hij niet geverifieerd of dit vermoeden al dan niet juist was, maar is hij doorgereden.

Aldus heeft hij de plaats van het ongeval verlaten terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander letsel was toegebracht.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is aldus op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, in dier voege dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 14 februari 2015 te Ede in de gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de Goorsteeg, daarmede rijdende over de weg, de Zecksteeg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

onder invloed van alcoholhoudende drank, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank,

niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en is blijven kijken naar het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die Zecksteeg en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) op zodanige wijze heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (Zecksteeg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor hem, verdachte, over die weg fietsende bestuurder van een fiets en/of een fiets, ten gevolge waarvan of waarbij die bestuurder van die fiets ten val is gekomen

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat verdachte verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op of omstreeks 14 februari 2015 te Ede in de gemeente Ede als bestuurder

van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig

gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij

een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 490 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen

van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan

hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren

verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft

plaatsgevonden;

3.

hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto)

betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Ede

op/aan de Zecksteeg, op of omstreeks 14 februari 2015 omstreeks 21.30 uur de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van feit 3:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde is een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaar gevorderd. Ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde is telkens een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de zaak aan te houden teneinde een persoonlijkheidsonderzoek ten aanzien van verdachte te laten verrichten. Wat betreft de noodzaak daartoe heeft de raadsvrouw gesteld dat bij verdachte naar alle waarschijnlijkheid sprake is van psychiatrische en/of psychologische problemen die, samen met een laag intelligentieniveau, meebrengen dat hij de consequenties van zijn gedragingen en zijn uitlatingen niet kan overzien en niet goed in staat is antwoord te geven op vragen. Indien de rechtbank dit verzoek niet zou honoreren, verzoekt de raadsvrouw subsidiair om verdachte geen ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Ook verzoekt de raadsvrouw om verdachte een werkstraf op te leggen in plaats van een gevangenisstraf.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank constateert dat de raadsvrouw de noodzaak van een persoonlijkheidsonderzoek niet met ter zake relevante bescheiden heeft onderbouwd. Bij gebreke van enige onderbouwing, en nu ook anderszins uit het dossier en ter terechtzitting niet van relevante problematiek bij verdachte is gebleken, ziet de rechtbank die noodzaak niet en gaat zij voorbij aan het verzoek tot aanhouding.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 22 september 2015.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met het navolgende.

Verdachte heeft gereden met te veel alcohol op hetgeen grote risico’s veroorzaakt voor andere verkeersdeelnemers, zoals in dit geval kwetsbare fietsers die zich op een donkere smalle weg bevonden. Verder heeft verdachte, hoewel hij vreesde dat hij iemand aangereden had, zich er niet direct van vergewist of er inderdaad sprake was van een slachtoffer. Het slachtoffer is door verdachte gewond en hulpeloos achtergelaten op de donkere weg. Daarbij komt dat bij het ongeval ook een jong kind aanwezig was dat zijn vader in hulpeloze toestand in de berm heeft zien liggen en dat ook nu nog, blijkens de verklaring van het slachtoffer ter terechtzitting, veel last hiervan ondervindt.

De rechtbank rekent het verdachte voorts zwaar aan dat hij weliswaar later terug is gegaan naar de plaats van het ongeval, maar zich daar niet alsnog heeft gemeld als degene die het slachtoffer (mogelijk) heeft aangereden. Integendeel, hij heeft zich op de plaats van het ongeval voor ambulancepersoneel en verbalisanten hinderlijk opgehouden en moest om die reden zelfs weggestuurd worden. Verdachte is daarop weliswaar vertrokken, maar pas na tegen de politie te hebben verklaard - in strijd met de waarheid - dat die middag een boer met een trekker diverse spiegels van [naam] ’s af had gereden, dit met het kennelijke doel om zichzelf, bij vondst van de autospiegelonderdelen, buiten enige verdenking te houden. Bij aanhouding door de politie heeft verdachte iedere betrokkenheid ontkend en heeft hij opnieuw kennelijk leugenachtig verklaard. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat verdachte van alles heeft geprobeerd om zich te onttrekken aan de verantwoordelijkheid voor zijn daden en zijn keuzes. Verdachte is daarbij zelfs zo ver gegaan dat hij (anonieme) anderen de schuld in de schoenen heeft geprobeerd te schuiven, hetgeen de rechtbank verdachte zeer kwalijk neemt.

Ook heeft verdachte niet zelf contact opgenomen met het slachtoffer en neemt hij, zo is ook ter terechtzitting gebleken, onvoldoende verantwoordelijkheid voor zijn gedrag.

Ten voordele van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij niet eerder veroordeeld is voor een strafbaar feit. Ook is verdachte nog jong en heeft hij werk. Gelet hierop zal de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Wel legt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden op, hetgeen als doel heeft om verdachte extra te motiveren tot het blijvend in acht nemen van de in het verkeer benodigde voorzichtigheid en oplettendheid. De rechtbank ziet in de ernst van de feiten en de leeftijd van verdachte aanleiding de duur van de proeftijd te stellen op drie jaren. Voorts acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden.

Ten aanzien van het bewezen verklaarde feit onder 1 is de rechtbank van oordeel dat een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van achttien maanden passend en geboden is, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs van verdachte ingevorderd is geweest. De duur van deze bijkomende straf is gelijk aan hetgeen gebruikelijk is in dit soort zaken waarbij sprake is van grove schuld, alcoholgebruik en lichamelijk letsel. De rechtbank houdt hierbij rekening met eendaadse samenloop ten aanzien van de feiten 1 en 2. Gelet op de ernst van feit 3 zal de rechtbank hiervoor afzonderlijk een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden opleggen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 55 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 8, 175, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 wijst af het verzoek tot aanhouding;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde onder 1 primair, 2 en 3 tot:

 een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt daarbij, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald:

o dat de veroordeelde zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt daarbij, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoer-legging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.M. van Hoof (voorzitter), mr. P.C. Quak en mr. W.L.J.M. Duijst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Wessels-Harmsen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 december 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Eenheid Oost-Nederland, District Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL 0600-2015078286, gesloten op 31 juli 2015, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 november 2015, en het proces-verbaal aanrijding misdrijf, bovenaan en derde alinea, p. 5.

3 Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] , derde alinea, p. 12.

4 Een schriftelijk bescheid te weten, een situatieschets, p. 11, en een foto op p. 50.

5 Het proces-verbaal aanrijding, bovenaan, p. 5.

6 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 november 2015.

7 Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] , derde alinea, p.12.

8 Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring, p. 16.

9 Het proces-verbaal invordering rijbewijs beginnend bestuurder, p.31.

10 Het proces-verbaal rijden onder invloed, achtste alinea, p. 29, en een schriftelijk bescheid, te weten het onderzoeksresultaat van de ademanalyse, p. 41.

11 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , derde alinea, p. 12.

12 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 november 2015.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 februari 2015 door [verbalisant 2] , [verbalisant 3] . [verbalisant 1] , achtste alinea, p. 18.

14 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 november 2015.

15 Het proces-verbaal verhoor verdachte, eerste, vierde, vijfde en zesde alinea, p. 23.

16 Het proces-verbaal rijden onder invloed, achtste alinea, p. 29 en een schriftelijk bescheid, te weten het onderzoeksresultaat van de ademanalyse, p. 41

17 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 november 2015.

18 Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring, p. 16.

19 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 november 2015.