Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7657

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
291328 FZ RK 15-2565
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz): beschikking van de rechtbank op grond van artikel 41a lid 5 Wet Bopz naar aanleiding van klacht van patiënt over de door de psychiater genomen beslissing tot beperking van de bewegingsvrijheid van deze patiënt. De rechtbank verklaart de klacht deels alsnog gegrond wegens het ontbreken van een deugdelijke schriftelijke motivering voor de beslissing.

Wet Bopz: beschikking van de rechtbank op grond van artikel 41a lid 5 Wet Bopz naar aanleiding van een klacht van een patiënt over de door de psychiater genomen beslissing tot beperking van de bewegingsvrijheid van deze patiënt welke beslissing volgens de patiënt onder meer onrechtmatig zou zijn. De klachtencommissie had de klacht eerder ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat er wel sprake is geweest van een situatie zoals bepaald in artikel 40 lid 3 Wet Bopz en de beperking van het recht op bewegingsvrijheid van klager toegestaan was. De rechtbank verklaart de klacht alsnog deels gegrond wegens het ontbreken van een deugdelijke schriftelijke motivering voor de beslissing.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 40
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 40a
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41a
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 41b
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2016/10 met annotatie van T.P. Widdershoven

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: 291328 FZ RK 15-2565

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 10 november 2015

op het verzoekschrift van:

[klager] ,

verder te noemen klager,

wonende te [plaats] ,

verblijvende in het psychiatrisch ziekenhuis

‘ [adres] ,

advocaat: mr. P.W. E. Hoezen te Winterswijk,

t e g e n

GGNet,

gevestigd te Warnsveld ,

locatie Vordenseweg 12 te Warnsveld ,

vertegenwoordigd door drs. L. Berg , verder te noemen Berg , psychiater.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen per fax op 19 oktober 2015;

  • -

    het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 27 oktober 2015.

De feiten

Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 september 2014 is klager met een last op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Wsr) geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar.

Op 10 augustus 2015 heeft de klachtencommissie GGNet van klager een klacht ontvangen door middel van het ingevulde klachtenformulier van 6 augustus 2015 en bijlagen waaronder de brief van klager van 9 augustus 2015. De klacht houdt – samengevat weergegeven in – dat klager van mening is dat de beperking van zijn vrijheden op 23 juli 2015 en 24 juli 2015 door Berg , onrechtmatig en disproportioneel is geweest.

De klachtencommissie heeft op 18 augustus 2015 een uitnodiging verstuurd aan partijen voor het geven van een mondelinge toelichting op de hoorzitting van 7 september 2015. Op 27 augustus 2015 heeft de klachtencommissie partijen bericht dat, na lezing van het verweer, een mondelinge toelichting geen nadere informatie zal opleveren en dat de hoorzitting wordt afgezegd.

De klachtencommissie heeft op 7 september 2015 de klacht van klager ongegrond verklaard. De uitspraak van de klachtencommissie is op 8 september 2015 verzonden aan partijen.

Het verzoek

Klager verzoekt, mede bij monde van zijn advocaat, de rechtbank om

1. de klacht van klager inhoudende dat:

a. a) de beperking van de bewegingsvrijheid van klager onrechtmatig was;

b) klager nimmer schriftelijk is geïnformeerd over de gronden van deze beslissing;

c) de beperking niet is gemeld aan de geneesheer directeur;

d) de rapportage betreffende het incident een onjuiste weergave van de feiten en omstandigheden bevat;

gegrond te verklaren en de beslissing van de klachtencommissie van 7 september 2015 te vernietigen;

2. aan klager een schadevergoeding toe te kennen ter hoogte van € 250,-- dan wel een door de rechtbank te goede justitie te bepalen bedrag, wegens de onrechtmatigheid van de hem op 23 en 24 juli 2015 opgelegde beperking van de bewegingsvrijheid,

kosten rechtens.

Klager heeft hiertoe onder meer het navolgende gesteld.

Klager stelt dat hij op 23 juli 2015, ongeveer één uur later dan afgesproken, is teruggekomen van onbegeleid verlof. Hierop heeft Berg , de dienstdoende psychiater, de vrijheden van klager beperkt, in die zin dat hij slechts onder begeleiding naar buiten mocht. Deze beperking is de volgende dag rond 14.00 uur opgeheven. In tegenstelling tot hetgeen in de reactie van Berg is opgemerkt, is klager die dag niet meer onder begeleiding naar buiten geweest hetgeen blijkt uit de overgelegde rapportage van de verpleging. Tevens blijkt volgens klager uit deze rapportage dat klager het niet eens was met de beslissing van Berg . Overigens heeft klager ter zitting erkend dat hij na zijn te late terugkomst desgevraagd aan de verpleging geen reden heeft willen noemen waarom hij te laat terug was.

Volgens klager is de beperking van zijn vrijheden onrechtmatig en disproportioneel geweest. Bovendien heeft klager erover geklaagd dat hij niet op de voorgeschreven wijze is gehoord en dat hij niet schriftelijk is geïnformeerd over de gronden waarop de beslissing berustte.

Tot slot heeft klager geklaagd over de inhoud van de rapportage, in het bijzonder de suggestie dat het een afspraak betrof dat klager enkel onder begeleiding naar buiten kon gaan en dat hij zich daar vrij gemakkelijk bij heeft neergelegd.

Klager heeft onder meer aangevoerd dat in het behandelplan geen afspraken zijn opgenomen ten aanzien van beperking van de bewegingsvrijheid van klager.

De beslissing van Berg inhoudende dat klager enkel nog onder begeleiding naar buiten mocht betreft derhalve een beperking van de bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis zoals bedoeld in artikel 40 lid 3 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz). Noch uit de beslissing van de klachtencommissie noch uit de reactie van Berg valt af te leiden dat van één van de in dit artikel genoemde gronden sprake is. Berg heeft over de achtergrond van de beslissing enkel op gemerkt dat het haar niet passend leek om klager meteen weer naar buiten te laten gaan, gezien het gegeven dat hij kort daarvoor (maximaal 30-45 minuten) te laat van vrijheden retour was gekomen en dat het onduidelijk was waarom dit zo verlopen was. De klachtencommissie baseert haar oordeel dat door Berg op goede grond is besloten de vrijheden van klager te beperken, op de enkele omstandigheid dat klager te laat terug was van zijn vrijheden. Klager stelt dat de klachtencommissie een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Het enkele gegeven dat klager een uur te laat is terug gekomen rechtvaardigt niet een dermate vrijheidsbeperkende maatregel.

Ter aanvulling op de klachten die zijn voorgelegd bij de klachtencommissie klaagt klager er voorts over dat de oplegging van de beperking niet aan de geneesheer-directeur

is gemeld, zoals ingevolge artikel 40 lid 5 Wet Bopz is vereist.

Hoewel de onrechtmatige beperking wellicht van relatief korte duur is geweest en de ingrijpendheid ten opzichte van andere vrijheidsbeperkende maatregelen beperkt is geweest, dient aan klager een schadevergoeding te worden toegekend. De redenen hiervoor zijn de lichtvaardigheid waarmee de beperking is opgelegd, het feit dat klager niet gehoord is voorafgaand aan de beslissing, dat hij nadien niet is geïnformeerd over de gronden van de beslissing en de onjuiste verslaglegging waardoor de indruk kan worden gewekt dat klager instemde met de beperking in zijn bewegingsvrijheid. Klager acht het redelijk dat aan hem een schadevergoeding ter hoogte van € 250,00 wordt toegekend.

Het verweer

GGNet heeft, bij monde van Berg , geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van klager.

Berg heeft in haar schriftelijke reactie van 18 augustus 2015 aan de klachtencommissie en ter zitting onder meer het volgende naar voren gebracht.

Op 23 juli 2015 werd Berg , als dienstdoende arts, gebeld door een verpleegkundige van afdeling Boog 6 met de melding dat klager nog niet terug was van zijn vrijheden. De verpleegkundige had meermalen gepoogd telefonisch contact met klager te leggen, maar dit was niet gelukt. Vervolgens heeft Berg geadviseerd klager op de telex te plaatsen conform de regelgeving omtrent mensen die zijn geplaatst op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht. Korte tijd later werd Berg opnieuw gebeld met de melding dat klager terug was. De verpleegkundige was in gesprek gegaan met klager, maar kreeg weinig zicht op de wijze waarop hij met deze vrijheden was omgegaan, waarom hij te laat was en zijn telefoon niet gebruikt had. Klager wilde opnieuw naar buiten. Omdat klager kort daarvoor te laat van vrijheden retour was gekomen en het onduidelijk was waarom dit zo verlopen was, leek het Berg niet passend om klager meteen weer naar buiten te laten vertrekken. Op dat moment was Berg echter op de spoedeisende hulp van het Gelre Ziekenhuis bezig met twee patiënten, waardoor zij op dat moment niet met klager in gesprek kon gaan.

Berg vroeg de verpleegkundige met klager te bespreken dat hij nu niet alleen naar buiten kon gaan, maar wel onder begeleiding, met daarbij de opmerking, dat wanneer dit tot problemen zou leiden, zij weer teruggebeld zou worden. Een dergelijk telefoontje heeft Berg niet ontvangen. Nadat zij haar werkzaamheden op de spoedeisende hulp had afgerond, heeft zij zélf nog contact gelegd met de afdeling hoe het verder verlopen was. De verpleegkundige gaf aan, dat klager later die avond onder begeleiding nog naar buiten was gegaan en dat er verder geen bijzonderheden waren geweest. Het voorstel was dat de aansluitende werkdag met de eigen behandelaar hierover verder afspraken gemaakt zouden worden. Voor Berg was er op dat moment geen grond (meer) om met klager in gesprek te gaan. Berg heeft overigens ter zitting erkend dat haar beslissing moet worden beschouwd als een beslissing als bedoeld artikel 40 lid 3 Wet Bopz en dat deze beslissing (achteraf) niet op schrift is gesteld.

De beoordeling

wettelijke grondslag

Op grond van artikel 41 Wet Bopz kan onder andere de patiënt een schriftelijke klacht indienen bij het bestuur van het psychiatrisch ziekenhuis tegen een beslissing als bedoeld in artikel 38, tweede lid, tweede volzin en vijfde lid, derde volzin, artikel 38a, vierde lid, artikel 38c, tweede en derde lid en de artikelen 39 en 40 Wet Bopz, alsmede tegen een beslissing over niet-toepassing van het overeengekomen behandelingsplan.

Op grond van artikel 41a lid 5 Wet Bopz kan indien de klager, in de onderhavige situatie de patiënt, een verzoekschrift bij de rechter indienen ter verkrijging van een beslissing over de klacht, indien de klachtencommissie niet tijdig een beslissing heeft genomen of indien de beslissing van de klachtencommissie niet inhoudt dat de klacht gegrond is. De vierde volzin van het eerste lid van artikel 41a Wet BOPZ is in het vijfde lid van overeenkomstige toepassing verklaard en bepaalt dat het verzoek binnen zes weken bij de rechtbank moet zijn ingediend.

ontvankelijkheid van het verzoekschrift

Nu de klachtencommissie de klacht bij beslissing van 7 september 2015 ongegrond heeft verklaard en klager binnen zes weken nadat de beslissing aan klager bekend is gemaakt het onderhavige verzoek heeft ingediend, is klager ontvankelijk in zijn verzoek.

klacht sub a

Klager heeft gesteld dat de beperking van zijn bewegingsvrijheid onrechtmatig is geweest.

Uit de inhoud van de overgelegde stukken en het onderzoek ter zitting valt het volgende af te leiden over hetgeen op 23 juli 2015 aan het eind van de middag heeft plaatsgevonden. Klager heeft rond 17.15 uur aan de verpleging gevraagd of hij naar buiten mocht. Dit was akkoord met daarbij de afspraak dat klager om 17.30 uur weer terug zou zijn in verband met het eten. Klager was echter om 17.30 uur nog niet terug zodat de verpleging klager meerdere keren heeft gebeld, doch geen gehoor kreeg. De verpleging heeft daarop Berg , de dienstdoende arts, gebeld die heeft geadviseerd om klager op de telex te zetten. Terwijl dit in gang werd gezet, arriveerde klager rond 18.45 uur.

De verpleging heeft klager gevraagd waarom hij te laat is. Hierop heeft klager geen duidelijk antwoord gegeven. Rond 19.05 uur heeft klager aan de verpleging aangegeven dat hij weer naar buiten wilde. De verpleging heeft vervolgens Berg hierover gebeld die adviseerde klager alleen onder begeleiding naar buiten te laten gaan. Berg kon niet zelf met klager in gesprek omdat zij met patiënten bezig was op de spoedeisende hulp. De verpleging heeft aan klager teruggekoppeld dat hij niet alleen naar buiten kon waarmee klager het niet eens was. De verpleging heeft klager daarop gemeld dat hij dit de volgende dag kon bespreken met zijn behandelaar. Klager is weggelopen naar zijn kamer en heeft het de dag daarna besproken met zijn behandelaar. De beperking werd vervolgens op 24 juli 2015 om 14.00 uur opgeheven.

De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat klager op 23 juli 2015 en 24 juli 2015 in zijn recht op bewegingsvrijheid is beperkt in de zin van artikel 40 lid 3 Wet Bopz doordat hij slechts onder begeleiding naar buiten mocht.

Op grond van artikel 40 lid 3 Wet Bopz kunnen beperkingen in het recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels, anders dan als middel of maatregel, aangegeven bij algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 39 lid 2, worden opgelegd:

  1. indien naar het oordeel van de voor de behandeling verantwoordelijke persoon van de uitoefening van het recht op de bewegingsvrijheid ernstige nadelige gevolgen moeten worden gevreesd voor de gezondheidstoestand van de patiënt, dan wel

  2. indien dit ter voorkoming van verstoring van de orde in het ziekenhuis, zoals die in de huisregels is beschreven, of ter voorkoming van strafbare feiten noodzakelijk is.

Een beperking van de vrijheden in die zin dat klager zich niet anders dan onder begeleiding buiten de instelling mag begeven grijpt in het recht van klager om zich vrijelijk te mogen verplaatsen.

De rechtbank is op grond van de verstrekte informatie van oordeel dat er in de gegeven omstandigheden sprake is geweest van een situatie zoals bepaald in artikel 40 lid 3 Wet Bopz en de beperking van het recht op bewegingsvrijheid van klager toegestaan was. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Berg , zijnde de voor de behandeling verantwoordelijke persoon, heeft ter zitting voldoende gemotiveerd weergegeven dat op het moment dat zij door de verpleging werd gebeld met de melding dat klager die dag voor de tweede keer naar buiten wilde, zij het op dat moment onverantwoord vond om klager, die met een maatregel op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht is opgenomen, zonder begeleiding naar buiten te laten gaan. Klager was immers korte tijd daarvoor nog te laat retour gekomen en het was de verpleging niet gelukt een goed beeld te krijgen van wat er was gebeurd in de tijd dat klager weg was geweest. Klager wilde bewust niet aan de verpleging vertellen waarom hij te laat was, waardoor Berg op dat moment onvoldoende kon inschatten welk gevaar er zou ontstaan wanneer klager onbegeleid naar buiten zou gaan. Met name gelet op de afwerende houding van klager bestond er naar het oordeel van de rechtbank daarom gegronde vrees voor ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheidstoestand van klager bij de uitoefening van het recht op bewegingsvrijheid. Derhalve kan de door klager bestreden beslissing van Berg de inhoudelijke toets doorstaan.

De rechtbank overweegt voorts dat - gelet op het vorenstaande - het beperken van de bewegingsvrijheid van klager op 23 juli 2015 en 24 juli 2015 in die zin dat klager niet anders dan onder begeleiding naar buiten mocht, noodzakelijk was om het hiervoor omschreven gevaar af te wenden. Aan de eis van proportionaliteit is daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldaan.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de onder sub a genoemde klacht ongegrond is.

klacht sub b: horen van klager, motiveringsplicht en schriftelijkheidsvereiste

De rechtbank overweegt hieromtrent dat de beslissing betreffende de beperking van de bewegingsvrijheid van klager, een beschikking is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat dus de in de Awb vastgelegde voorschriften moeten worden gevolgd bij de besluitvorming. Deze wettelijke voorschriften zijn een codificatie van algemene beginselen van behoorlijk bestuur die onder meer zorgvuldigheid en rechtszekerheid voor belanghebbenden moeten waarborgen. Belangrijke pijlers zijn de zogenoemde hoor- en motiveringsplicht.

Voorts kent de Wet Bopz een aantal specifieke bepalingen waarin deze beginselen (nader) tot uitdrukking komen.

Hieronder staan de voor onderhavige procedure meest relevante bepalingen weergegeven.

Artikel 3:46, eerste lid van de Awb bepaalt dat een besluit moet berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel 3:47, tweede en derde lid Awb bepaalt als uitgangspunt dat de motivering wordt vermeld bij bekendmaking van het besluit en dat indien een motivering in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld, het bestuursorgaan de motivering alsnog binnen week na bekendmaking moet verstrekken.


Artikel 4:8 lid 1 van de Awb bepaalt dat voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, het die belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

  1. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

  2. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

Ingevolge artikel 4:11 sub a Awb kan het horen van klager onder meer achterwege blijven indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 40a juncto artikel 40, derde lid, van de Wet BOPZ moet bij een beslissing die een beperking in het recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis inhoudt, de patiënt schriftelijk worden geïnformeerd over de gronden waarop die beslissing berust.

Naar het oordeel van de rechtbank was er in de voorliggende situatie sprake van een dusdanige noodsituatie dat Berg zich mocht verlaten op de informatie die zij op dat moment van de verpleging ontving zonder zelf klager te horen. Klager wilde immers weer gebruik maken van zijn bewegingsvrijheid, wilde tegelijkertijd geen tekst en uitleg over zijn afwezigheid verschaffen en Berg was zelf feitelijk niet in staat om klager te horen omdat zij zich ergens anders bevond in verband met spoedeisende hulp.

Dat er sprake is van een noodsituatie waarin het horen van klager (op dat moment) achterwege kan blijven laat onverlet dat ingevolge artikel 3: 47 van de Awb en artikel 40a van de Wet BOPZ klager binnen een week schriftelijk op de hoogte had moeten worden gebracht van de gronden van de beschikking waarin zijn recht op bewegingsvrijheid werd beperkt. Dat de vrijheidsbeperking de dag daarop is opgeheven doet daar niets aan af. Vast staat dat dit niet is gebeurd. Gebleken is immers dat klager nimmer (ten volle) is geïnformeerd over de grond waarop zijn bewegingsvrijheid is beperkt en dat nooit de motivering van de beschikking op schrift is gesteld. Eerst ter zitting van de rechtbank is namens verweerder alsnog een (weliswaar nog steeds louter mondelinge) deugdelijke motivering naar voren gebracht. Hierdoor heeft klager onnodig lang en in strijd met de wetgeving op een gedegen toelichting moeten wachten. Juist bij kwetsbare personen zoals klager, over wie de Staat heeft besloten dat ze gedwongen moeten worden opgenomen en behandeld, is het van groot belang dat beslissingen omtrent (de inperking van) hun vrijheden duidelijk en tijdig worden gecommuniceerd, hoe ogenschijnlijk beperkt de aan de orde zijnde inperking (achteraf) ook moge zijn. Door de motivering op schrift te stellen, zijn dergelijke beschikkingen ook achteraf zowel intern als extern beter controleerbaar. Naar het oordeel van de rechtbank zou het in dit geval ook betrekkelijk eenvoudig zijn geweest om klager binnen de gestelde termijn alsnog deugdelijk te informeren over de motivering van de beschikking. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat door verweerder de motiveringsplicht is geschonden en de beschikking tot beperking van de bewegingsvrijheid van klager op 23 en 24 juli 2015 in die zin onrechtmatig is geweest.

De rechtbank zal dan ook de klacht genoemd onder sub b gegrond verklaren.

klacht sub c

Klager heeft voorts gesteld dat beperking van zijn bewegingsvrijheid niet is gemeld aan de geneesheer directeur zoals ingevolge artikel 40 lid 5 Wet Bopz is vereist. De rechtbank overweegt hieromtrent dat deze klacht door klager in het onderhavige verzoekschrift is geformuleerd, doch dat het niet een klacht betreft die voorafgaand daaraan ingevolge het bepaalde in artikel 41, eerste lid van de Wet Bopz aan het bestuur van de inrichting is voorgelegd zodat omtrent deze klacht dan ook een oordeel van de klachtencommissie ontbreekt.

Nu de wettelijke bepalingen niet voorzien in een procedure waarbij klachten met voorbijgaan aan het bestuur en de klachtencommissie rechtstreeks bij verzoekschrift onder de aandacht van de rechter kunnen gebracht kan klager in deze klacht niet worden ontvangen.

Ter zitting heeft Berg overigens naar aanleiding van deze klacht nog verklaard dat zij op 23 juni 2015 zelf in de hoedanigheid van waarnemend geneesheer-directeur de beslissing heeft genomen en zij er geen weet van heeft of nadien de behandelaar van klager contact heeft gehad met de geneesheer-directeur.

schadevergoeding

Artikel 41b Wet Bopz bepaalt dat indien de klager de patiënt is, de inspecteur of de klager bij een verzoekschrift als bedoeld in artikel 41a, eerste lid, onderscheidenlijk vijfde lid, verzoeken de klager een schadevergoeding toe te kennen ten laste van de rechtspersoon die het betrokken psychiatrisch ziekenhuis in stand houdt, op de grond dat de beslissing waartegen de klacht is gericht, onrechtmatig is. De rechter kan op dit verzoek afzonderlijk beslissen.

Klager heeft de rechtbank verzocht aan hem een schadevergoeding toe te kennen ter hoogte van € 250,-- dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, wegens de onrechtmatigheid van de hem op 23 en 24 juli 2015 opgelegde beperking van de bewegingsvrijheid.

De rechtbank overweegt dat de enkele vaststelling dat de beslissing waartegen de klacht is gericht onrechtmatig is nog niet als vanzelfsprekend meebrengt dat op grond van artikel 41b Wet Bopz aan klager een schadevergoeding dient te worden toegewezen. Verzoeker stelt weliswaar dat hij schade heeft ondervonden van de vrijheidsbeperking, maar voor schadevergoeding is ook vereist dat er een causaal verband bestaat tussen het geleden nadeel en, in dit geval, het schenden van de motiveringsplicht.

Dit is door klager niet nader onderbouwd. De rechtbank zal om deze reden het verzoek tot schadevergoeding afwijzen.

proceskosten

De rechtbank acht het in de gegeven omstandigheden aangewezen om GGNet te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure. Deze worden aan de zijde van klager op grond van het “liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven” vastgesteld op een bedrag van € 904,-- aan salaris van de advocaat (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor de mondelinge behandeling, aldus 2 punten á raison van € 452,-- per punt).

De beslissing

De rechtbank:

verklaart de onder sub b genoemde klacht alsnog gegrond;

veroordeelt GGNet in de kosten van de onderhavige procedure aan de zijde van klager gevallen, tot deze uitspraak begroot op € 904,--(negenhonderdenvier euro);

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J Vos, voorzitter en rechter, mr. E.G. de Jong en

mr. P.J.C. Cremers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Stroink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2015.

Mr. De Jong is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.