Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7608

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
08-01-2016
Zaaknummer
ARN 14/673 en ARN 14/674
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft aan de staatssecretaris van Economische Zaken op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) verzocht om afschriften van de rapportages van de inspectiebezoeken aan twee verschillende bedrijven en de rapportages van deze bedrijven die aan verweerder zijn verzonden op basis van de Wet op de Dierproeven. Verweerder heeft bij de primaire besluiten diverse documenten gedeeltelijk verstrekt. Verweerder heeft daarnaast informatie geweigerd met een beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob.

De rechtbank overweegt dat verweerder met betrekking tot de locatie van de huisvesting van de proefdieren of dierproeven onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het enkele prijsgeven van een locatie van huisvesting is aan te merken als het openbaar maken van bedrijfs- of fabricatiegegevens. Nu verweerder heeft erkend dat de naam, adres en vestigingsplaats van de gecontroleerde instelling al openbaar zijn, doen naar het oordeel van de rechtbank, de uitzonderingsgronden van de Wob zich niet voor. Tot slot heeft verweerder informatie geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, omdat het niet uitgesloten is dat openbaarmaking van deze gegevens buitensporige reacties kan opleveren jegens de instellingen, proeflocaties, ondernemingen en hun medewerkers en dat het belang bij het voorkomen hiervan zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in dit geval niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling zwaarder weegt dan het openbaarheidsbelang. Er is geen sprake van vergelijkbare gevallen met de uitspraken waar verweerder naar heeft verwezen, nu daar het risico op negatieve reacties voldoende en concreet onderbouwd was, hetgeen in onderhavige zaak ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/673 en AWB 14/674

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. van Drunen),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken te 's-Gravenhage, verweerder.

Procesverloop

AWB 14/673

Bij brief van 11 januari 2013 heeft eiseres verweerder op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) verzocht om toezending van stukken.

Bij besluit van 31 mei 2013 heeft verweerder dit verzoek gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Hiertegen heeft eiseres op 28 juni 2013 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 28 oktober 2013 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld, omdat nog geen beslissing op haar bezwaarschrift was genomen.

Op 23 januari 2014 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing.

Bij besluit van 8 juli 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tevens heeft verweerder bij dit besluit overwogen dat aan eiseres een dwangsom van € 1.260 is verschuldigd.

Bij besluit van 22 juni 2015 heeft verweerder het besluit van 8 juli 2014 herzien en het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard.

Met toepassing van artikel 6:20, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep van eiseres mede geacht te zijn gericht tegen deze besluiten.


AWB 14/674

Bij brief van 11 januari 2013 heeft eiseres verweerder op grond van de Wob verzocht om toezending van stukken.

Bij ongedateerd besluit heeft verweerder dit verzoek gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Hiertegen heeft eiseres op 28 juni 2013 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 28 oktober 2013 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld, omdat nog geen beslissing op haar bezwaarschrift was genomen.

Op 23 januari 2014 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing.

Bij besluit van 8 juli 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tevens heeft verweerder bij dit besluit overwogen dat aan eiseres een dwangsom van € 1.260 is verschuldigd.

Met toepassing van artikel 6:20, derde lid van de Awb wordt het beroep van eiseres mede geacht te zijn gericht tegen dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft de gevraagde documenten aan de rechtbank overgelegd, waarbij de mededeling is gedaan als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. De rechtbank heeft beslist dat beperking van de kennisneming van die documenten gerechtvaardigd is. Eiseres heeft de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, verleend om mede op grondslag daarvan uitspraak te doen.

Beide zaken zijn gevoegd behandeld tijdens het onderzoek ter zitting op 25 juni 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.L.C. Rijk.

Overwegingen

De beroepen tegen het niet tijdig nemen van de beslissingen op bezwaar

1. Nu verweerder inmiddels beslissingen heeft genomen op de door eiseres ingediende bezwaren, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of nog procesbelang resteert bij de beroep tegen het niet tijdig nemen van de besluiten. Niet is gebleken dat eiseres nog belang heeft bij een beoordeling van de beroepen tegen het niet tijdig nemen van de besluiten. De beroepen zijn in zoverre niet-ontvankelijk.

AWB 14/673

2. Eiseres heeft verzocht om afschriften van de rapportages van de inspectiebezoeken aan de firma [naam] van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2012 en van de rapportages van dit bedrijf over dezelfde periode die aan verweerder zijn verzonden op basis van de Wet op de Dierproeven.

3. Verweerder heeft bij het primaire besluit 34 documenten gedeeltelijk verstrekt. Verweerder heeft informatie over de aard en uitkomst van het onderzoek geweigerd met een beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Tevens heeft verweerder persoonsgegevens, waaronder functietitels, geweigerd te verstrekken met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob.

Verweerder heeft daarnaast gegevens geweigerd met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob.

Bij het bestreden besluit van 22 juni 2015 heeft verweerder een gedeelte van de weggelakte gegevens alsnog verstrekt. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat bij het alsnog verstrekken van de gegevens beoogd is om aan te sluiten bij de schriftelijke reactie van [naam] van 3 februari 2014 (hierna: de schriftelijke reactie). Ter zitting is herhaaldelijk voor de motivering van dit bestreden besluit verwezen naar de schriftelijke reactie.

4. Met het weigeren de weggelakte informatie te verstrekken kan eiseres zich niet verenigen. Op hetgeen zij in dit verband heeft aangevoerd zal in het navolgende worden ingegaan.

5. Met betrekking tot de geweigerde gegevens op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, overweegt de rechtbank als volgt.

6. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

7. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, slechts die gegevens zijn, waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen, kunnen onder omstandigheden zodanige bedrijfsgegevens zijn. Verder dient artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd.

8. Eiseres bestrijdt gemotiveerd dat bij alle passages die op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob zijn geweigerd, sprake is van bedrijfs- en fabricagegegevens als bedoeld in dat artikel.

9. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de desbetreffende stukken, stelt de rechtbank vast dat uit de volgende weggelakte gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen met betrekking tot de technische bedrijfsvoering, het productieproces, de afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers:

 document 7, de toelichting bij de vragen 3, 19 en 22 (het eerste gedeelte);

 document 8, de toelichting bij de vragen 3, 7 en 10;

 document 9, de toelichting bij de vragen 5 en 15;

 kolom 15 in de documenten 15, 21 en 33;

 kolom 14 in document 24.

Verweerder heeft openbaarmaking van deze gegevens derhalve op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob kunnen weigeren.

10. Met betrekking tot de weggelakte gegevens in document 8, de toelichting bij vraag 2, welke gegevens eveneens op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob geweigerd zijn, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat het eerste weggelakte gedeelte in deze toelichting een kenmerk van een onderzoeksplan betreft. In de rest van de verstrekte stukken zijn de kenmerken van onderzoeksplannen wel openbaar gemaakt. In het bestreden besluit en de schriftelijke reactie is niet gemotiveerd waarom het kenmerk van dit onderzoeksplan in afwijking van de andere kenmerken van onderzoeksplannen wel aan te merken is als een bedrijfs- of fabricagegegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft dat het kenmerk van dit onderzoeksplan geweigerd kan worden op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het tweede weggelakte gedeelte bij deze vraag dat verweerder ter zitting voor de motivering heeft verwezen naar de schriftelijke reactie en dat daarin voor deze vraag wordt overwogen dat deze gegevens de locatie van de huisvesting van de proefdieren en dierproeven tonen. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van het desbetreffende gedeelte, stelt de rechtbank echter vast dat dit deel geen betrekking heeft op een locatie. Reeds daarom is de rechtbank van oordeel dat verweerder ook voor dit deel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het is aan te merken als een bedrijfs- of fabricagegegeven.

11. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de desbetreffende stukken, stelt de rechtbank vast dat de volgende weggelakte gegevens zien op een locatie van de huisvesting van de proefdieren of dierproeven:

 document 7, de toelichting bij de vragen 5, 6, 10, 11 en 22 (tweede deel);

 document 8, de toelichting bij de vragen 1 en 2 (derde deel);

 document 9, de toelichting bij vraag 1;

 document 10, de toelichting bij vraag 1;

 punt 6 in de documenten 16, 19, 22, 25, 28, 31 en 34.

Verweerder heeft deze locatiegegevens geweigerd openbaar te maken met een beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Zoals uit rechtsoverweging 7 blijkt zijn bedrijfs- en fabricagegegevens slechts die gegevens waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten, de kring van afnemers en leveranciers en onder omstandigheden de financiële bedrijfsvoering. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat niet is onderbouwd waarom het enkele prijsgeven van een locatie van huisvesting is aan te merken als het openbaar maken van bedrijfs- of fabricatiegegevens. Desgevraagd heeft verweerder niet kunnen toelichten onder welke voornoemde categorie een locatie van huisvesting kan worden geschaard. Evenmin is de stelling in de schriftelijke reactie dat de bekendmaking van de locatie van de huisvesting van de proefdieren of dierproeven de concurrentiepositie schaadt, onderbouwd. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank ook dit deel van het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

Met betrekking tot punt 6 in de documenten 16, 19, 22, 25, 28, 31 en 34 merkt de rechtbank daarnaast op dat deze gegevens ook in de aan de rechtbank met een beroep op artikel 8:29 van de Awb verstrekte documenten zijn weggelakt, maar dat uit de context duidelijk blijkt dat het om adresgegevens gaat.

12. Met betrekking tot de geweigerde gegevens op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, overweegt de rechtbank als volgt.

13. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

14. Verweerder heeft geweigerd de jaartallen van gevolgde opleidingen door medewerkers in de toelichting bij vraag 3 in de documenten 1, 2, 3, 5 en 6 openbaar te maken op grond van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de combinatie van de gegevens van de onderwijsinstelling of het diploma en het jaartal het mogelijk maakt om het een en ander te herleiden tot een persoon, hetgeen eiseres heeft betwist.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit standpunt onvoldoende gemotiveerd heeft. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder niet heeft kunnen toelichten hoe de opleidingsgegevens te herleiden zouden zijn tot een persoon, zo is niet aangegeven of openbaar is welke personen een bepaalde opleiding in een specifiek jaar hebben afgerond, welke mensen werkzaam zijn bij [naam] en kon verweerder ter zitting desgevraagd ook niet aangegeven hoeveel mensen bij [naam] werkzaam zijn.

15. Tevens heeft verweerder bij het bestreden besluit van 22 juni 2015 het antwoord op vraag 2 in de documenten 1 tot en met 6, 11 en 12 geweigerd openbaar te maken op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. De rechtbank stelt vast dat deze gegevens bij het primaire besluit reeds openbaar zijn gemaakt, zodat deze bij het bestreden besluit van 22 juni 2015 niet alsnog geweigerd kunnen worden.

In de documenten 1 tot en met 6, 11 en 12 heeft verweerder voorts geweigerd de toelichting op vraag 2 openbaar te maken. In de aan de rechtbank met een beroep op artikel 8:29 van de Awb verstrekte documenten zijn ook deze gegevens weggelakt, zodat de rechtbank niet kan beoordelen of verweerder deze gegevens met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob heeft kunnen weigeren. Gelet hierop houdt de rechtbank het er voor dat ook deze gegevens ten onrechte zijn geweigerd.

16. Tot slot heeft verweerder vanwege de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer de gegevens onder punt 5 en de handtekening in de documenten 16, 19, 22, 25, 28, 31 en 34 geweigerd openbaar te maken. Uit de context blijkt dat het hier gaat om gegevens van natuurlijke personen. Ter zitting heeft eiseres aangegeven niet te betwisten dat gegevens betreffende natuurlijke personen geweigerd konden worden.

17. Met betrekking tot de geweigerde gegevens op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, overweegt de rechtbank als volgt.

18. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob blijft het verstrekken van informatie eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

19. Verweerder heeft overwogen dat niet uitgesloten is dat openbaarmaking van de op deze grond geweigerde gegevens buitensporige reacties kan opleveren jegens deze instellingen, proeflocaties, ondernemingen en hun medewerkers en dat het belang bij voorkoming hiervan zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarheid.

20. Voor zover gegevens van natuurlijke personen zijn geweigerd op deze grond, merkt de rechtbank op dat eiseres ter zitting heeft aangegeven te berusten in weigering van deze gegevens.

21. Voor zover verweerder zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat de locaties van de huisvesting van de proefdieren en dierproeven niet alleen op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob geweigerd zijn, maar ook bedoeld is deze gegevens te weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Dit is namelijk niet ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit van 22 juni 2015. Daarbij heeft verweerder ter zitting toegelicht dat met dit besluit bedoeld is volledig aan te sluiten bij de schriftelijke reactie en daarin is evenmin een beroep op deze bepaling gedaan met betrekking tot de locatiegegevens.

22. Gelet op het voorgaande is het beroep op diverse punten gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten van 8 juli 2014, voor zover deze niet ziet op de al dan niet verbeurde dwangsommen, en 22 juni 2015 vernietigen. Gelet op de aard van de gebreken en de hoeveelheid gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Zij zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

23. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 980,- (te weten 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 490,- wegingsfactor 1). Verweerder zal ook worden gelast het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

AWB 14/674

24. Eiseres heeft verzocht om afschriften van de rapportages van de inspectiebezoeken aan de firma [naam2] van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2012 en van de rapportages van dit bedrijf over dezelfde periode die aan verweerder zijn verzonden op basis van de Wet op de Dierproeven.

25. Verweerder heeft bij het primaire besluit vier documenten gedeeltelijk verstrekt. Verweerder heeft persoonsgegevens geweigerd openbaar te maken met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Verweerder heeft daarnaast de namen van vergunninghouders, namen en adresgegevens van locaties waar dierproeven worden gehouden, nummers van vergunninghouders, gegevens over huisvesting en dagen waarop proefdieren worden geleverd geweigerd met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob.

Dit besluit heeft verweerder in bezwaar gehandhaafd.

26. Hiermee kan eiseres zich niet verenigen. Op hetgeen zij in dit verband heeft aangevoerd zal in het navolgende worden ingegaan.

27. De rechtbank overweegt als volgt.

28. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de gegevens over degene die een tweetal klachten heeft ingediend abusievelijk geweigerd zijn en dat het bestreden besluit op dat punt niet gehandhaafd wordt. Verweerder zal deze gegevens alsnog openbaar maken.

29. Eiseres heeft betoogd dat verweerder niet kan motiveren waarom de naam, adres en vestigingsplaats van de gecontroleerde instelling zijn geweigerd en dat de namen van vergunninghoudende instellingen reeds openbaar zijn. Deze beroepsgrond slaagt. Nu verweerder ter zitting heeft erkend dat deze gegevens al openbaar zijn, doen naar het oordeel van de rechtbank, de uitzonderingsgronden van de Wob zich niet voor. De rechtbank merkt daarbij op dat het reeds openbaar zijn van deze gegevens niet betekent dat deze niet alsnog verstrekt hoeven te worden. Het feit dat ze reeds openbaar zijn gemaakt, maakt namelijk niet dat het voor eiseres kenbaar is welke gegevens in de door verweerder verstrekte informatie verwijderd zijn.

30. Verder heeft verweerder met betrekking tot de informatie die is geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, overwogen dat het niet uitgesloten is dat openbaarmaking van deze gegevens buitensporige reacties kan opleveren jegens de instellingen, proeflocaties, ondernemingen en hun medewerkers en dat het belang bij het voorkomen hiervan zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarheid. Bij openbaarmaking bestaat het risico dat mogelijke acties worden afgestemd op de dagen van af- en aanlevering. Verweerder verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Zutphen van
6 juni 2012 (ECLI:NL:RBZUT:2012:BW7677).

Eiseres heeft betoogd dat verweerder niet heeft onderbouwd dat er daadwerkelijk een risico bestaat op buitensporige reacties. Deze beroepsgrond slaagt eveneens. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd enkel kunnen aangeven dat dit een feit van algemene bekendheid is. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te oordelen dat er een risico bestaat op buitensporige reactie jegens dit bedrijf. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat tussen partijen niet in geschil is dat er recentelijk geen acties hebben plaatsgevonden tegen dit bedrijf. Met betrekking tot verweerders beroep op voornoemde uitspraak van de rechtbank Zutphen, overweegt de rechtbank dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen, nu daar niet is geschil was dat de derde-partij in het recente verleden daadwerkelijk het doelwit was geweest van dergelijke acties. In de uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2011 (zaaknummer 201006011/1/H3) waarnaar wordt verwezen in de uitspraak van de rechtbank Zutphen, is evenmin sprake van een vergelijkbaar geval. De rechtbank overweegt daartoe dat in die betreffende zaak sprake was van concrete klachten tegen veetransporteurs en dat een lijst was overgelegd waaruit de ernst en de frequentie van acties tegen veetransporteurs bleek. Het risico op negatieve reacties was derhalve voldoende en concreet onderbouwd, hetgeen in onderhavige zaak ontbreekt.

Met betrekking tot de dagen waarop proefdieren worden geleverd overweegt de rechtbank in aanvulling op het voorstaande, dat die gegevens dateren uit het jaar 2009 en verweerder desgevraagd ter zitting niet heeft kunnen aangeven of het leveren van de dieren nu nog steeds op dezelfde dagen plaatsvindt. Evenmin heeft verweerder de stelling van eiseres betwist dat er geen risico kleeft aan het vrijgeven van de transportdagen nu het ophaal- en afleveradres niet openbaar bekend is.

Gelet hierop heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling zwaarder weegt dan het openbaarheidsbelang. Naast dit algemeen belang van openbaarheid is naar het oordeel van de rechtbank ook belang gelegen in het dierenwelzijn, dat gediend is met het openbaarmaken van de transportdagen en daarmee de transportduur. Gelet hierop kan de weigering op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob in rechte geen stand houden.

31. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit van 8 juli 2014, voor zover dit niet ziet op de al dan niet verbeurde dwangsommen, vernietigen. Gelet op de aard van de gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Zij zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

32. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 980 (te weten 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 490 wegingsfactor 1). Verweerder zal ook worden gelast het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk;

 verklaart de beroepen voor zover gericht tegen de besluiten van 8 juli 2014 (2x) en 22 juni 2015 gegrond;

 vernietigt de drie bestreden besluiten, voor zover deze niet zien op de al dan niet verbeurde dwangsommen;

 draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.960;

 gelast dat verweerder het griffierecht ad € 330 aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Vogel, rechter, in tegenwoordigheid van
C.M.A. Groenendaal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.