Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7589

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
07-12-2015
Zaaknummer
278704
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde wil ten behoeve van een op een perceel van eiser aan te leggen openbaar werk van algemeen nut als bedoeld in de Belemmeringenwet privaatrecht (Bp) een modelovereenkomst sluiten met eiser ter vestiging van een opstalrecht. De rechtbank wijst de vordering van eiser, kort gezegd inhoudende dat gedaagde wordt verplicht te (blijven) trachten met hem een minnelijke overeenstemming te bereiken teneinde toestemming van hem te verkrijgen om de ondergrondse leiding in zijn perceel aan te leggen en te beheren tegenover een redelijke tegenprestatie en periodieke retributie als bedoeld in artikel 5:101 lid 3 BW, af. Gelet op de voorwaarde die eiser blijft stellen aan te voeren onderhandelingen heeft eiser geen belang bij verdere onderhandelingen. Ten aanzien van de gevorderde periodieke retributie geldt voorts dat artikel 5:101 lid 3 BW een opstaller niet verplicht om op die wijze retributie te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/278704 / HA ZA 15-118 / 17 / 823fh

Vonnis van 21 oktober 2015

in de zaak van

[eiser]

wonende te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer,

eiser,

advocaat mr. A.P. van Delden te Den Haag,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TENNET TSO B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. N.H. van den Biggelaar te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en TenneT genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 april 2015 en de daarin genoemde gedingstukken;

  • -

    producties, in het geding gebracht door mr. Van Delden voornoemd bij brieven van 19 en 25 augustus 2015;

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 2 september 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

TenneT is beheerder van het landelijk hoogspanningsnetwerk in Nederland. Zij is voornemens het netwerk uit te breiden met een gedeeltelijk ondergronds aan te leggen 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Beverwijk en Bleiswijk.

2.2.

[eiser] is eigenaar van een perceel grond, kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, sectie AB, nummer [nummer] , plaatselijk bekend bij [adres] te Vijfhuizen (verder te noemen: het perceel).

2.3.

Het geplande tracé van de nieuwe hoogspanningsverbinding loopt dwars over het perceel. Die verbinding zal daar ondergronds worden aangelegd.

2.4.

TenneT hanteert in dergelijke gevallen jegens de grondeigenaar een modelovereenkomst en projecttarieven. Deze modelovereenkomst tot vestiging van een opstalrecht en de bijbehorende Algemene bepalingen voor opstalrechten van TenneT 2013 bevatten de nagenoeg gelijkluidende artikelen 6 lid 2 respectievelijk 5 leden 1 en 2. Laatstgenoemd artikel luidt, voor zover van belang:

1. De van toepassing zijnde vergoedingen en de hoogte daarvan worden vastgelegd in de

Overeenkomst. De Grondeigenaar zal, indien van toepassing, een of meer van onderstaande

vergoedingen ontvangen:

(a) een eenmalige vergoeding voor het meewerken aan de (uitvoering van de) Overeenkomst en de vestiging van het Opstalrecht (de Afsluitvergoeding Zakelijk Recht);

(b) een eenmalige vergoeding voor de voorzienbare hinder en schade aan de Belaste Strook ten gevolge van de aanwezigheid van de Elektriciteitswerken (waardevermindering van de Belaste Strook indien deze op de Sluitingsdatum onbebouwd is daaronder begrepen);

(c) een eenmalige vergoeding in verband met waardevermindering van de Belaste Strook en - indien van toepassing - het Aangrenzend Perceel, mits dit/deze op de Sluitingsdatum is/zijn bebouwd, die het gevolg is van de aanwezigheid van de Elektriciteitswerken;

(d) een jaarlijkse vergoeding wegens inkomensschade indien sprake is van Werken (zijnde één of meer hoogspanningsmasten, verbinding - en/of testwerken of opstijgpunten), mits de Grondeigenaar tevens gebruiker is van de Belaste Strook en onder de voorwaarden zoals hierna in lid 5 bepaald;

(e) een eenmalige vergoeding in verband met het kunnen inrichten van een Werkterrein wanneer de Grondeigenaar tevens gebruiker is in verband met de aanleg van de Elektriciteitswerken (Meewerkvergoeding Werkterrein); en (f) een vergoeding (Werkschade) wanneer de Grondeigenaar aantoonbare schade leidt ten gevolge van de aanlegwerkzaamheden en/of onderhoudswerkzaamheden aan Elektriciteitswerken op het (gedeelte van) de Belaste Strook en/of het Aangrenzend Perceel.

2. De Opstalhouder verplicht zich voorts tot vergoeding van alle andere concreet vast te stellen

schade aan de Belaste Strook en/of aan het Aangrenzend Perceel, die de Grondeigenaar lijdt,

mits:

(a) die schade het gevolg is van de door de Opstalhouder in het kader van het Opstalrecht uitgevoerde werkzaamheden (i) bij de aanleg van de Elektriciteitswerken (mits de schade op de Sluitingsdatum onvoorzienbaar was en de vergoeding als in artikel 5 lid 1 onder (b en c) bedoeld daarop derhalve niet ziet) en/of (ii) na de aanleg van de Elektriciteitswerken (met uitzondering van de maatregelen in artikel 10 bedoeld);

(b) die schade het gevolg is van het Opstalrecht en/of de aanwezigheid van de Elektriciteitswerken, en deze schade nog niet is vergoed door betaling van de vergoedingen als bedoeld in artikel 5 lid 1.

Onder “schade” wordt in dit artikel 5 lid 2 alleen verstaan schade die op grond van een in het

kader van de Belemmeringenwet Privaatrecht op te leggen gedoogplicht voor vergoeding in

aanmerking zou zijn gekomen, zulks voorzover die schade niet reeds wordt vergoed op grond van

artikel 5 lid 1.”

2.5.

Tennet heeft een overzicht met projecttarieven in het geding gebracht. Daarin is vermeld dat aan degenen die op minnelijke wijze, vrijwillig met TenneT een opstalovereenkomst en/of tijdelijke gebruiksovereenkomst aangaan een eenmalige vergoeding, naast de volledige schadeloosstelling, wordt uitgekeerd. Volgens de daaronder opgenomen tabel beloopt de Afsluitvergoeding Zakelijk Recht voor de grondeigenaar:

  • -

    € 2,82 per m2 belemmerde strook binnen 2 x 7,5 meter vanuit de hartlijn van de verbinding, met een minimum van € 1.000,-;

  • -

    € 1,41 per m2 overige belemmerde strook;

De Meewerkvergoeding werkterrein voor de grondgebruiker beloopt volgens de tabel, voor zover hier van belang:

  • -

    € 1,12 per m2 werkterrein (tijdelijke) gebruiksovereenkomst met een minimum van € 100,- voor de eerste 25 meter werkterrein in geval van werkstroken bij ondergrondse verbinding;

  • -

    € 0,56 per m2 werkterrein (tijdelijke) gebruiksovereenkomst voor de overige m2 werkterrein (incl. toegangswegen en lier opstelplaatsen).

De rechthebbende krijgt, zo staat onder de tabellen vermeld, een opslag van 20% van de vergoeding behorende bij de af te sluiten overeenkomst, mits hij de overeenkomst binnen zes weken na de aanbieding tekent.

In het overzicht projecttarieven is voorts vermeld dat het vergoeden van schade geschiedt op basis van volledige schadeloosstelling met als uitgangspunt dat de rechthebbende na de aanleg van de hoogspanningsverbinding in dezelfde vermogens- en inkomenspositie dient te verkeren als daarvoor. Daaronder zijn tabellen met bedragen voor verschillende soorten schade opgenomen. Tevens is vermeld dat schade die nog niet kan worden voorzien of bepaald, waaronder schade als gevolg van onzekere toekomstige gebeurtenissen, ook door TenneT wordt vergoed op het moment dat deze zich voordoet, conform het bepaalde in artikel 5 van de Algemene bepalingen.

2.6.

TenneT schrijft op 3 juli 2014 aan [eiser] onder meer:

“Ter hoogte van uw percelen worden de 150kV-verbinding en de nieuwe 380kV-verbinding gecombineerd ondergronds aangelegd.

Inpassingsplan onherroepelijk

Zoals u wellicht hebt vernomen, is het Inpassingsplan van de ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Infrastructuur en Milieu onherroepelijk vastgesteld. Dit houdt in dat het tracé van de nieuwe hoogspanningsverbinding vaststaat. (…)

Werkterreinen

Het afgelopen half jaar zijn de plannen uitgewerkt om de nieuwe hoogspanningsverbinding tussen Vijfhuizen en Zoetermeer (Bleiswijk) te kunnen bouwen. Dit houdt onder meer in dat er werkterreinen en werkwegen zijn uitgewerkt en ingetekend op kaarten. Over deze werkterreinen en werkwegen heeft TenneT in oktober en februari een aantal informatieavonden georganiseerd.

Zakelijk recht - tijdelijk gebruik percelen

U ontvangt deze brief omdat u rechthebbende bent van één of meerdere percelen die gelegen zijn in de zakelijk rechtstrook van de nieuwe hoogspanningsverbinding, waarop tevens een werkterrein is voorzien. TenneT wil met u een zakelijk rechtovereenkomst of een gebruiksovereenkomst afsluiten.

Voor de aanleg en instandhouding van de nieuwe hoogspanningsverbinding (de 380kV-verbinding al dan niet gecombineerd met de 150kV-verbinding) wil TenneT gebruik kunnen (blijven) maken van een strook grond ter plaatse van de hoogspanningsverbinding. Deze strook (de zakelijk rechtstrook) is vastgesteld op basis van het benodigde ruimtebeslag voor aanleg en instandhouding. Daarbij is rekening gehouden met veiligheidseisen (zodat op een veilige afstand van de hoogspanningsverbinding) gewerkt kan worden). Om gebruik te kunnen (blijven) maken van de grond in deze strook sluit TenneT een zakelijk recht overeenkomst (inclusief gebruiksovereenkomst) af met de eigenaar, de eventuele overige zakelijk gerechtigden (erfpachters, opstalhouders et cetera) en de eventuele persoonlijk gerechtigden (huurders, pachters et cetera). In deze overeenkomsten worden de afspraken vastgelegd over het gebruik van de grond, welke vergoeding en welke rechten op toekomstige vergoedingen de rechthebbende van TenneT zal ontvangen.

Dossier

Bij deze brief hebben wij een dossier gevoegd. In dit dossier zitten stukken welke betrekking hebben op uw specifieke situatie, zoals de relevante concept-overeenkomst(en) en kaartmateriaal. Ook hebben wij algemene informatie bijgevoegd zoals de tarieven/vergoedingen die gelden voor het Randstad 380kV-project met daarbij onze Schade- en vergoedingengids.

Deskundige

Voor de aanleg en instandhouding van een hoogspanningsverbinding wil TenneT graag nadere afspraken met u maken. Deze afspraken worden vastgelegd in een Zakelijk Recht Overeenkomst of een Gebruiksovereenkomst. (…)”

2.7.

De raadsman van [eiser] antwoordt namens hem op 8 juli 2014, voor zover hier van belang:

“Cliënt begrijpt uit de brief dat TenneT met hem een zakelijk recht overeenkomst wenst af te sluiten. Ik kan u berichten dat cliënt daartoe bereid is onder de voorwaarde dat met TenneT een aan het zakelijk recht te verbinden periodieke retributie als bedoeld in artikel 5:101 lid 3 BW zou kunnen worden overeengekomen.

Graag verneem ik of TenneT bereid is om op basis van voornoemd uitgangspunt de onderhandelingen voort te zetten.”

2.8.

Bij brief van 22 juli 2014 deelt TenneT aan de raadsman van [eiser] mee, voor zover hier van belang:

“Indien uw cliënt met TenneT tot overeenstemming komt over de vestiging van een zakelijk recht dan betaalt TenneT een Afsluitvergoeding zakelijk recht en een Meewerkvergoeding werkterrein. Daarnaast vergoedt TenneT de schade welke uw cliënt leidt als gevolg van de aanleg en de aanwezigheid van de hoogspanningsverbinding.

TenneT stemt niet in met de vergoeding van een retributie. Reden hiervoor is dat TenneT op grond van de wet niet gehouden is om een retributie te vergoeden. Omdat hoogspanningsverbindingen werken van algemeen belang zijn en de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk gehouden dienen te worden, zal TenneT niet overgaan tot een onverplichte jaarlijkse vergoeding (die geen schadevergoeding is).

TenneT is graag bereid om met u en uw cliënt in gesprek te treden over de vestiging van een zakelijk recht, echter niet onder de voorwaarde dat een periodieke retributie overeengekomen dient te worden. Wij vernemen graag of uw cliënt hiertoe bereid is.

Indien uw cliënt niet bereid is om in gesprek te treden over de vestiging van een zakelijk recht, zullen wij uw cliënt zonder nader overleg een schriftelijke aanbieding tot het vestigen van een zakelijk recht van opstalrecht doen. Indien uw cliënt de dan aangeboden overeenkomst(en) niet wenst te tekenen, dan zien wij ons genoodzaakt om een gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht aan te vragen. Indien de gedoogplicht daadwerkelijk wordt opgelegd, heeft uw cliënt geen recht meer op de Afsluitvergoeding zakelijk recht en de Meewerkvergoeding werkterrein.”

2.9.

De Federatie Particulier Grondbezit te Veenendaal geeft een Modelovereenkomst voor het vestigen van een erfpachtrecht met een erfpachtafhankelijk recht van opstal betreffende een woning uit. Deze modelovereenkomst voorziet onder meer in het volgende beding:

“De canon bedraagt bij aanvang € < > per jaar. De voor het opstalrecht verschuldigde retributie wordt geacht te zijn begrepen in de verschuldigde canon.”

2.10.

TenneT had ten tijde van de comparitie van partijen nog geen gedoogbeschikking als bedoeld in de Belemmeringenwet privaatrecht (Bp) aangevraagd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. zal verklaren voor recht dat TenneT gehouden is - ook na de aanvraag van een gedoogbeschikking als bedoeld in de Bp - om met inachtneming van zijn gerechtvaardigde belangen te (blijven) trachten een minnelijke overeenstemming te bereiken teneinde zijn toestemming te verkrijgen om de ondergrondse leiding in zijn perceel aan te leggen en te beheren tegenover een redelijke tegenprestatie;

2. zal verklaren voor recht dat hij redelijkerwijs mede gelet op artikel 5:101 lid 3 BW als voorwaarde aan de verlening van een zakelijk recht van opstal mag verbinden dat TenneT als opstalgerechtigde aan de grondeigenaar een periodieke retributie betaalt en dat TenneT jegens hem onrechtmatig handelt indien zij niet bereid is om (de hoogte van) een periodieke retributie in het minnelijk overleg te betrekken;

3. TenneT zal veroordelen tot voortzetting van de onderhandelingen, zolang ook hij tot die onderhandelingen bereid is, met inachtneming van zijn gerechtvaardigde belangen, waaronder zijn belang om een periodieke - aan het door TenneT gewenste zakelijk recht van opstal te verbinden - retributie overeen te kunnen komen;

een en ander met veroordeling van Tennet in de kosten van deze procedure en in de nakosten ad € 131,- zonder betekening, verhoogd met € 68,- in geval van betekening, met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis.

3.2.

TenneT voert gemotiveerd verweer.

4 De beoordeling

4.1.

In artikel 5:101 lid 3 BW is bepaald dat in de akte van vestiging van een opstalrecht de opstaller de verplichting kan worden opgelegd aan de eigenaar op al dan niet regelmatig terugkerende tijdstippen een geldsom - de retributie - te betalen.

4.2.

In de Bp is bepaald, voor zover hiervan belang:

 “ “Artikel 1

Wanneer ten behoeve van openbare werken:

(…)

die ingevolge eene door het openbaar gezag verleende concessie worden of zijn tot stand gebracht, terwijl het openbaar belang door Ons of van Onzentwege is erkend, of

van welke het algemeen nut uitdrukkelijk bij de wet is erkend,

een werk noodig is, waarvoor duurzaam of tijdelijk gebruik moet worden gemaakt van onroerende zaken, kan ieder, die eenig recht heeft ten aanzien van die zaken, behoudens recht op schadevergoeding, worden verplicht te gedoogen, dat zoodanig werk wordt aangelegd en in stand gehouden, indien naar het oordeel van Onzen Minister van Waterstaat de belangen van de rechthebbenden redelijkerwijs onteigening niet vorderen en in het gebruik van de zaken niet meer belemmering wordt gebracht, dan redelijkerwijs voor den aanleg en de instandhouding van het werk noodig is.

Artikel 2

o 1. Is met de rechthebbenden ten aanzien van enige onroerende zaak geen overeenstemming verkregen, (…)

o 5. (…) dan kan eene verplichting, als bij artikel 1 bedoeld, bij met redenen omkleede beslissing van Onzen Minister van Waterstaat, zoo noodig onder voorwaarden te stellen aan den verzoeker, worden opgelegd.”

4.3.

[eiser] stelt op basis van artikel 5:101 lid 3 BW en onder meer de hiervoor onder 2.9. aangehaalde modelovereenkomst van de Federatie Particulier Grondbezit dat zijn voorwaarde dat TenneT een periodieke retributie verschuldigd is legitiem en redelijk is en dat TenneT, door die voorwaarde aanstonds af te wijzen, niet heeft voldaan aan haar verplichting te trachten overeenstemming met hem te bereiken. Uit de aangehaalde bepalingen van de Bp leidt hij af dat partijen redelijkerwijs gehouden zijn te onderhandelen totdat overeenstemming is bereikt. Hij betoogt dat partijen die met elkaar in onderhandeling treden over het sluiten van een overeenkomst, tot elkaar komen te staan in een bijzondere, door de goede trouw beheerste rechtsverhouding die meebrengt dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. TenneT heeft echter tot dusverre geweigerd mee te werken aan de onderhandelingen, ofschoon zij, gelet op het bepaalde in artikel 2 lid 1 Bp, gehouden is te trachten een minnelijke overeenkomst te sluiten om de noodzaak van het aanvragen van een gedoogbeschikking te voorkomen, aldus [eiser] . TenneT handelt volgens hem in strijd met de op haar rustende wettelijke verplichting om te trachten een minnelijke regeling te treffen door het eveneens in de wet verankerde redelijkheidsbeginsel in de wind te slaan: zij sluit immers een overeenkomst waarin een periodieke retributie wordt vastgelegd categorisch uit. De omstandigheid dat TenneT een beroep op de Bp kan doen om een gedoogbeschikking te verkrijgen stelt des te strengere eisen aan haar onderhandelingsbereidheid. Waar TenneT belang heeft bij de aanleg en instandhouding van de ondergrondse hoogspanningsverbinding voor onbepaalde tijd, behoort daar in redelijkheid een periodieke retributie, ter compensatie van de beperking van zijn beschikkingsmacht, tegenover te staan, zo meent [eiser] .

4.4.

Het verweer van TenneT houdt het volgende in. Op 3 juli 2014 heeft zij [eiser] schriftelijk benaderd teneinde met hem in gesprek te komen over de voorgenomen aanleg van de hoogspanningsverbinding, zoals in dergelijke gevallen gebruikelijk is. [eiser] heeft zich daartoe uitsluitend bereid verklaard op voorwaarde dat partijen als tegenprestatie voor de aanleg en de instandhouding van de verbinding op de grond van [eiser] een periodieke retributie zouden overeenkomen. TenneT heeft die voorwaarde van de hand gewezen maar zich overigens bereid getoond tot overeenstemming te komen. Hoogspanningsverbindingen als waar het hier om gaat zijn openbare werken van algemeen nut, waarvan de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk gehouden moeten worden, aldus TenneT. Er bestaat volgens haar geen wettelijke verplichting om een periodieke retributie overeen te komen zoals door [eiser] verlangd. De wet voorziet voor deze en dergelijke situaties in geen verdergaande vergoeding dan schadeloosstelling van de belanghebbende(n). TenneT wenst met [eiser] te onderhandelen op basis van haar modelovereenkomst en de bijbehorende vergoedingsregelingen. Zij is van mening dat die voorzien in redelijke vergoedingen voor de grondeigenaar/-gebruiker. In het geval dat de onderhandelingen niet tot overeenstemming leiden, bevat de wet een regeling die uitgaat van schadeloosstelling van de grondeigenaar/-gebruiker, aldus TenneT.

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 5:101 lid 3 BW, inhoudende dat de opstaller de daarin omschreven verplichting kan worden opgelegd, niet volgt dat TenneT een periodieke retributie moet betalen. De bepaling opent de mogelijkheid van een periodieke retributie, maar stelt die niet op voorhand verplicht. Dat leidt tot de conclusie dat een recht van opstal zonder verplichting om aan de eigenaar op al dan niet regelmatig terugkerende tijdstippen een geldsom - de retributie - te betalen evenzeer denkbaar is.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat het door TenneT aan te leggen ondergrondse hoogspanningsverbinding een openbaar werk van algemeen nut in de zin van de Bp is. Voor de aanleg en instandhouding ervan kan TenneT een gedoogbeschikking aanvragen. In de Bp is tot uitgangspunt genomen dat partijen er eerst naar moeten streven om in goed overleg tot een overeenkomst te komen. De wet laat zich echter niet uit over de eisen die mogen worden gesteld aan dat overleg of over de aard en de mate van inspanning die partijen zich in dat kader moeten getroosten. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat een serieuze en redelijke poging moet zijn ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen. De Bp voorziet verder in een regeling voor het geval dat overeenstemming niet mogelijk is. Die regeling houdt volledige schadeloosstelling van de grondeigenaar/-gebruiker in. Naar het oordeel van de rechtbank volgt reeds daaruit dat de door Tennet op basis van die regeling aangeboden volledige schadeloosstelling (in eerste instantie met additionele vergoedingen) redelijk en billijk is. Van een verplichting om daarnaast een periodieke retributie te betalen is geen sprake. De rechtbank volgt [eiser] dan ook niet in zijn stelling dat uit de uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2013:2468) zou volgen dat een door verweerder in die zaak op basis van haar algemene voorwaarden aan de rechthebbenden aangeboden vergoeding bedoeld is om de grondeigenaren te stimuleren om tot overeenstemming te komen over het gebruik van de percelen en niet bedoeld is als schadevergoeding.

4.7.

[eiser] heeft het door TenneT gedane aanbod van de hand gewezen omdat hij uit principe in ieder geval een periodieke retributie wenst te ontvangen. Deze opstelling van [eiser] rechtvaardigt echter niet de conclusie dat TenneT geen serieuze en redelijke poging heeft gedaan om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen. Voor zover [eiser] stelt dat van onderhandelingen nog geen sprake is geweest, acht de rechtbank ook die stelling onjuist. TenneT heeft een aanbod gedaan en [eiser] heeft dat aanbod van de hand gewezen en is niet bereid daarvan terug te komen. Verdere onderhandelingen zijn op voorhand dan ook tot mislukken gedoemd. [eiser] heeft, nu hij deze voorwaarde aan de onderhandelingen blijft stellen, geen belang bij toewijzing van de onder 1. en 3. geformuleerde onderdelen van zijn vordering. Deze onderdelen zullen daarom worden afgewezen.

4.8.

Ter zitting hebben partijen gedebatteerd over de situatie met betrekking tot de vestiging van een opstalrecht tussen de Staat en TenneT ten behoeve van een opstijgpunt, waarmee bedoeld wordt de locatie waar een ondergrondse kabel boven de grond komt en de daarvoor benodigde voorzieningen. [eiser] stelt dat voor die locatie de desbetreffende grond niet is onteigend, maar een opstalrecht is gevestigd, waarbij een periodieke retributie is overeengekomen. TenneT heeft dat bevestigd, maar heeft erop gewezen dat de voor het opstijgpunt benodigde grond geheel aan het gebruik door de Staat wordt onttrokken. Die situatie is volgens TenneT vergelijkbaar met onteigening en is dus anders dan de onderhavige zaak, waarin de grond na aanleg van de leiding weer door de eigenaar respectievelijk de pachter kan worden gebruikt. Een gedoogbeschikking was toen niet nodig, omdat in het bedoelde geval een minnelijke regeling is getroffen met de Staat, aldus TenneT.

4.9.

TenneT heeft ter zitting desgevraagd niet kunnen toelichten waarom in dat geval niet gekozen is voor onteigening. De rechtbank is echter met TenneT van oordeel dat de bedoelde situatie niet vergelijkbaar is met de zaak van [eiser] , zodat daarin geen steun voor diens standpunt kan worden gevonden. Niet gesteld of gebleken is immers dat [eiser] na de ondergrondse aanleg van de hoogspanningsverbinding zijn grond in het geheel niet meer zal kunnen gebruiken zoals voorheen.

4.10.

[eiser] heeft ter ondersteuning van zijn standpunt verder aandacht gevraagd voor een zijns inziens vergelijkbaar geval, waarin ten behoeve van een chemisch bedrijf een afvalwaterleiding door een perceel werd aangelegd en waarin dat bedrijf en de eigenaar een periodieke retributie als door [eiser] gewenst zijn overeengekomen.

4.11.

TenneT heeft dat niet betwist, maar aangevoerd dat in dat geval geen sprake was van een openbaar werk van algemeen nut. Het stond partijen in die zaak vrij om een periodieke retributie overeen te komen, omdat in dat geval geen rekening behoefde te worden gehouden van het openbare belang, dat vereist dat de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk worden gehouden, aldus TenneT.

4.12.

Ook dit verweer wordt terecht voorgesteld. [eiser] heeft niet bestreden dat het hier geen openbaar werk van algemeen nut betrof. Van een vergelijkbaar geval is geen sprake.

4.13.

Voor zover [eiser] van mening is dat de modelovereenkomst van de Federatie Particulier Grondbezit zijn standpunt ondersteunt, heeft hij geen voorbeelden gegeven van overeenkomsten die op basis van de door hem aangehaalde bepaling (zie hiervoor onder 2.9.) zijn gesloten ter zake van openbare werken van algemeen nut, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.

4.14.

Wat het tweede onderdeel van de vordering betreft concludeert de rechtbank dan ook dat het hiervoor omschreven en gekwalificeerde aanbod van TenneT voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt. De omstandigheid dat het aanbod niet voorziet in de door [eiser] verlangde periodieke retributie, maakt het niet onrechtmatig. Een verplichting tot het doen van een verdergaand aanbod dan de reeds genoemde eenmalige vergoedingen en volledige schadeloosstelling ook in de toekomst, vindt geen steun in het recht en ook niet in de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betamelijk is.

4.15.

Al het voorgaande kan tot geen ander oordeel leiden dan dat ook de vordering van [eiser] zoals geformuleerd onder 2 zal worden afgewezen.

4.16.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De aan de zijde van TenneT gevallen kosten worden begroot op € 613,- voor griffierecht en twee punten à € 452,- volgens het liquidatietarief voor salaris van haar advocaat, in totaal € 1.517,-.

5 Beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak begroot op € 1.517,-;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R.J.J. van Acht, S.J. Peerdeman en R. Raat en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2015.