Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:756

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-02-2015
Datum publicatie
09-02-2015
Zaaknummer
05/862092-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:9007, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:11127, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak; terroristisch oogmerk; samenspanning; geldigheid dagvaarding. Geen nietige dagvaarding voor voorbereiding doodslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/862092-13

Data zittingen : 4 februari 2014, 14 januari 2015, 15 januari 2015 en 26 januari 2015

Datum uitspraak : 9 februari 2015

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [A]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Marokko)

adres : [adres 1]

plaats : [woonplaats]

raadsman : mr. S. Weening, advocaat te Maastricht.

1 De inhoud van de tenlastelegging

De rechtbank zal de drie, cumulatief dan wel alternatief tenlastegelegde varianten aanduiden als A (voorbereiding van commune delicten), B (voorbereiding van terroristische delicten) en C (samenspanning tot terroristische delicten).

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

A

hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van de maand

januari 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Arnhem en/of (elders) in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk, ter voorbereiding van (een) misdrijf/misdrijven waarop

naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is

gesteld, te weten moord en/of gekwalificeerde doodslag en/of zware

mishandeling met voorbedachten rade en/of brandstichting, teweegbrenging van

een ontploffing en/of veroorzaking van een overstroming (waarbij gemeen gevaar

voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor

een ander te duchten is en/of met iemands dood ten gevolge),

voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, bestemd

tot het begaan van die/dat misdrijf/misdrijven, heeft verworven en/of

vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of

voorhanden heeft gehad,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

a - (vernieuwde) reisdocumenten aangevraagd, en/of

b - zich over laten schrijven van hun/zijn woonadres naar het adres

[adres 2] te Arnhem en/of

c - contact gezocht met een of meer personen in Syrië en/of op deze wijze

inlichtingen en/of informatie ingewonnen/verkregen over (nog) aan te

schaffen goederen en/of de gang van zaken/werkwijze in Syrië, en/of

informatie/instructies gekregen over de te volgen route naar/in Syrië en/of

de (te benaderen) contactpersonen in Syrië, en/of

d - een of twee auto's gehuurd om daarmee te reizen naar Italië, Turkije en/of

Syrië en/of om deze -na aankomst in (het grensgebied van) Turkije/Syrië aldaar

te gebruiken en/of te verkopen en/of in te ruilen voor (een) andere

(terrein-)auto('s), en/of

e - een of meer (grote) geldbedragen (in totaal -ongeveer- 15.460 euro)

voorhanden gehad, en/of

f - koffers/tassen, (onder meer) inhoudende combatkleding en/of

survival-kleding en/of survival-benodigdheden en/of gewaden/djellaba's en/of

sluiers/niqaabs en/of jurken/kandora's en/of (bivak-)mutsen en/of

combatbrillen en/of(berg-) schoenen en/of isokleding en/of een aantal

I-phones en/of simkaarten en/of woordenboeken Arabisch-Nederlands (vice

versa) en/of casio-horloges voorhanden gehad, en/of

g - een of meer video's voorhanden gehad, inhoudende onder meer beelden van

gewapende/schietende personen (in een loopgraaf) en/of uitleg over een

kalasjnikov en/of vechten, en/of

h - mailverkeer gevoerd met daarin onder meer opgenomen links naar filmpjes

over onthoofdingen van (onder meer) kinderen, en/of

i - een of meerdere documenten en/ of gegevens/informatiedragers voorhanden

gehad met daarop informatie betreffende het jihadistisch gedachtegoed en/of

martelaarschap en/of (een) gegevens/informatiedrager(s) voorhanden gehad

met (een) excelbestand(en) over goederen (onder meer verrekijker en truien) ,

aantallen en prijzen en waar deze goederen te koop zijn, en/of

j - een aantal telefoonabonnementen en/of kredieten afgesloten en/of

k - een of meer ontmoetingen met elkaar en/of anderen gehad om voornoemde reis

naar Syrië te bespreken;

en/of

B

hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van de maand

januari 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Arnhem en/of (elders) in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om moord en/of doodslag en/of zware mishandeling met

voorbedachten rade en/of brandstichting, teweegbrenging van een ontploffing

en/of veroorzaking van een overstroming (waarbij gemeen gevaar voor goederen,

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te

duchten is en/of met iemands dood ten gevolge), zulks (telkens) te begaan met

een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen

  • -

    een ander heeft getracht te bewegen om het/de misdrijf/misdrijven te
    plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of
    om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

  • -

    gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het/de
    misdrijf/misdrijven aan zich of (een) ander (en) , in het bijzonder ook aan [X]
    , heeft getracht te verschaffen,

  • -

    (een) voorwerp (en) voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat het/zij
    bestemd was/waren tot het plegen van het/de misdrijf/misdrijven,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

a - (vernieuwde) reisdocumenten aangevraagd, en/of

b - zich over laten schrijven van hun/zijn woonadres naar het adres

[adres 2] te Arnhem en/of

c - contact gezocht met een of meer personen in Syrië en/of op deze wijze

inlichtingen en/of informatie ingewonnen/verkregen over (nog) aan te

schaffen goederen en/of de gang van zaken/werkwijze in Syrië, en/of

informatie/instructies gekregen over de te volgen route naar/in Syrië en/of

de (te benaderen) contactpersonen in Syrië, en/of

d - een of twee auto's gehuurd om daarmee te reizen naar Italië, Turkije en/of

Syrië en/of om deze -na aankomst in (het grensgebied van) Turkije/Syrië aldaar

te gebruiken en/of te verkopen en/of in te ruilen voor (een) andere

(terrein-)auto('s), en/of

e - een of meer (grote) geldbedragen (in totaal -ongeveer- 15.460 euro)

voorhanden gehad, en/of

f - koffers/tassen, (onder meer) inhoudende combatkleding en/of

survival-kleding en/of survival-benodigdheden en/of gewaden/djellaba's en/of

sluiers/niqaabs en/of jurken kandora's en/of (bivak-)mutsen en/of

combatbrillen en/of(berg-)schoenen en/of isokleding en/of een aantal

I-phones en/of simkaarten en/of woordenboeken Arabisch-Nederlands (vice

versa) en/of casio-horloges voorhanden gehad, en/of

g - een of meer video's voorhanden gehad, inhoudende onder meer beelden van

gewapende/schietende personen (in een loopgraaf) en/of uitleg over een

kalasjnikov en/of vechten, en/of

h - mailverkeer gevoerd met daarin onder meer opgenomen links naar filmpjes

over onthoofdingen van (onder meer) kinderen, en/of

i - een of meerdere documenten en/ of gegevens/informatiedragers voorhanden

gehad met daarop informatie betreffende het jihadistisch gedachtegoed en/of

martelaarschap en/of (een) gegevens/informatiedrager(s) voorhanden gehad

met (een) excelbestand(en) over goederen (onder meer verrekijker en truien) ,

aantallen en prijzen en waar deze goederen te koop zijn, en/of

j - een aantal telefoonabonnementen en/of kredieten afgesloten en/of

k - een of meer ontmoetingen met elkaar en/of anderen gehad om voornoemde reis

naar Syrië te bespreken;

en/of

C

hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van de maand

januari 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Arnhem, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

heeft samengespannen tot het plegen van moord en/of doodslag (een misdrijf

omschreven in artikel 289 en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht), terwijl

dit misdrijf zou zijn gepleegd met een terroristisch oogmerk,

immers hebben verdachte en/of zijn mededaders (zijnde [B] en [A]

vice versa en/of met [X]) met elkaar

a - (vernieuwde) reisdocumenten aangevraagd, en/of

b - zich over laten schrijven van hun/zijn woonadres naar het adres

[adres 2] te Arnhem en/of

c - contact gezocht/gehad met een of meer personen in Syrië, in het bijzonder

met [X], waarbij gecommuniceerd is over de reis van

verdachte naar Syrie en het voornemen daar aan de strijd deel te nemen

en/of op deze wijze inlichtingen en/of informatie ingewonnen/verkregen over

(nog)aan te schaffen goederen en/of de gang van zaken/werkwijze in Syrië,

en/of informatie/instructies gekregen over de te volgen route naar/in Syrië

en/of de (te benaderen) contactpersonen in Syrië, en/of

d - een of twee auto's gehuurd om daarmee te reizen naar Italië, Turkije en/of

Syrië en/of -na aankomst in (het grensgebied van) Turkije/Syrië- deze

aldaar te gebruiken en/of te verkopen en/of in te ruilen voor (een) andere

(terrein-)auto('s), en/of

e - een of meer (grote) geldbedragen (in totaal -ongeveer- 15.460 euro)

voorhanden gehad, en/of

f - koffers/tassen, (onder meer) inhoudende combatkleding en/of

survival-kleding en/of survival-benodigdheden en/of gewaden/djellaba's en/of

sluiers/niqaabs en/of jurken/kandora's en/of (bivak-)mutsen en/of

combatbrillen en/of(berg-)schoenen en/of isokleding en/of een aantal

I-phones en/of simkaarten en/of woordenboeken Arabisch-Nederlands (vice

versa) en/of casio-horloges voorhanden gehad, en/of

g - een of meer video's voorhanden gehad, inhoudende onder meer beelden van

gewapende/schietende personen (in een loopgraaf) en/of uitleg over een

kalasjnikov en/of vechten, en/of

h - mailverkeer gevoerd met daarin onder meer opgenomen links naar filmpjes

over onthoofdingen van (onder meer) kinderen, en/of

i - een of meerdere documenten en/ of gegevens/informatiedragers voorhanden

gehad met daarop informatie betreffende het jihadistisch gedachtegoed en/of

martelaarschap en/of (een) gegevens/informatiedrager(s) voorhanden gehad

met (een) excelbestand(en) over goederen (onder meer verrekijker en truien) ,

aantallen en prijzen en waar deze goederen te koop zijn, en/of

j - een aantal telefoonabonnementen en/of kredieten afgesloten en/of

k - een of meer ontmoetingen en/of (al dan niet op afstand) communicatie heeft

gehad met elkaar en/of anderen (in het bijzonder [X]) om een reis

naar Syrië te bespreken en af te spreken daar naar toe te gaan en daar te

gaan strijden;

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 14, 15 en 26 januari 2015 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. S. Weening, advocaat te Maastricht.

De officier van justitie, mr. A. van Veen, heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder A, B en C tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2A. Geldigheid van de dagvaarding

Namens de verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder A en B ten laste gelegde op onderdelen partieel nietig is. Hiertoe is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.

Voorbereiding doodslag

Het plegen van voorbereidingsbandelingen is onverenigbaar met doodslag, nu bij voorbereidingshandelingen er altijd sprake zal zijn van voorbedachte rade. De dagvaarding is daarom voor dit onderdeel nietig wegens innerlijke tegenstrijdigheid.

Voorhanden hebben van gegevens/informatiedragers.

Niet is nader aangegeven om welke specifieke gegevens/informatiedragers het gaat. De enkele aanduiding van ‘gegevens/informatiedragers’ is onvoldoende feitelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Voorbereiding doodslag

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het treffen van voorbereidingshandelingen voor doodslag lastig voorstelbaar is. Het treffen van voorbereidingshandelingen om iemand van het leven te beroven zou immers per definitie duiden op het hebben van 'voorbedachten rade'. Naar het oordeel van de rechtbank is echter wel voorstelbaar dat iemand voorbereidingen treft voor het plegen van strafbare feiten in een oorlogssituatie en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt in een situatie terecht te komen waarin hij een ander wel opzettelijk, maar niet met voorbedachte raad van het leven berooft. De rechtbank verwerpt daarmee het verweer van de verdediging.

Voorhanden hebben van gegevens/informatiedragers.

De rechtbank overweegt dat weliswaar niet staat beschreven om welke (types) gegevens/informatiedragers het precies gaat, maar dat de beschrijving van de informatie die daarop stond wel heel specifiek is. De rechtbank is van oordeel dat gezien de inhoud van het complete dossier en het geheel van de tenlastegelegde strafbare feiten in onderlinge samenhang bezien, de verdachte in staat moet worden geacht de tekst van de tenlastelegging te kunnen begrijpen en zich daartegen te verdedigen. Daarnaast heeft verdachte tijdens zijn verhoren en tijdens het onderzoek ter terechtzitting blijk gegeven van zijn begrip van de term gegevens/informatiedragers. De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat dit onderdeel van de tenlastelegging aan de vereisten van artikel 261 van het wetboek van Strafvordering voldoet en verwerpt daarom het nietigheidsverweer van de verdediging.

3 De beslissing inzake het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

  • -

    voorbereiding van moord, gekwalificeerde doodslag, zware mishandeling met voorbedachten rade, brandstichting, het teweeg brengen van een ontploffing en het veroorzaken van een overstroming;

  • -

    met het oogmerk om moord, gekwalificeerde doodslag, zware mishandeling met voorbedachten rade, brandstichting, het teweeg brengen van een ontploffing en het veroorzaken van een overstroming met een terroristisch oogmerk voor te bereiden of te bevorderen aan zichzelf of een ander gelegenheid, middelen verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

  • -

    samenspanning tot moord, gekwalificeerde doodslag, zware mishandeling met voorbedachten rade, brandstichting, het teweeg brengen van een ontploffing en het veroorzaken van een overstroming met een terroristisch oogmerk.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is integrale vrijspraak bepleit.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.

De situatie in Syrië

Het is een feit van algemene bekendheid, maar het komt ook naar voren in het rapport van prof dr. De Graaff dat deel uitmaakt van het procesdossier, dat in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet kwam tegen het dictatoriale regime van president Bashar al-Assad. Het alawitische regime probeerde de roep om hervormingen met geweld de kop in te drukken, maar in reactie op de gewelddadigheden van het regime tegen de overwegend soennitische bevolking, begon de oppositie zich aan het eind van het jaar 2011 meer en meer gewapenderhand te verzetten. Wat begon als een vreedzaam protest ontwikkelde zich tot een burgeroorlog.

Naarmate de burgeroorlog vorderde werd deze steeds meer ‘gejihadiseerd’. Jihadistische groepen mengden zich steeds meer en nadrukkelijker als oppositie in de strijd. Dat geldt zeker voor de periode na medio 2013. Hun doel was niet alleen het ten val brengen van het regime van Bashar al-Assad maar ook – of vooral – de vestiging van een streng islamitische staat in het Midden-Oosten, kortom een kalifaat.

Dat deze strijdgroepen zich daarbij op grote schaal schuldig maakten en maken aan grove mensenrechtenschendingen is eveneens een feit van algemene bekendheid. De in hun ogen ongelovigen (kuffar) zijn aldaar het slachtoffer van extreem geweld geworden. Die strijd is dus per definitie terroristisch, immers gericht op het aanjagen van vrees aan de bevolking of grote groepen daaruit.

Aanvankelijk kwamen veel van deze jihadistische opstandelingen uit Syrië zelf, maar al gauw werd het land een bestemming voor ook niet-Syrische jihadisten. Buitenlandse strijders, eerst voornamelijk afkomstig uit het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Azië, later ook uit Europa, zijn naar Syrië gereisd om zich te mengen in de strijd. Syrië is als jihadbestemming voor personen afkomstig uit Europa relatief eenvoudig via Turkije te bereiken. Dat was ook de route die [A] en [B] kozen. De jihadistische beweging vormt de motor achter de huidige wereldwijde terroristische golf die wordt uitgevoerd onder het mom van een religieuze gewapende strijd, de (offensieve) jihad.1

3.2.

De feiten in de onderhavige zaak

[A] en [B] hadden inderdaad in Duitsland twee auto's gehuurd om daarmee te reizen naar Turkije/Syrië en [A] had de bedoeling om de auto aldaar te verkopen . Verder hadden ze samen grote geldbedragen (in totaal 15.460 euro) en tassen met daarin (onder meer) combatkleding, survival-kleding, (bivak-)mutsen, combatbrillen, isokleding en I-phones bij zich. Deze goederen tezamen genomen kunnen er, in combinatie met de bij [A] aangetroffen filmpjes en beelden en het berichtenverkeer, op wijzen dat [A] zich voorbereidde op het plegen van enig strafbaar feit.

Beide navigatiesystemen van de gehuurde personenauto's waren ingesteld op de plaats Ancona (Italië). De havenplaats Ancona kan worden gebruikt als vertrekplaats voor veerdiensten naar Griekenland. Vanuit Griekenland zou verder gereisd kunnen worden naar Turkije. Vanuit Turkije is het mogelijk om de grens met Syrië over te steken.

Voorafgaand aan hun vertrek hebben [A] en [B] beiden nieuwe reisdocumenten aangevraagd en zich over laten schrijven van hun woonadres naar het adres [adres 2] te Arnhem. Verder hebben ze meerdere telefoonabonnementen afgesloten en kredieten afgesloten en creditcards genomen.

[A] heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij richting Syrië ging omdat hij graag met zijn gezin in een Islamitisch land wilde leven, onder Islamitische wetgeving en waar hij, anders dan in Nederland, onbelemmerd zijn geloof kan belijden.

3.3.

Het juridisch beoordelingskader in deze zaak

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen leidt de rechtbank met zekerheid af dat [A], toen hij samen met [B] in Kleve in Duitsland werd aangehouden op weg was naar Syrië.

[A] zou zich naar het oordeel van de rechtbank naar alle waarschijnlijkheid bij zijn broer [X] (hierna: [X]) hebben gevoegd. Die broer verblijft al langere tijd in Syrië en, zoals aanstonds wordt duidelijk gemaakt, kan uit het dossier worden afgeleid dat [X] aldaar deelneemt aan de gewapende strijd. [X] had een overheersende invloed op [A]. Naar het zich laat aanzien verkeerde [A] ook al hier in Nederland onder die invloed in die zin dat het geloof en het uiting geven daaraan voor hem steeds belangrijker werden.

Dat beeld komt met voldoende duidelijkheid voort uit de onderschepte (sms- en Whatsapp) berichten en de telefoontaps. De rechtbank acht in dit verband de volgende bij telefoons en computers van [A] en [V] (de vrouw van zijn broer [Y]) aangetroffen berichten van belang2:

- (Inkomend) op 4 juni 2013 [X]: “Ik hoorde dat de broeders moesten vertrekken uit onze verblijfplaats in allepo. Omdat die verblijfplaats 3 keer bijna is geraakt door raketten.. De laatste paar dagen is die plek daar een beetje onder vuur komen te liggen door de vijand subhan Allah.”

- Whats App op 24 april 2013 met [X] waarin laatstgenoemde zegt:

"alleen jabhat kan niet met hun samen vechten omdat zij vaak vluchten tijdens een slagveld of oorlogsbuit stelen en van mensen stelen" … "Dus jabhat vecht onafhankelijk tegen de regering en jabhat heeft ook de meeste grond veroverd tot nu toe" … "Als assad valt, dan incha Allah gaat er een volgende stap worden gezet en dat zal denk ik tegen de seculieren zijn."

De rechtbank leidt hieruit af dat [X] deelneemt aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van de Jihadistische groepering Jabhat al Nusra (JAN), die in internationaal verband als terroristische organisatie is aangemerkt. Verder blijkt hieruit dat hij niet alleen de strijd aangaat tegen Assad, maar dat hij ook bereid is de strijd aan te gaan tegen de ongelovigen (de seculieren).

- (Inkomend) 23-05-2013 van [X]: “Broer hoe lang denk je dat t gaat duren. Tot je incha Allah komt?”

- (Uitgaand) 23-05-2013 naar [X]: “ik weet het echt niet Abu Muhammed3 ik wil alles goed uitzoeken en niet blind daarheen gaan. ik weet dat ik daarheen kan komen met auto, geld en zo maar mijn last is op dit moment mama. wij moeten ons hier eerst versterken aangezien mama het ooit niet zal vergeven als wij zouden gaan. ik weet dat het fard ayn is en dat ik zonder haar toestemming mag gaan.”

De rechtbank leidt uit dit gesprek af dat [A] graag naar zijn broer in Syrië wil, maar dat iets hem vooralsnog weerhoudt te gaan.

- (Inkomend) 28-05-2013 [Y]:4“… Ik weet niet waar jullie mee bezig zijn maar ik en geloof iedereen die deze ideeën zal horen zal het gestoord vinden!”

- (Uitgaand) 28-05-2013 [Y]: “Subhan'Allah dat jij deze woorden gebruikt. Jij en iedereen die dit gestoord zal vinden jullie zielen zullen op de dag des oordeels niks voor ons betekenen en wij niks voor jullie. Je moet begrijpen dat ons dit is gegeven met de gunst van Allah.”

- (Uitgaand) 28-05-2013 [Y]: “in de hoop dat er ooit een islamitische staat zal ontstaan. een beter wereldse hoop kan je toch niet hebben. ook al is dat dag van vandaag bijna niet te realiseren. Moet dat ons niet tegen houden om op de weg van Allah te strijden.”

- (Uitgaand) 23-05-2013 [X]: “Met jou gaat het heel goed daar. dat geloof ik zeker wel. Hier gaat het ze gangetje. Incha'Allah zullen we elkaar snel omhelzen en op de mooiste pad lopen, ook al ben ik nog zo onwetend, maar wel standvastig dat ik dit ook wil. Incha'Allah zal Allah ons leiden. Pas goed op jezelf.”

De rechtbank leest in deze gesprekken dat [A], vanuit zijn geloofsovertuiging, vurig wenst dat er een Islamitische staat zal ontstaan.

Het dossier bevat verder nog een afscheidsbrief van [W], de vriendin van [A], gericht aan [A]. In het dossier bevindt zich ook een gesprek tussen [W] en [A], inhoudende:

- (Inkomend) 04-06-2013 [W]: “Ik vind heel spannend als je weggaat, het wordt elke dag steeds meer. Ik hoop dat we ooit weer samen kunnen zijn.

En als je echt wilt trouwen met mij, wanneer?”

- (Uitgaand) 04-06-2013 [W]: “Ik hoop dat je me niks kwalijk zal nemen. als ik iedereen achter laat om vrijwillig op de weg van Allah te lopen. Ik hoop dat Allah je geduld zal geven om alleen te zijn. je zult altijd bij mijn familie kunnen aankloppen, voor alles en nog wat. Bang hoef je niet te zijn voor geen enkele mens. Moge Allah ons vergeven voor onze zondes die wij ooit hebben gepleegd. Moge hij ons belonen voor het aanbidden en alle geduld en alle goede intenties die wij hebben voor hem.”

De rechtbank leidt uit de afscheidsbrief en dit gesprek af dat [A] niet voornemens was om (op korte termijn) terug te keren en uitdrukkelijk rekening hield met de mogelijkheid daar te sterven. De verklaring van [A] ter terechtzitting dat hij in Syrië op zoek ging naar een veilige plek om zich te vestigen en later zijn vrouw en kind ook naar die plek te laten overkomen lijkt op grond van die berichten evenmin voor de hand liggend.

Een deel van de hierboven weergegeven berichten is voor meerdere uitleg vatbaar. De rechtbank trekt hieruit de conclusies zoals hierboven beschreven, maar dat betekent nog niet dat kan worden geconcludeerd dat [A] voornemens was zich actief te gaan aansluiten bij de gewapende (terroristische) strijd.

Hier staat ter beoordeling of verdachte in Nederland voorbereidingshandelingen heeft gepleegd en naar Syrië op weg was om daar commune delicten hetzij dergelijke delicten met een terroristisch oogmerk te (doen) plegen.

Tenslotte moet de rechtbank beoordelen of verdachte heeft samen gespannen om terroristische misdrijven te plegen (of door een ander te laten plegen, hetgeen volgens vaste rechtspraak kan vallen onder het begrip samenspanning).

3.4.

De terroristische misdrijven

Gegeven het feit dat [A] voornemens was naar Syrië te reizen – en in het kielzog daarvan [B] van plan was in Turkije zijn broer te bezoeken die in Syrië verblijft – levert dat de volgende vragen op.

3.4.1.

Levert strijden tegen het regime van Assad een terroristisch misdrijf op?

In de tekst zowel van zowel de wet als het kaderbesluit van de Europese Unie5, waaraan de wet terroristische misdrijven6 uitvoering heeft gegeven, is steeds uitdrukkelijk sprake van een land en een overheid (of een internationale organisatie).

Artikel 83a Sr – dat bepaalt wat onder terroristisch oogmerk wordt verstaan – heeft een brede reikwijdte. Het gaat om misdrijven met een terroristisch oogmerk in welk land ook begaan mits de overheid of fundamentele structuren worden aangetast, de bevolking vrees aangejaagd etc.. De Memorie van Toelichting vermeldt: “Het oogmerk ziet onder meer op het dwingen van “een overheid”: dat kan ook een buitenlandse of lagere overheid zijn.”7. In de parlementaire behandeling zijn enkele passages aan te wijzen die betrekking hebben op terroristische misdrijven begaan tegen een regime dat een bedreiging vormt voor de internationale vrede en veiligheid en/of zich schuldig maakt aan systematische en ernstige schending van fundamentele mensenrechten. De leden van de CDA-fractie in de Eerste Kamer stelden de vraag of gewapende acties tegen een dergelijk bewind (het voorbeeld van Saddam Hoessein werd gebruikt) en de ondersteuning daarvan onder de werking vallen van de artikelen 83a juncto 83 Sr van het wetsvoorstel. De regering antwoordde hierop dat deze artikelen in dergelijke gevallen materieel van toepassing zijn.8 Tijdens de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer heeft de minister opgemerkt: “Terrorisme is niet gekleurd, afhankelijk van de vraag of een goed dan wel slecht doel wordt nagestreefd. Terrorisme is verwerpelijk vanwege de gehanteerde methode en het oogmerk.”9 Op vragen van leden van de Eerste Kamer m.b.t. gewelddadige acties die ten doel hebben om het repressieve apparaat van een abject regime aan te tasten, heeft de minister opgemerkt: “wel is het in beginsel mogelijk dat in bijzondere situaties een strafuitsluitingsgrond kan worden aangenomen; ook is voorstelbaar dat strafvervolging niet in alle gevallen opportuun zal worden geacht”.10

Ook in internationale context wordt aangenomen dat de achtergrond van de strijdende partijen, hun doelstelling of hun ideologie niet van belang zijn. Van de terrorismebepalingen zijn uitgezonderd de handelingen van strijdkrachten tijdens een bewapend conflict zoals gedefinieerd in het humanitair oorlogsrecht.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in dit verband overwogen11:

“Anders dan verzoekster betoogt, houdt de toepasselijkheid van het internationale humanitair recht op een situatie van gewapend conflict en op de handelingen die in dat kader zijn verricht, niet de niet-toepasselijkheid van de regelgeving over het terrorisme op die feiten in. Dit geldt zowel voor de bepalingen van het Unierecht die in de onderhavige zaak zijn toegepast, met name gemeenschappelijk standpunt 2001/931 en verordening nr. 2580/2001, als voor de bepalingen van internationaal recht die door verzoekster zijn ingeroepen.

Wat in de eerste plaats het Unierecht aangaat, moet inderdaad worden opgemerkt dat het bestaan van een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht niet de toepassing van de bepalingen van het Unierecht inzake het terrorisme op eventuele in dat kader gepleegde terroristische daden uitsluit.

Verzoekster betoogt dus ten onrechte dat de begrippen gewapend conflict en terrorisme in het internationale recht met elkaar onverenigbaar zijn.

Wat de eventuele omstandigheid betreft dat de terroristische daden afkomstig zijn van „vrijheidsstrijders” of vrijheidsbewegingen die zich in een gewapend conflict met een „onderdrukkende regering” bevinden, volgt eveneens uit de bovenstaande overwegingen dat deze irrelevant is. Een dergelijke uitzondering op het verbod van terroristische daden in situaties van gewapend conflict heeft geen enkele grondslag in het Unierecht en zelfs niet in het internationale recht. Daarin wordt geen enkel onderscheid naargelang de hoedanigheid van de pleger of de doelstellingen die hij nastreeft gemaakt bij hun veroordeling van terroristische daden.”

De conclusie moet dus, met de Haagse rechtbank12, zijn dat de wetgever heeft beoogd deze artikelen ook betrekking te laten hebben op geweldshandelingen begaan tegen regimes die wij verwerpen en waartegen ook internationaal strijd wordt geleverd.

De slotsom van de rechtbank moet dan ook zijn dat uitreizen naar Syrië teneinde daar deel te nemen aan de strijd, of die nu is gericht tegen het regime van Assad, dan wel voor de inrichting van een Islamitische staat, naar het nationale en internationale recht in beginsel moet worden beoordeeld als terroristisch van aard. Daarbij moet dan vanzelfsprekend ook bewezen worden dat het oogmerk van verdachte daarop was gericht.

3.4.2.

De vertaling naar de Nederlandse wet van de internationale opdracht

Nederland heeft in het Wetboek van Strafrecht de internationale opdracht die voortvloeit uit onder meer het genoemde Kaderbesluit ruime invulling gegeven. De wetgever heeft nadrukkelijk het bestrijden van terreur in al haar vormen voorrang willen geven. Daar heeft de rechter zich natuurlijk naar te richten. De rechter beoordeelt niet de innerlijke waarde van de wet, maar past de wet toe.

Daarbij heeft de wetgever, uitdrukkelijk en meermalen13, onder ogen gezien dat het koesteren van bepaalde gedachten of een ideologie op zich niet strafbaar moest worden. Dit vormt een belangrijk aspect bij de beoordeling van deze zaak.

Als gezegd, onder de in Nederland geïmplementeerde anti-terreur wetgeving moet, mede door objectieve bewijsmiddelen ondersteund, worden bewezen dat verdachte ook een terroristisch oogmerk had.

De rechter moet dus enerzijds beschikken over objectieve aanwijzingen dat het terroristisch oogmerk bij deze verdachte aanwezig was, maar mag anderzijds bij het duiden van die objectieve omstandigheden rekening houden met zijn denken, bedoelingen en ideologie.

Tegen de eerder geschetste achtergrond van niet louter strafbaar stellen van denken en ideologie, zal de rechter dat met de nodige terughoudendheid moeten doen.

3.5.

Toepassing op de onderhavige zaak

A. Voorbereiding van commune delicten

Beoordeeld moet worden of verdachte opzettelijk de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen voorhanden heeft gehad die bestemd waren om te worden gebruikt voor het plegen van moord, zware mishandeling met voorbedachten rade, brandstichting, het teweeg brengen van een ontploffing dan wel het veroorzaken van een overstroming. Daarnaast moet komen vast te staan dat deze voorwerpen daadwerkelijk strekten ter voorbereiding van deze misdrijven, welke maatstaf onder meer kan worden afgeleid uit HR 17 februari 200414. Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot schrapping van het bestanddeel “kennelijk” uit artikel 46 Sr, heeft de minister - in het verdere verloop van de parlementaire behandeling niet bestreden – naar aanleiding van een wetenschappelijke publicatie opgemerkt: “… verduidelijkt het schrappen van het woord “kennelijk” dat de nadruk ligt op het opzet van de verdachte om met het voorwerp een strafbaar feit voor te bereiden. … Om een strafbare voorbereiding aan te nemen, zal vervolgens nog moeten worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk met het voorwerp een misdrijf heeft voorbereid.”15 Voorts moeten de voorwerpen bestemd zijn tot het beoogde misdrijf en niet tot de voorbereiding van dat misdrijf.16 Tenslotte moet bewezen worden dat het opzet van verdachte ook daadwerkelijk was gericht op het begaan van die misdrijven.17

De officier van justitie heeft gesteld dat de intentie van verdachte tot strijden bewezen is en dat de auto’s, het geld en de goederen waren bestemd tot de strijd in Syrië.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de in de vorige zin omschreven feiten en omstandigheden op zichzelf onvoldoende voor het aannemen van opzet op voorbereidingshandelingen voor het plegen van een specifiek te duiden misdrijf als moord, zware mishandeling met voorbedachten rade, brandstichting, het teweeg brengen van een ontploffing of het veroorzaken van een overstroming.

Immers, uit het dossier kan niet met voldoende bepaaldheid worden afgeleid of, en zo ja, welk misdrijf verdachte met het gebruik van deze voorwerpen voor ogen heeft gestaan.18 Dat die duidelijkheid wel wordt gegeven is een vereiste voor bewezen verklaring van voorbereidingshandelingen van commune delicten; het misdadig doel dient anders gezegd voldoende vast te staan.19 Evenmin is komen vast te staan dat deze voorwerpen daadwerkelijk hebben gediend ter voorbereiding daarvan.

Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat voor een bewezenverklaring van het onder A ten laste gelegde. Om die reden zal de rechtbank verdachte daarvan vrijspreken.

Voorbereiding of bevordering van terroristische misdrijven

De rechtbank dient te beoordelen of sprake is van een terroristisch oogmerk.

Artikel 83a Sr bepaalt dat onder terroristisch oogmerk wordt verstaan het oogmerk om:

1. de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel

2. een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel

3. de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.

Het terroristisch oogmerk, waarvan de formulering met die in artikel 1, eerste lid, van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding samenhangt, kan blijkens de wetgeschiedenis20 worden opgevat als een strafverzwarende omstandigheid bestaand in een bijkomend oogmerk. Deze typering maakt duidelijk dat - in het kader van de beantwoording van de vraag of een misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk - niet beslissend is welk gevolg door de gedraging wel of niet kan worden verwezenlijkt, maar welk gevolg de dader met zijn gedraging daadwerkelijk beoogde.

De omstandigheid dat het terroristisch oogmerk een subjectief bestanddeel is staat er - aldus de wetgever - evenwel niet aan in de weg dat het bewijs uit objectieve omstandigheden kan worden afgeleid. Voor het aannemen van het bestaan van een terroristisch oogmerk is voldoende dat één van de in artikel 83a Sr onderscheiden oogmerkvormen wordt bewezen. Een terroristisch oogmerk kan, als hiervoor vermeld, niet alleen uit de ideologie van een verdachte worden afgeleid.

Zoals eerder overwogen leidt de rechtbank met zekerheid af dat [A], toen hij samen met [B] in Kleve in Duitsland werd aangehouden op weg was naar Syrië. Ook is de rechtbank ervan overtuigd dat [A], vanuit zijn geloofsovertuiging, vurig wenst dat er een Islamitische staat zal ontstaan en vanuit die overtuiging de reis naar Syrië heeft ingezet.

Desondanks bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor de bestemming en het doel van de reis van [A] naar Syrië. Dat [A] daadwerkelijk het oogmerk had om zelf actief deel te nemen aan de gewapende (terroristische) strijd, wordt door geen enkel bewijsmiddel rechtstreeks ondersteund.

De hiervoor vermelde gesprekken met, onder meer, zijn broer [X] en met een andere broer, wijzen weliswaar op een voortschrijdend religieus bewustzijn bij [A] en een verlangen naar de vestiging van een op Islamitische leest geschoeide staat (“een betere wereldse hoop kun je toch niet hebben, ook al is dat dag van vandaag bijna niet te realiseren”), maar dat is op zichzelf niet strafbaar. Telkens wanneer in die gesprekken [X] vol vuur vertelt over zijn ervaringen in de strijd, het naderen van de vijand enz., gaat [A] daar niet inhoudelijk op in. Hij keurt het niet af, maar hij moedigt zijn broer ook niet aan. Althans, dat blijkt niet uit het dossier.

In het - uitstekende - deskundigenrapport van [deskundige] wordt opgemerkt dat ‘Syriëgangers’ of ‘foreign fighters’ die uit louter ideologische/godsdienstige motieven naar Syrië afreizen (bijvoorbeeld omdat in de Islamitische overlevering het grondgebied van Syrië een centrale rol speelt als het einde der tijden aanbreekt en het paradijs op aarde ontstaat) het ernstige risico lopen om, eenmaal aldaar aangekomen, verder te radicaliseren. Dan bestaat het risico dat hun aanvankelijke ‘defensieve jihad’ omslaat in een ‘offensieve jihad’ en dat zij alsnog, in tegenstelling tot hun aanvankelijke bedoelingen, gaan deelnemen aan de gewapende strijd. Daarvoor bestaan in de onderhavige zaak uiteraard geen aanwijzingen, nu verdachte reeds enkele kilometers over de grens is gestrand in zijn onderneming. Deze theoretische veronderstelling kan evenwel geen rol spelen bij de beoordeling van deze strafzaak. Dat zou er op neer komen dat de rechtbank een soort voorwaardelijk opzet op het verder radicaliseren in gewelddadige richting zou hanteren en dientengevolge een soort voorwaardelijk opzet op het ooit in de toekomst mogelijkerwijs plegen, voorbereiden of samenspannen van terroristische daden zou accepteren. Dat gaat echter het bereik van de strafwet verre te buiten.

Als de rechtbank al middels een bewijsredenering tot die conclusie zou willen komen, dan zou de rechtbank daarvoor uitsluitend moeten steunen op de ideologie van verdachte, in het licht van de eerdere overwegingen met betrekking tot de algemeen aanvaarde beletselen tot strafbaarheid van denken en overtuiging. Ook de wetgever heeft nimmer een ‘Gesinnungstrafrecht’ gewild en zal dat nooit willen.

Zoals reeds hiervoor onder A. overwogen zijn enkel de bij verdachten aangetroffen goederen, in combinatie met de reis richting Turkije/Syrië en de aangetroffen berichten en filmpjes op zichzelf onvoldoende voor het aannemen van opzet op voorbereidingshandelingen voor het plegen van een specifiek te duiden misdrijf als moord, zware mishandeling met voorbedachten rade, brandstichting, het teweeg brengen van een ontploffing of het veroorzaken van een overstroming. Onvoldoende is komen vast te staan of hem een misdrijf voor ogen stond en zo ja, welk misdrijf dan.

Dat [X], de broer van [A], in Syrië deelneemt aan de gewapende strijd en [A] hem wilde voorzien van de spullen waar hij om had verzocht (auto, geld, rugtas of koffers, hardloopschoenen) doet daar niet aan af. Het gaat om het oogmerk dat bij [A] zelf bestond, een eventueel oogmerk van zijn broer kan niet aan hem worden toegerekend. Het (voorbereiden van) deelnemen aan een organisatie die terroristische misdrijven pleegt, bijvoorbeeld door logistieke ondersteuning, zou onder omstandigheden ook strafbaar zijn, maar dan wel binnen het bereik van art. 140a Sr.

Om die reden zal de rechtbank hem vrijspreken van het onder B ten laste gelegde.

Samenspanning tot terroristische misdrijven

Ingevolge artikel 80 Sr bestaat samenspanning zodra twee of meer personen overeengekomen zijn om het misdrijf te plegen.

De parlementaire stukken van de Wet terroristische misdrijven waarbij samenspanning tot terroristische misdrijven strafbaar is gesteld houden onder meer in:

“Voor een heldere definitie van samenspanning kan verwezen worden naar artikel 80 Sr. In samenhang met de concrete strafbaarstellingen van samenspanning die in de tweede nota van wijziging bij dit wetsvoorstel zijn voorgesteld, leidt deze definitie ertoe dat strafbare samenspanning bestaat zodra twee of meer personen overeengekomen zijn om het betreffende ernstig terroristisch misdrijf te plegen. Dat impliceert dat strafbaarheid eerst kan intreden als wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het overeengekomen misdrijf, indien uitgevoerd, met een terroristisch oogmerk gepleegd wordt. Het bewijs van dat oogmerk kan expliciet besloten liggen in verklaringen van getuigen of deskundigen dan wel tapverslagen, maar kan onder omstandigheden ook min of meer uit de aard van het overeengekomen misdrijf voortvloeien.”21.

“Met de aan het woord zijnde leden kan worden vastgesteld dat het begrip overeenkomst als

omschreven in artikel 80 Sr nader kan worden verduidelijkt met de door hen genoemde begrippen, in die zin dat de overeenkomst tot stand gekomen en in die zin «definitief» moet zijn (onderhandelingen over een overeenkomst impliceren nog geen overeenkomst), dat zij «ernstig gemeend» moet zijn (niet gemeende voornemens volstaan niet) en, in samenhang daarmee, dat het voorgenomen misdrijf voldoende vorm moet hebben gekregen en in die zin «concreet» dient te zijn.”22

“Een dergelijke overeenkomst kan, en daarin zit een belangrijke beperking van de strafbaarheid, evenwel slechts tot strafbaarheid wegens samenspanning aanleiding geven als zij een concreet misdrijf betreft. De eisen, te stellen aan de concreetheid van het voorgenomen misdrijf, zijn daarbij vergelijkbaar met de eisen, te stellen aan de concreetheid van het misdrijf in de context van de strafbare voorbereidingshandelingen (artikel 46 Sr).”23

Aldus dient te worden beoordeeld of sprake is van een overeenkomst tot het plegen van een terroristisch misdrijf en of deze overeenkomst definitief, ernstig gemeend en concreet is en ziet op een concreet misdrijf. Voor een veroordeling dient aldus wettig en overtuigend bewezen te worden dat het overeengekomen misdrijf, indien uitgevoerd, met een terroristisch oogmerk gepleegd wordt.

Zoals reeds hiervoor onder B. overwogen acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat [A] en [B] een concreet misdrijf met terroristisch oogmerk voor ogen hadden. Reeds om die reden dienen zij te worden vrijgesproken van het onder C ten laste gelegde.

Daarbij acht de rechtbank evenmin wettig en overtuigend bewezen dat er sprake was van een overeenkomst tot het plegen van een misdrijf. Weliswaar heeft [A] meermalen telefonisch en middels (chat- of sms-)berichten contact gehad met zijn broer [X] over de reis naar Syrië en over welke goederen hij mee zou nemen, maar uit niets blijkt dat zij zijn overeengekomen om strafbare feiten te plegen.

3.6.

Eindconclusie

Het is de rechtbank volstrekt duidelijk geworden dat [A] een streng islamitische ideologie aanhangt, dat hij ervan op de hoogte was dat zijn broer deelneemt aan de strijd in Syrië en dat hij desondanks naar Syrië wilde afreizen en zijn broer spullen wilde brengen waar hij om had gevraagd. De rechtbank moet echter ook vaststellen dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om vast te stellen dat [A] zich op enigerlei wijze heeft verbonden aan het plegen of bevorderen van oorlogshandelingen in Syrië, die zouden kunnen worden gezien als terroristische misdrijven, laat staan dat er enige aanwijzing is dat hij na een eventuele terugkeer in Nederland, alhier terroristische misdrijven zou willen plegen (die stelling is overigens ook niet betrokken door de officier van justitie).

Voor wat betreft de voorbereiding van commune delicten geldt dat er onvoldoende bewijs is voor het opzet van [A] gericht op één van de specifiek genoemde delicten.

Ten aanzien van de voorbereiding of bevordering van terroristische misdrijven stuit bewezenverklaring af op het vereiste dat dit slechts strafbaar is indien verdachte een terroristisch oogmerk had. Dat oogmerk kan niet louter uit een ideologie van een verdachte worden afgeleid en overigens biedt het dossier onvoldoende bewijs.

Ten aanzien van de samenspanning tot terroristische misdrijven geldt hetzelfde voor wat betreft het terroristische oogmerk. Niet is bewezen dat [A] een terroristisch misdrijf voor ogen had. Weliswaar weerhoudt dit hem er niet van om zijn broer, die wel deelneemt aan de gewapende strijd in Syrië, te steunen, maar die steun zou op vele manieren gestalte kunnen krijgen, niet per se op een gewelddadige wijze die onder de onderhavige terrorismebepalingen hoeft te vallen. Dat is op zich niet voldoende om aan te nemen dat er sprake was van een overeenkomst om een terroristisch misdrijf te plegen.

Tot slot overweegt de rechtbank nog het volgende.

De onderhavige strafbepalingen zijn in de Nederlandse wetgeving opgenomen ter bestrijding van de steeds toenemende dreiging van terroristische aanslagen. De noodzaak daartoe is pijnlijk duidelijk geworden door de aanslagen op 11 september 2001 in de Verenigde Staten en talloze aanslagen daarna, Madrid, Londen en zeer recentelijk Parijs. De terrorismedreiging jaagt mensen angst aan en bedreigt sociale structuren binnen gemeenschappen. Terrorisme vandaag de dag is grenzeloos, in meerdere opzichten. Dat verklaart ook de noodzaak van een internationale aanpak ter bestrijding en voorkoming daarvan; de hedendaagse terrorismebepalingen hebben een internationale context. De vormgeving en invulling van de strafbepalingen die in deze zaak van belang zijn, lijken evenwel niet te zijn toegesneden op een situatie als de onderhavige, namelijk een dreigende uitreis naar Syrië, waar een hevige, bloedige en onoverzichtelijke strijd wordt gevoerd tussen talloze groeperingen, waarvan het merendeel kan worden gezien (en ook daadwerkelijk in internationaal verband is aangemerkt) als terroristische organisatie.

De onderhavige strafbepalingen, met name artikel 83a Sr betreffende het terroristisch oogmerk, zien formeel weliswaar op handelingen die in ieder land kunnen worden verricht of in ieder land (gewelddadig) effect kunnen sorteren, maar zijn praktisch moeilijk toepasbaar op handelingen die zich afspelen of zich in de toekomst zouden kunnen afspelen (in het geval voor voorbereiding of samenspanning) in een chaotisch oorlogsgebied als Syrië thans is. Al is het alleen maar omdat het nagenoeg onmogelijk is na te gaan wat zich daar afspeelt, laat staan om dat in strafrechtelijke zin te bewijzen.

In andere strafzaken die door rechtbanken en gerechtshoven de afgelopen tijd zijn berecht, betrof het verdachten die daadwerkelijk in Syrië zijn geweest en weer zijn terug gekomen, betrof het verdachten die luid en duidelijk hun welgemeende intentie om terreurdaden te plegen hadden kenbaar gemaakt, betrof het verdachten die beschikten over wapens en/of materiaal ten behoeve van het maken van explosieven, betrof het verdachten die daadwerkelijk en aantoonbaar (hier of elders) gewelddadige, terroristische handelingen hadden verricht.

Van dat alles is in deze zaak geen sprake. [A] is een overtuigde moslim die zegt graag in een islamitisch land met islamitische regels te leven. Hij heeft een broer die zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie. Hij wilde zijn broer zien en helpen door spullen en/of geld voor hem mee te nemen. Wellicht wilde hij zich destijds ook echt vestigen in Syrië, zoals hij ter zitting heeft aangegeven. Hij zegt daar nu, na de recente ontwikkelingen na 2013, afstand van te nemen. De rechtbank kan dat niet beoordelen. Echter, een orthodoxe geloofsovertuiging, een broer bij een terroristische organisatie met soortgelijke (en waarschijnlijk aanzienlijk verdergaande) geloofsovertuigingen en chatsessies c.q. sms- of whats app gesprekken met die broer over diens belevenissen aldaar, zijn ten enenmale onvoldoende om te kunnen aannemen dat hij voornemens was in Syrië terroristische acties te plegen dan wel deze voor te bereiden of daartoe samen te spannen, zolang daarvan geen overtuigend bewijs is. Dat bewijs kan niet, het zij nogmaals herhaald, worden gevonden enkel in zijn orthodoxe geloofsovertuiging en/of zijn liefde of bewondering voor zijn broer. En meer is er niet in deze zaak.

4 De motivering van de sanctie(s)

Onder verdachte zijn onder meer in beslaggenomen 4 imitatiewapens en 2 stuks ‘munitie’ (balletjes voor balletjespistool). In het proces-verbaal van bevindingen op pag. 2002 tot en met 2008 wordt door een vuurwapenrechercheur geconcludeerd dat 3 van de 4 in beslag genomen imitatiewapens wapens zijn als bedoeld in artikel 2, lid 1, categorie 1 van de Wet Wapens en Munitie. Het speelgoedwapen en de ‘munitie’ (balletjes voor het balletjespistool) vallen niet onder de Wet Wapens en Munitie en het voorhanden hebben daarvan is aldus niet strafbaar. De rechtbank stelt vast dat er strafbare feiten zijn begaan met de imitatiewapens (met uitzondering van het speelgoedwapen). Deze imitatiewapens dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De rechtbank is van oordeel dat de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen toebehoren aan de verdachte en aan verdachte zullen moeten worden teruggegeven.

5 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de onder A, B en C tenlastegelegde feiten.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 3 imitatiewapens (svo ki-c-3, svo ki-c-4, svo ki-g-1-1).

Beveelt de teruggave van de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de aangehechte beslaglijst, aan de verdachte.

Aldus gewezen door:

mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. S. Brinkhoff, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch en mr. M.G.A. Luijckx, griffiers

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 februari 2015.

1 Gerechtshof Den Haag 27-01-2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:83.

2 Inkomend wil hier zeggen dat [A] het bericht of gesprek heeft ontvangen; uitgaand dat hij het bericht heeft verzonden c.q. het gesprek heeft geïnitieerd.

3 De zelf gekozen naam van [X].

4 Een andere broer van [A].

5 Kaderbesluit van de Europese Unie d.d. 13 juni 2002 (PbEU L164).

6 Stb. 2004, 290.

7 Kamerstukken II, 2001-2002, 28 463, nr. 3, blz. 5.

8 Kamerstukken I, 2003-2004, 28 463, C, blz. 11.

9 Handelingen Tweede Kamer 4 december 2003, TK 33-2342.

10 Kamerstukken I 2003–2004, 28 463, E, p. 3-4 (nota naar aanleiding van het verslag).

11 HvJ EU 16 oktober 2014, T-208/11 & T-508/11 (Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE)).

12 Rechtbank Den Haag 1 december 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:14652.

13 Zie bijvoorbeeld kritische opmerkingen vanuit de Staten-Generaal: Handelingen Tweede Kamer 2 december 2003, TK 31-2213, 2219, 2222 en Handelingen Eerste Kamer 14 juni 2004, EK 32-1701, 1706-1707; Kamerstukken I 2003-2004, 28 463, C, p. 8 (memorie van antwoord).

14 NJ 2004, 400; LJN AN9358.

15 Memorie van antwoord, Kamerstukken I, 2006-2007, 30 164, D, blz. 24.

16 HR 12 februari 2013, NJ 2013/133; LJN BZ1956.

17 HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1233.

18 vgl. HR 28 januari 2014, NJ 2014/107, ECLI:NL:HR:2014:179; HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:920.

19 vgl. HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1233; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3081.

20 Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2002-2003, 28463, nr. 6, blz. 4.

21 Kamerstukken II 2003–2004, 28 463, nr. 10, p. 32 (nota naar aanleiding van het nader verslag).

22 Kamerstukken II 2003–2004, 28 463, nr. 10, p. 35 (nota naar aanleiding van het nader verslag).

23 Kamerstukken II 2003–2004, 28 463, nr. 10, p. 23 (nota naar aanleiding van het nader verslag).