Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7534

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
C/05/292337 / KZ ZA 15-283
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming stallen toegewezen.

Geldvordering ten aanzien van gebruik van de stallen niet toegewezen gelet op beroep op verrekening. In kort geding rekening houden met de mogelijkheid dat de tegenvordering (deels) toewijsbaar is. Of daarvan sprake is kan in kort geding niet worden beoordeeld.

De geldvordering ten aanzien van vergoeding van werkzaamheden gedeeltelijk toegewezen, gelet op erkenning hiervan door gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0009

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/292337 / KZ ZA 15-283

Vonnis in kort geding van 27 november 2015

in de zaak van

[curator] in hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam A] ,

wonende te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.L. Souman te Epe,

tegen

1. [maatschap] handelend onder de naam [maatschap] ,

gevestigd te [plaats] ,

2. [gedaagde sub 1],

wonende te [plaats] ,

3. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats] ,

gedaagden,

in persoon verschenen.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de akte wijziging eis inhoudende een vermeerdering van eis in die zin dat tevens een bedrag van € 38.000,00 wordt gevorderd als voorschot op de schadevergoeding terzake het (onrechtmatige) gebruik van de stallen staande en gelegen aan de [adres te plaats] ,

  • -

    de pleitnota van de curator,

  • -

    de pleitnota van [gedaagden] ,

  • -

    het vonnis van 27 november 2015 waaruit blijkt dat als gevolg van onvoorziene omstandigheden het vonnis nog een motivering behelst maar dat het uitgebreide vonnis uiterlijk op 1 december 2015 na 14:00 wordt uitgesproken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 25 november 2014 is op verzoek van de Deutsche Bank het faillissement uitgesproken van [naam A] (hierna: [naam A] ). [naam A] dreef een pluimveefokkerij (kippen), welke onderneming in oktober 2013 is gestaakt. De stallen, in eigendom bij [naam A] , stonden op dat moment leeg.

2.2.

Partijen zijn eind maart 2015 met elkaar in onderhandeling getreden over het gebruik van de stallen van [naam A] door [gedaagden] voor het in een korte periode (tot 1 februari 2016) opfokken van een koppel kippen. [gedaagden] had op zeer korte termijn extra stallen nodig omdat een koppel kippen onverwacht hersteld was van een kippenziekte terwijl hij reeds een nieuw koppel besteld had. Op 31 maart 2015 heeft de curator aan [gedaagden] een voorstel gedaan en daarbij te kennen gegeven dat voordat een overeenkomst tot stand kon komen er eerst nog de nodige details moesten worden ingevuld en dat de bank, de heer [naam A] en de rechter-commissaris nog hun goedkeuring moesten geven. In het voorstel werd een “huurprijs” van € 4.000,00 per maand exclusief btw genoemd en een tarief van € 22,50 per uur exclusief BTW als vergoeding voor de door [naam A] te verrichten werkzaamheden.

Hierop heeft [gedaagden] nog diezelfde dag geantwoord dat hij akkoord is met de voorwaarden van de curator

2.3.

[gedaagden] heeft de stallen met ingang van 1 april 2015 in gebruik genomen, zonder medeweten en toestemming van de curator.

2.4.

De rechter-commissaris heeft op 10 juni 2015 toestemming verleend voor een concept gecombineerde overeenkomst van huur voor korte duur (artikel 7:301 BW) en het inlenen van personeel.

2.5.

Nadat de curator op de hoogte was gekomen van het gebruik van de stallen, hebben partijen door onderhandeld over de voorwaarden waaronder dat moest plaatsvinden, met name over de inzet van [naam A] en de fiscale aspecten daarvan. Bij e-mails van 15 juli 2015 heeft mr. Buitenkamp namens de curator [gedaagden] gesommeerd de overeenkomst na komen en een kort geding in het vooruitzicht gesteld, dat vervolgens is ingetrokken. De curator had zich na overleg met de raadsman van [gedaagden] gerealiseerd dat de overeenkomst met [gedaagden] gekwalificeerd zou (kunnen) worden als een overeenkomst van pacht, hetgeen in strijd is met het belang van de boedel en met een voortvarende afwikkeling van het faillissement.

2.6.

Vervolgens heeft de curator een kort geding tot ontruiming aanhangig gemaakt waarna [gedaagden] aan de curator heeft gemeld dat hij de stallen ontruimt voor 1 december 2015. Tevens heeft hij de curator aansprakelijk gesteld voor door hem geleden en nog te lijden schade. Hij heeft de stallen na de datum van ingebruikneming schoongemaakt en verbeterd voor een bedrag van € 50.000,00 en daarnaast moeten de kippen nu 2 maanden te vroeg de stallen verlaten waardoor ze minder geld opbrengen.

2.7.

[gedaagden] heeft de kippen (15.000 slachtkuikens, moederdieren plus 900 hanen) verkocht aan [naam pluimvee en kalverhandel BV] Op zondag 29 november 2015 zullen de dieren worden opgehaald.

2.8.

Tot op heden heeft [gedaagden] aan de boedel niets betaald voor het in gebruik hebben van de stallen en de door [naam A] geleverde diensten.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert, na vermeerdering van de eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] te veroordelen, en wel hoofdelijk, tot:

I. ontruiming van de bij [gedaagden] in gebruik zijnde onroerende zaken staande en gelegen aan de [adres te plaats] , met veroordeling om de onroerende zaken met al degenen die en al hetgeen zich daarin of daarop bevinden of bevindt voor of uiterlijk op het vastgestelde tijdstip van de ontruiming volledig schoon (vrij van mest) en behoorlijk te verlaten en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, zulks binnen één week na betekening van dit vonnis,

II. aan de curator te voldoen een dwangsom van € 100.000,00 (zegge: honderdduizend euro) als de onder I bedoelde ontruiming niet of niet binnen de gestelde termijn heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag dat later dan de onder I bedoelde termijn wordt ontruimd,

III. aan de curator te voldoen een bedrag van € 22.320,00 te vermeerderen met BTW, als voorschot op de schadevergoeding terzake de door [naam A] gewerkte uren,

IV. aan de curator te voldoen een bedrag van € 38.000,00 (zegge: achtendertigduizend euro), te vermeerderen met BTW, als voorschot op de schadevergoeding terzake het (onrechtmatige) gebruik van de stallen staande en gelegen aan de [adres te plaats] ,

V. betaling van de proceskosten, daaronder begrepen griffierecht en salaris advocaat,

VI. althans, indien en voor zover het vorenstaande niet of gedeeltelijk wordt toegewezen, in goede justitie een voorziening te treffen.

3.2.

De curator legt aan zijn vordering ten grondslag dat, zonder dat er overeenstemming is bereikt, [gedaagden] gebruik is gaan maken van de stallen voor het opfokken van kippen. Er is onderhandeld over de voorwaarden maar er is geen overeenkomst tot stand gekomen, waardoor [gedaagden] de stallen zonder recht of titel gebruikt. Daarnaast heeft de boedel schade geleden en lijdt de boedel schade omdat voor het gebruik van de stallen geen vergoeding wordt betaald. [gedaagden] is daardoor ongerechtvaardigd verrijkt. Derhalve is [gedaagden] een gebruiksvergoeding verschuldigd aan de curator. Subsidiair vordert de curator schadevergoeding voor het onrechtmatig handelen, nu [gedaagden] onrechtmatig tegenover de boedel handelt door te weigeren enige vergoeding te voldoen voor het onrechtmatige gebruik, hoewel hij wist of behoorde te begrijpen dat de curator een vergoeding in rekening wenste te brengen voor het gebruik van de stallen gedurende de onderhandelingen. Meer subsidiair doet de curator een beroep op strijd met de redelijkheid en billijkheid.

Verder lijdt de boedel schade omdat [gedaagden] geen vergoeding betaalt voor de werkzaamheden die door de [naam A] zijn verricht.

3.3.

[gedaagden] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ten aanzien van het bezwaar van [gedaagden] tegen de gewijzigde eis overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De curator heeft in overeenstemming met artikel 11.1 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken civiel/familie de vermeerdering van de eis 1 dag voor de terechtzitting schriftelijk aan [gedaagden] meegedeeld. Verder heeft [gedaagden] inhoudelijk gereageerd op de vermeerdering van de eis. Voorgaande leidt tot het oordeel dat de gewijzigde eis niet in strijd met de eisen van een goede procesorde is ingediend. Derhalve gaat de voorzieningenrechter bij haar beoordeling uit van de gewijzigde eis.

4.2.

[gedaagden] heeft, onder protest, ingestemd met ontruiming van de stallen per 1

december 2015. Gelet op deze bereidheid van [gedaagden] , alsmede het feit dat [gedaagden]

de kippen heeft verkocht en deze door de koper op 29 november 2015 worden opgehaald zal

de vordering tot ontruiming worden toegewezen per 1 december 2015 met dien verstande

dat niet valt in te zien waarom [gedaagden] de stallen volledig schoon en vrij van mest

dient achter te laten nu hij onweersproken heeft gesteld dat hij de stallen in een deplorabele

staat heeft aangetroffen en na ingebruikneming heeft schoongemaakt en verbeterd.

Verder zal de gevorderde dwangsom worden afgewezen nu de voorzieningenrechter

daarvoor, gelet op de bereidheid van [gedaagden] om de stallen vrijwillig te verlaten, geen

aanleiding ziet. De vrees van de curator dat er op 1 december 2015 nog kippen aanwezig

zijn in de stallen is, mede gelet op de verkoop van de kippen en het ophalen daarvan op 29

november 2015, onvoldoende aannemelijk geworden.

4.3.

Met betrekking tot de door [gedaagden] in gebruik genomen stallen vordert de curator een voorziening in kort geding bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom en is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.4.

Blijkens hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.2 en 2.5. hebben partijen op enig

moment wilsovereenstemming bereikt over het feit dat [gedaagden] een bedrag van
€ 4.000,00 per maand voor het gebruik van de stallen zal gaan betalen aan de boedel, aangezien dit punt in de onderhandelingen verder niet meer is teruggekomen. De curator voert weliswaar aan dat geen overeenstemming bestaat over het gebruik van de stallen door [gedaagden] , maar hij miskent daarbij dat hij, zodra hij op de hoogte kwam van de ingebruikname, geen actie heeft ondernomen om het onrechtmatig gebruik te staken. Hij is pas gaan reageren nadat hij onderkende dat mogelijk sprake kon zijn van een pachtovereenkomst, hetgeen in een faillissement niet wenselijk is. Nu [gedaagden] heeft aangevoerd dat de kippen op 29 november 2015 worden opgehaald kan in het midden blijven hoe de onderhavige overeenkomst moet worden gekwalificeerd. De voorzieningenrechter is daarom voorshands van oordeel dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan de curator een aanspraak heeft op [gedaagden] van € 32.000,00 (8 maanden maal € 4.000,00 per maand).

4.5.

De voorzieningenrechter begrijpt het verweer van [gedaagden] , zoals hiervoor

opgenomen onder 2.6., aldus dat een beroep wordt gedaan op verrekening. De curator heeft

niet betwist dat [gedaagden] een investering heeft gedaan van circa € 50.000,00. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat, gelet op het beroep op verrekening, de vordering van de curator van € 32.000,00 niet kan worden toegewezen. Hoewel ook de gepretendeerde tegenvordering van [gedaagden] met de nodige terughoudendheid moet worden beoordeeld, dient de voorzieningenrechter in onderhavig kort geding toch rekening te houden met de mogelijkheid dat deze tegenvordering van [gedaagden] (deels) toewijsbaar is. Of daarvan sprake is kan in kort geding niet worden beoordeeld.

4.6.

Ten aanzien van de vergoeding van de door [naam A] verrichte werkzaamheden is tussen partijen niet in geschil dat daarvoor een tarief van € 22,50 per uur in rekening wordt gebracht. Volgens de curator heeft [naam A] in totaal 543 uren gewerkt voor [gedaagden] zodat [gedaagden] een bedrag van € 12.217,50 aan de boedel verschuldigd is. [gedaagden] stelt dat hij 387 uren moet afrekenen aangezien dit aantal uit de door [naam A] overgelegde urenstaat volgt. Gelet op de erkenning van [gedaagden] dat hij 387 uren dient af te rekenen tegen een tarief van € 22,50 per uur is de vordering van de curator op [gedaagden] voor de door [naam A] gewerkte uren tot een bedrag van € 8.707,50 voldoende aannemelijk geworden. Het meerdere boven € 8.707,50 heeft de curator onvoldoende aannemelijk gemaakt nu hij heeft nagelaten te onderbouwen dat [naam A] 156 uur (543-387) meer heeft gewerkt. De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van

€ 8.707,50, te betalen nadat de curator hem daartoe een factuur heeft gestuurd.

4.7.

[gedaagden] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- dagvaarding € 103,93

- griffierecht 876,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.795,93

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om uiterlijk 1 december 2015 de onroerende zaken, staande en gelegen aan de [adres te plaats] , met al degenen die en al hetgeen zich daarin of daarop bevinden of bevindt volledig en behoorlijk te ontruimen en te verlaten en vervolgens ontruimd en verlaten te houden;

5.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, aan de curator te betalen een bedrag van € 8.707,50 te vermeerderen met btw;

5.3.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 1.795,93;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2015.

fo/vr