Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7452

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
05/820059-15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kantonzaak, leerplicht, artikel 5 Lpw, geen vrijstelling van rechtswege, onvoldoende geconcretiseerde en herkenbare bedenkingen tegen de richting van de bestaande onderwijsinstellingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2017/628
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Kantonrechter

Parketnummer : 05/820059-15

Datum zitting : 6 november 2015

Datum uitspraak: 20 november 2015

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1 De inhoud van de tenlastelegging

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2014

tot en met 10 december 2014, te Lent, in de gemeente Nijmegen, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de

jongere [naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , althans

zich (telkens) met de feitelijke verzorging van de jongere had belast,

(telkens) niet - hoewel zij daarvoor verantwoordelijk kon worden geacht -

heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de

Leerplichtwet 1969,te zorgen dat die jongere als leerling van een school was

ingeschreven.

2 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Namens de verdachte is gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Hiertoe word aangevoerd dat de leerplichtambtenaar geen objectief waarneembare feiten gepresenteerd heeft op grond waarvan een redelijke verdenking aan schoolverzuim zou kunnen ontstaan. Hierdoor is het proces-verbaal op oneigenlijke gronden opgemaakt. Voorts is gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk is omdat in strijd met het terughoudend vervolgingsbeleid, opgesteld door het College van Procureurs-Generaal, is gedagvaard. Daarin is bepaald dat alleen tot vervolging wordt overgegaan als ouders motieven aangeven die niet verbonden zijn met hun levensovertuiging. Hiervan is in casu geen sprake en daarnaast heeft de verdachte in de loop van de correspondentie geen enkele aanleiding gegeven om een dergelijke vermoeden van misbruik op te wekken. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie in samenwerking met de leerplichtambtenaar en de gemeente bij de vervolging een onherstelbare vormfout gemaakt omdat de levensovertuiging van de verdachte is vastgelegd in correspondentie onderling en in het proces-verbaal.

De officier van justitie verzoekt het Openbaar Ministerie ontvankelijk te verklaren. Zij voert hiertoe aan dat verdachte niet voldoet aan de wettelijke vereisten om voor een vrijstelling in aanmerking te komen. De leerplichtambtenaar heeft daarom een proces-verbaal opgemaakt en het Openbaar Ministerie heeft besloten de zaak voor te leggen aan de kantonrechter.

De kantonrechter overweegt als volgt. Ieder kind - dat volgens de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw) leerplichtig is - dient ingeschreven te zijn op een school. Vast staat dat het minderjarige kind, [naam] , van verdachte niet staat ingeschreven op een school en daarom is er sprake van een redelijk vermoeden van schuld. Het Openbaar Ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging.

Ten slotte treft ook het verweer dat de officier van justitie in strijd met het vervolgingsbeleid heeft gehandeld geen doel. Immers, het oordeel over de opportuniteit van vervolging berust bij het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie kan slechts dan niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer zich omstandigheden voordoen waaruit blijkt dat ten tijde van het instellen van de vervolging zodanig is gehandeld in strijd met algemene beginselen van een behoorlijke procesorde, dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling in zijn zaak is tekortgedaan.

Uit de stukken blijkt dat hiervan geen sprake is en verdachte heeft zijn standpunt ook niet nader toegelicht. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat niet is gehandeld in strijd met algemene beginselen van een behoorlijke procesorde. Het verweer wordt verworpen.

Ter zake het verweer dat het Openbaar Ministerie in samenwerking met de leerplichtambtenaar en de gemeente bij de vervolging een onherstelbare vormfout gemaakt, omdat de levensovertuiging van de verdachte is vastgelegd in correspondentie onderling en in het proces-verbaal, is de kantonrechter van oordeel dat dit verweer evenmin doel treft. Niet valt in te zien waarom de officier van justitie hier een vormfout heeft gemaakt die zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de officier van justitie kan worden ontvangen in de vordering.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 6 november 2015 ter terechtzitting met onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Als gemachtigde van verdachte is verschenen dhr. Drs. P.J. Zuidam. Tevens is verschenen mw. H.E.M. Maassen, leerplichtambtenaar van de gemeente Nijmegen.

4 De beslissing inzake het bewijs

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Uit de door de verdachte naar voren gebrachte bedenkingen kan onvoldoende worden vastgesteld of het hier gaat om bedenkingen tegen de richting van het onderwijs. De verdachte heeft haar bedenkingen onvoldoende geconcretiseerd. Verdachte heeft slechts volstaan met een opsomming van scholen met hun grondslag. Daarmee is niet te onderkennen welke bedenkingen verdachte heeft tegen de richting van het voor verdachtes kind beschikbare onderwijs. De bedenkingen lijken eerder te gelden als bezwaren tegen het onderwijssysteem in het algemeen, de pedagogische grondslag van het onderwijs, de soort van het onderwijs en de leerplicht in het algemeen. Het is niet de bedoeling dat kinderen van school worden gehouden, enkel en alleen omdat hun ouders thuisonderwijs prefereren boven schoolonderwijs. Verder merkt de officier van justitie op dat twee andere kinderen in het gezin wel schoolonderwijs genoten op de scholen in de directe omgeving waar thans bedenkingen tegen worden geuit.

Namens en door verdachte is aangevoerd dat verdachte inzichtelijk en aannemelijk heeft gemaakt dat er schoolbezwaren zijn tegen de richtingen van alle scholen op redelijke afstand van verdachtes woning. Ook heeft verdachte de bezwaren tegen openbaar onderwijs verduidelijkt. Het beroep op artikel 5 sub van de Lpw is tijdig gedaan en voldoet aan de wettelijke vereisten. De verdachte geeft aan haar minderjarige kind thans thuisonderwijs.

Haar levensovertuiging past het beste bij het humanisme en deze levensovertuiging heeft zich in haar leven verder sterk ontwikkeld. Toen zij haar andere twee kinderen op een school had ingeschreven was zij een stuk jonger en daarom was zij niet in staat om in te schatten wat een school voor invloed kan hebben op de ontwikkeling van haar kinderen. Nu kan zij wel die inschatting maken en daarom wil ze haar dochter niet inschrijven op een school die niet haar levensovertuiging heeft. Verder merkt de verdachte op dat zij het formulier “verklaring bedenkingen tegen richting van de school” volledig heeft ingevuld en niet alleen scholen heeft opgesomd.

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

De verdachte is de moeder van [naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en zij heeft het gezag over haar.

Op 28 september 2014 heeft de verdachte een brief gestuurd naar het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen, waarin zij kennis geeft op grond van artikel 5 sub b, van de Leerplichtwet 1969 (hierna Lpw) aanspraak te maken op vrijstelling van de verplichting tot inschrijving van de minderjarige, als leerling. De verdachte heeft overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van haar woning gelegen scholen/instellingen waarop de minderjarige geplaatst zou kunnen worden.

Gemeente Nijmegen heeft bij brief van 10 november 2014 aan de verdachte verzocht om - naar aanleiding van het beroep op vrijstelling - een verklaring in te vullen.

Het betreft een verklaring over de bedenkingen tegen de richting van de school.

Verdachte heeft deze verklaring op 14 november 2014 ingevuld.

Gemeente Nijmegen nodigt de verdachte bij brief van 24 november 2014 uit voor een gesprek op 2 december 2014.

Op 2 december 2014 heeft verdachte wederom een brief gestuurd naar het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen, waarin zij stelt dat voormelde brief haar pas na datum van de afspraak bereikte. Verdachte schrijft verder dat een gesprek niet nodig is, nu dat niet wettelijk verplicht is. Volgens verdachte is door het indienen van het richtingsbezwaar op 28 september 2014 de vrijstelling van rechtswege direct van kracht. Zij heeft middels die brief – in overeenstemming met artikel van 5 sub b van de Lpw - bedenkingen tegen de richting van het onderwijs op alle beschikbare scholen in haar omgeving. Ze verwijst daarbij naar de door haar opgestelde scholenlijst d.d. 14 november 2014. Haar bedenkingen zijn gericht tegen de godsdienstige grondslag (of het ontbreken daarvan), omdat geen van deze grondslagen aansluiten bij haar humanistische levensovertuiging. Haar beroep op vrijstelling is dus gegrond op een richtingsbezwaar en niet op een opvoedkundig of onderwijskundig bezwaar.

Bij brief van 3 december 2014 roept de leerplichtambtenaar van de gemeente Nijmegen in opdracht van het Openbaar Ministerie de verdachte op om op 10 december 2014 een verklaring af te leggen voor het proces-verbaal.

De verdachte geeft in de brief van 9 december 2014 weer wat de leerplichtambtenaar als verklaring op kan nemen in het proces-verbaal. De verdachte geeft een schets van de inhoud van de hierboven weergegeven correspondentie.

Wettelijk kader

Voor de beoordeling van het verweer zijn de volgende bepalingen van de Leerplichtwet 1969 , zoals deze golden ten tijde van het tenlastegelegde, van belang.

“(…)

- Artikel 2, eerste lid:

"Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school is ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt (...).

- Artikel 5, aanhef en onder b:

"De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling is ingeschreven, zolang

a. (...)

b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben

c. (…).

- Artikel 6, eerste en tweede lid, Lpw:

1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen kunnen zich slechts beroepen op vrijstelling, indien zij aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetenen in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, hebben kennis gegeven, voor welke jongere en op welke grond zij daarop aanspraak menen te mogen maken.

2. Deze kennisgeving moet worden ingediend:

a. ten minste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt, indien zij betrekking heeft op de aanvang van de leerplicht, en

b. zolang nadien aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt, elk jaar opnieuw voor 1 juli.

- Artikel 8 Lpw:

"1. Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b kan slechts worden gedaan, indien de kennisgeving de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, bij het ontbreken van een vaste verblijfplaats, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan.

2. Deze verklaring is niet geldig, indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school onderscheidenlijk een instelling van de richting waartegen bedenkingen worden geuit."

De kantonrechter overweegt verder als volgt.

De kantonrechter stelt, onder verwijzing naar HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719, voorop dat:

- i) indien een beroep is gedaan op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b Lpw de rechter moet onderzoeken of de bedenkingen de richting van het onderwijs betreffen (vgl. HR 19 februari 1980, NJ 1980, 190 en HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2946, NJ 2002, 98); blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever niet gewild dat de rechter het gewicht van de bedenkingen beoordeelt (vgl. HR 19 februari 1980, NJ 1989, 190)

- ii) onder overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b Lpw zijn niet begrepen bedenkingen tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs (vgl. HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1985, NJ 2000, 703);

- iii) degene die zich op een vrijstelling beroept, dient – gelet op het voorgaande – duidelijk aan te geven welke zijn bedenkingen zijn tegen het onderwijs op de scholen of instellingen die zich binnen redelijke afstand van zijn woning bevinden en waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, opdat de rechter kan beoordelen of die bedenkingen de richting van het op die scholen of instellingen gegeven onderwijs betreffen (vgl. HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0453).

In het kader van deze strafzaak moet allereerst onderzocht worden of verdachte van de verplichting om het in de tenlastelegging genoemde kind naar school te sturen was vrijgesteld, omdat zij tegen de richting van de redelijkerwijs bereikbare scholen overwegende bedenkingen had. Daarbij zal de rechtbank niet treden in de vraag of deze bedenkingen al dan niet overwegend waren en slechts oordelen over de vraag of de bedenkingen de richting van het onderwijs in de zin van artikel 5 van de Lpw betreffen.

Volgens de rechtspraak van de kantonrechter moet onder “richting” worden verstaan een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing (Gerechtshof Arnhem, 3 juni 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BD3002, bevestigd in HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719).

Hoewel verdachte het formulier “verklaring bedenkingen tegen richting van de school” volledig en op juiste wijze heeft ingevuld, geven de stukken en de verklaring van verdachte op de terechtzitting naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende geconcretiseerde en herkenbare bedenkingen tegen de richting van de bestaande onderwijsinstellingen. De verdachte heeft enkel gesteld dat haar bedenkingen zijn gericht tegen de godsdienstige grondslag (of het ontbreken daarvan), omdat geen van deze grondslagen aansluiten bij haar humanistische levensovertuiging. Het is de kantonrechter onvoldoende duidelijk geworden welke wezenlijke bedenkingen tegen de richting van het onderwijs verdachte koestert.

Verdachte heeft onvoldoende aan kunnen geven en onderbouwen dat haar levensovertuiging bij geen van de bestaande onderwijsinstellingen past, die binnen redelijke afstand van haar woning aanwezig zijn.

De kantonrechter acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2014

tot en met 10 december 2014, te Lent, in de gemeente Nijmegen, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de

jongere [naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , althans

zich (telkens) met de feitelijke verzorging van de jongere had belast,

(telkens) niet - hoewel zij daarvoor verantwoordelijk kon worden geacht -

heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de

Leerplichtwet 1969, te zorgen dat die jongere als leerling van een school was

ingeschreven.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 2 eerste lid van de Leerplichtweg 1969.

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

Verdachte is dus strafbaar.

7 De motivering van de sanctie(s)

De officier van justitie heeft verzocht aan verdachte op te leggen een geldboete van € 600 euro, waarvan € 300 euro voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Bij de beslissing over de straf heeft de kantonrechter rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uit de justitiële documentatie d.d. 31 oktober 2015 betreffende verdachte blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De kantonrechter overweegt verder nog als volgt.

Gelet op de feiten en omstandigheden acht de kantonrechter de strafeis van de officier van justitie passend en geboden. De kantonrechter zal daarom aan verdachte opleggen een geldboete van € 600,- te vervangen door 12 dagen hechtenis, waarvan € 300 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 26, van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 4, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 5.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

betaling van een geldboete van € 600 (zeshonderd euro),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis .

Bepaalt dat van deze geldboete € 300 (driehonderd euro) (subsidiair 6 dagen hechtenis) niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. S. Kuypers, als kantonrechter,

in tegenwoordigheid van mr. L. Jbilou, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 november 2015.