Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7267

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
05/840721-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

11a Opiumwet. Growshop. Veroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/840721-15

Datum uitspraak : 29 oktober 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats] .

Raadsman: mr. Y. Taghi, advocaat te Waardenburg.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 april 2015,

in de gemeente Geldermalsen,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

(in/bij een pand aan [adres 2] )

stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens,

te weten:

- 3, althans een of meer electriciteitssnoer(en) en/of

- 37, althans een of meer tijdschakelaar(s) en/of

- 67, althans een of meer koppelstuk(ken) en/of

- 5, althans een of meer koolstoffilter(s) en/of

- 4, althans een of meer luchtafzuiger(s) en/of

- 4, althans een of meer slakkenhui(s)(zen) en/of

- 31, althans een of meer ventilator(en) en/of

- 2, althans een of meer Co2 booster(s) en/of

- 12, althans een of meer kachel(s) en/of

- 16, althans een of meer temperatuurventilatieregelaar(s) en/of

- 10, althans een of meer water-, beluchting- en dompelpomp(en) en/of

- 519, althans een of meer groeimiddel(en) en/of

- 19, althans een of meer hygro- ph/ec en thermometer en/of

- 44, althans een of meer knipbenodigdheden en/of

- 5, althans een of meer weegscha(a)l(en) en/of

- 1 sealapparaat en/of

- 8, althans een of meer verwarmingselement(en) en/of

- 1 groeitent en/of

- 53, althans een of meer droogrek(ken) en/of

- 2, althans een of meer do(o)s(zen) met magazine-boeken betreffende

hennepteelt ("Highlife)

bestemd tot het plegen van een of meer feit(en) strafbaar gesteld in artikel

11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet,

te weten:

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of

bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of

verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of

telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of

vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet,

heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of te koop aangeboden en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd

en/of voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had

te vermoeden dat dat/die stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens bestemd

was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte is eigenaar van Handelsonderneming [bedrijf] aan [adres 2] te Geldermalsen.2 Op 26 januari 2015 is onderzoek gedaan bij het pand aan [adres 2] te Geldermalsen. De betreffende verbalisant werd door verdachte binnen gelaten en heeft geconstateerd dat er een growshop actief was.3 Op 23 maart 2015 is het pand nogmaals door de politie bezocht en is aan de broer van verdachte (die daar aanwezig was) medegedeeld dat de aangetroffen situatie strafbaar is volgens de Opiumwet. Tevens is aan hem een periode van 2 weken (tot 6 april 2015) gegeven om de situatie aan te passen. Toen is ook een brief van het OM uitgereikt.4 Op 9 april 2015 heeft de politie nogmaals het pand bezocht. Tijdens dit bezoek sprak verbalisant Teunissen met verdachte. Hij heeft geconstateerd dat de growshop nog steeds actief was en verdachte medegedeeld dat hij vermoedelijk strafbaar is volgens de Opiumwet en kon worden aangehouden.5

Op 29 april 2015 werden tijdens een doorzoeking in het pand de volgende goederen aangetroffen: 3 electriciteitssnoeren, 37 tijdschakelaars, 67 koppelstukken, 5 koolstoffilters, 4 luchtafzuigers, 4 slakkenhuizen, 31 ventilatoren, 2 Co2 boosters, 12 kachels, 16 temperatuurventilatieregelaars, 10 water-, beluchting- en dompelpompen, 519 groeimiddelen, 19 hygro- ph/ec en thermometers, 44 knipbenodigdheden, 5 weegschalen, 1 sealapparaat, 8 verwarmingselementen, 1 groeitent, 53 droogrekken en 2 dozen met het magazine (“Highlife”).6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van dit feit gelet op de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het vorenstaande, niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte wist dat de in zijn pand aangetroffen voorwerpen, stoffen en gegevens een strafbare bestemming hadden als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet, noch dat hij ernstige redenen had om dit te vermoeden. Hij heeft aangevoerd dat de aangetroffen goederen voor diverse doeleinden kunnen worden gebruikt en niet uitsluitend ter voorbereiding of vergemakkelijking van de grootschalige, beroeps- of bedrijfsmatige illegale hennepteelt.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de in het pand van verdachte aangetroffen goederen en stoffen een strafbare bestemming hadden als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet, of verdachte hiervan wetenschap heeft gehad, dan wel ernstige redenen had om dat te vermoeden, en zich aldus heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet.

De parlementaire stukken

Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2010/11, 32 842, nr. 3) blijkt dat het op 1 maart 2015 in werking getreden nieuwe artikel 11a van de Opiumwet tot doel heeft om de bestrijding van de illegale hennepteelt te intensiveren en optimaliseren. Bij de aanpak van illegale hennepteelt is het het kabinet steeds duidelijker geworden dat het enkele optreden tegen hennepkwekerijen en tegen de bij de teelt direct betrokkenen niet toereikend is voor een daadwerkelijke terugdringing van de illegale hennepteelt. Daarom wordt het noodzakelijk geacht om ook op te treden tegen activiteiten van ondersteunende aard rond de illegale teelt, in het bijzonder die activiteiten die strekken ter voorbereiding of bevordering van die teelt.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de zaak verder uit van de volgende delen van de Memorie van Toelichting:

‘Bij de huidige wijze van functioneren van growshops zal er snel voldoende bewijs zijn voor het bestaan van de wetenschap bij de growshophouder of -medewerker. Immers, growshops e.d. bestaan bij de gratie van de illegale hennepteelt, hetgeen alleen al uit de door hen gekozen openbaarmakingen duidelijk blijkt. Verder worden het assortiment en de geboden informatie en expertise opzettelijk aangeboden met één doel: de hennepteelt. In dit verband kan worden gewezen op producten als de koolstoffilter en de zogenoemde «kniptrommel» en «ice-o-lator» die specifiek worden ingezet en aangeboden voor de hennepteelt.’(Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2010/11, 32 842, nr. 3.), p. 7)

‘Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht. Bij de producten die door een growshop verkocht worden, is er doorgaans geen sprake van twijfel over de bestemming ervan.’ (Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 2010/11, 32 842, nr. 6), p. 2 en 3)

‘Ook teelt van vijf planten of minder kan worden aangemerkt als beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Dit geldt in situaties waarin aan twee of meer indicatoren voor professionele teelt, zoals opgenomen in een bijlage van de Aanwijzing, is voldaan en indien er sprake is van teelt voor geldelijk gewin.’ (Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 2011/12, 32 842, nr. 6), p. 3 en 4)

‘Het gaat erom dat voorwerpen, of zo u wilt legale producten, ter beschikking worden gesteld terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen of legale producten strafbare handelingen zullen worden begaan.’ (Brief van de minister van Veiligheid en Justitie (Kamerstukken II, 2012/13, 32 842, nr. 13), p. 6)

‘De gekozen formulering zorgt er in dit verband juist voor dat niet het subjectieve oordeel(svermogen) van de verdachte bepalend is, maar dat het een objectiveerbare situatie betreft. Met andere woorden een situatie, waarin de betrokkene als gewoon denkend mens niet anders had kunnen doen dan moeten vermoeden dat hij voorbereidingsmiddelen ter beschikking stelde om bepaalde Opiumwetdelicten te plegen. Hieruit volgt tevens dat er geen sprake van een onderzoeksplicht [is].’ (Brief van de minister van Veiligheid en Justitie (Kamerstukken II, 2012/13, 32 842, nr. 13), p. 7)

‘Bij strafbare voorbereidingshandelingen moet er steeds sprake zijn van zowel de criminele intentie van de dader als de daaruit voortvloeiende handeling. De werking van deze bestanddelen is flexibel en valt het beste te vergelijken met die van communicerende vaten. Zo zal, indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt, de criminele intentie nagenoeg geheel kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling. Bij de verkoop in een growshop, waarbij alleen al uit het aanbod, de benaming van voorwerpen en/of uit de handleiding of gebruiksaanwijzing daarvan blijkt dat het bestemd is voor illegale hennepteelt, behoeft de criminele intentie van de verkoper nauwelijks nader bewijs.’ (Memorie van antwoord Eerste kamer (Kamerstukken I, 2012/13, 32 842, B), p. 8)

Uit het voorgaande blijkt naar oordeel van de rechtbank dat het er bij de strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet om gaat dat voorwerpen ter beschikking worden gesteld, terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen strafbare handelingen (overtreding van artikel 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet) worden begaan. De keuze voor deze formulering brengt met zich dat het gaat om een objectiveerbare situatie en dat niet het subjectieve oordeelsvermogen van de verdachte bepalend is.

De beoordeling

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij eigenaar is van Handelsonderneming [bedrijf] aan [adres 2] te Geldermalsen. Hij verkoopt veel verschillende goederen uit restpartijen en faillissementen. Naast de in beslag genomen goederen verkocht hij ook kleding, kussens, drones en strijkijzers. De goederen die hij verkocht waren ook in andere winkels zoals bijvoorbeeld bouwmarkten te koop. Verdachte heeft ter zitting verder verklaard dat hij er vanuit ging dat alle goederen die hij verkocht, legaal waren. Na de waarschuwingen door de politie is hij op allerlei blogs over hennepteelt gaan kijken. Hij las daar dat een aantal goederen, zoals assimilatielampen, grote filters en afzuigers ter discussie stonden. Die goederen heeft hij daarom direct uit zijn winkel gehaald. Toen heeft hij ook huisregels opgehangen (waarin onder meer staat dat de Handelsonderneming de verkoop van goederen zal weigeren als zij wetenschap of een ernstige reden heeft te vermoeden dat deze bestemd zijn voor hennepteelt).

Verdachte heeft voorts verklaard dat de aangetroffen exemplaren van het magazine “Highlife” hem ongevraagd door leveranciers werden toegestuurd en dat dit gewoon een lifestylemagazine betreft.

De omstandigheden

Zoals reeds is genoemd, dient bij de vraag of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet onder andere gekeken te worden naar de omstandigheden waaronder de voorwerpen zijn aangetroffen.

In het pand zijn grote hoeveelheden goederen en stoffen aangetroffen, die kunnen en in de praktijk ook worden gebruikt bij de teelt van de hennep. Het pand betreft een bedrijfspand en is onderverdeeld in 2 verdiepingen. Op de eerste verdieping bevond zich een winkelruimte waarin kweekmiddelen waren uitgestald in ijzeren kasten. Op de begane grond was een grote open ruimte die werd gebruikt als magazijn, waar ook kweekmiddelen waren opgeslagen. Verder zijn er twee dozen aangetroffen met daarin exemplaren van het magazine “Highlife”. Deze dozen stonden naast de tafel waar klanten aan zitten en de magazines werden ook op die tafel aangetroffen.7 Het blad “Highlife” heeft als ondertitel: opinie en lifestyle magazine voor growers en blowers.8 Dit blad richt zich naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar op aan hennep gerelateerde zaken. Dat dit magazine ongevraagd aan verdachte werd toegestuurd acht de rechtbank niet van belang nu verdachte door dit magazine op of bij de tafel te leggen waaraan klanten zitten, dit magazine wel aan zijn klanten ter beschikking stelde.

Wetenschap of een redelijk vermoeden?

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de in zijn pand aanwezige goederen en stoffen bedoeld waren voor de grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet.

De politie heeft verdachte tot twee keer toe gewezen op de wijziging van de Opiumwet per 1 maart 2015, waardoor het exploiteren van een growshop strafbaar zou worden. Desondanks worden in het pand van verdachte heel veel goederen en stoffen, geschikt voor de teelt van hennep, netjes gesorteerd en uitgestald, aangetroffen. Gelet op deze wijze van presenteren en de aanwezigheid van het magazine “Highlife”, kan er geen andere conclusie zijn dan dat verdachte de goederen heeft gepresenteerd ten behoeve van de verkoop aan telers van hennep en voor dat doel de goederen en stoffen ook voorhanden heeft gehad. Gelet op het soort goederen, de combinatie van goederen die zijn aangetroffen en de hoeveelheid daarvan, kan er voorts geen andere conclusie zijn dan dat deze bestemd waren voor de grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepteelt als bedoeld in artikel 11a, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet.

De rechtbank overweegt dat met name de combinatie van aangetroffen goederen maakt dat de verklaring van verdachte dat hij in uiteenlopende goederen handelde, vergelijkbaar met een bouwmarkt, niet geloofwaardig is. Immers, in bouwmarkten worden naast goederen zoals door verdachte aangeboden grote hoeveelheden anderssoortige goederen ter koop aangeboden. Bij verdachte daarentegen zijn naast de goederen die in beslag zijn genomen en die geschikt zijn voor de teelt van hennep, alleen leren jassen aangetroffen.

De door verdachte opgehangen huisregels, acht de rechtbank dan ook slechts een poging om te verdoezelen dat verdachte zich in zijn winkel schuldig maakte aan de exploitatie van een growshop. Daarbij weegt mee dat verdachte niets concreets heeft verklaard over de manier waarop hij erop toezag dat deze huisregels ook daadwerkelijk werden nageleefd.

De conclusie

Gelet op vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte op 29 april 2015 in het pand aan [adres 2] in de gemeente Geldermalsen grote hoeveelheden goederen en stoffen te koop heeft aangeboden en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ernstige redenen had om te vermoeden dat deze bestemd waren tot het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 29 april 2015,

in de gemeente Geldermalsen,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

(in/bij een pand aan [adres 2] )

stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens,

te weten:

- 3, althans een of meer electriciteitssnoer(en) en/of

- 37, althans een of meer tijdschakelaar(s) en/of

- 67, althans een of meer koppelstuk(ken) en/of

- 5, althans een of meer koolstoffilter(s) en/of

- 4, althans een of meer luchtafzuiger(s) en/of

- 4, althans een of meer slakkenhui(s)(zen) en/of

- 31, althans een of meer ventilator(en) en/of

- 2, althans een of meer Co2 booster(s) en/of

- 12, althans een of meer kachel(s) en/of

- 16, althans een of meer temperatuurventilatieregelaar(s) en/of

- 10, althans een of meer water-, beluchting- en dompelpomp(en) en/of

- 519, althans een of meer groeimiddel(en) en/of

- 19, althans een of meer hygro- ph/ec en thermometer en/of

- 44, althans een of meer knipbenodigdheden en/of

- 5, althans een of meer weegscha(a)l(en) en/of

- 1 sealapparaat en/of

- 8, althans een of meer verwarmingselement(en) en/of

- 1 groeitent en/of

- 53, althans een of meer droogrek(ken) en/of

- 2, althans een of meer do(o)s(zen) met magazine-boeken betreffende

hennepteelt ("Highlife)

bestemd tot het plegen van een of meer feit(en) strafbaar gesteld in artikel

11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet,

te weten:

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of

bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of

verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of

telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of

vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet,

heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of te koop heeft aangeboden en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd

en/of voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had

te vermoeden dat dat/die stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens bestemd

was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Stoffen, voorwerpen en gegevens te koop aanbieden en voorhanden hebben, waarvan hij ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen goederen worden onttrokken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en geen standpunt ingenomen met betrekking tot de strafmaat.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 23 september 2015.

Verdachte heeft stoffen, voorwerpen en gegevens, die bestemd zijn voor de grootschalige en/of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt, in zijn winkel voorhanden gehad en te koop aangeboden. Hennep bevat de voor de gezondheid van personen schadelijke stof THC. Hennepteelt, en zeker die op grote schaal, gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft die grootschalige en bedrijfsmatige hennepteelt gefaciliteerd en daarbij kennelijk slechts zijn eigen geldelijke gewin voorop gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat bij een feit als het onderhavige in beginsel een gevangenisstraf van enige duur de enige passende straf is. Bij het bepalen van de hoogte daarvan heeft de rechtbank de ernst van het feit in aanmerking genomen en de omstandigheid dat verdachte door het plegen van dit feit direct een bijdrage heeft geleverd aan het in stand houden van de grootschalige en/of beroeps- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt.

Daar tegenover staat dat verdachte niet eerder voor overtreding van de Opiumwet is veroordeeld. Verder heeft verschillende waarschuwingen gehad van de politie en naar aanleiding daarvan zijn handelswijze enigszins aangepast (hij heeft bepaalde goederen uit zijn handelsvoorraad geschrapt). Dit, in combinatie met het blanco strafblad van verdachte, maakt dat de rechtbank de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van drie maanden geheel voorwaardelijk zal opleggen, met een proeftijd van twee jaren. Deze straf is naar het oordeel van de rechtbank een duidelijk signaal voor verdachte en anderen om af te zien van het handelen in strijd met het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet.

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zijn naar het oordeel van de rechtbank vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Met betrekking tot deze goederen is het feit begaan.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 11a van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

  • -

    bepaalt, dat deze gevangenisstraf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

  • -

    dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 3 electriciteitssnoeren, 37 tijdschakelaars, 67 koppelstukken, 5 koolstoffilters, 4 luchtafzuigers, 4 slakkenhuizen, 31 ventilatoren, 2 Co2 boosters, 12 kachels, 16 temperatuurventilatieregelaars, 10 water-, beluchting- en dompelpompen, 519 groeimiddelen, 19 hygro- ph/ec en thermometers, 44 knipbenodigdheden, 5 weegschalen, 1 sealapparaat, 8 verwarmingselementen, 1 groeitent, 53 droogrekken en 2 dozen met het magazine (“Highlife”).

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Klep (voorzitter), mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en mr. F.M.A. 't Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 oktober 2015.

Zijnde mr. J.M. Klep en mr. F.M.A. ’t Hart buiten staat om dit mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015096476, gesloten op 15 juli 2015, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 10.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 6 en 7.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 8.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 3 en 4, proces-verbaal van bevindingen, p. 22 en een inventarisatielijst goederen, p. 74.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 3 en 4.

8 Kopie van een voorblad van het magazine “Highlife”, p. 67.