Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7233

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
C/05/292020/KZ RK 15/429
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige wrakingskamer

Rekestnummer: C/05/292020/KZ RK 15/429

Beslissing van 17 november 2015 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Gelderland op het verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

verzoeker tot wraking, hierna te noemen: verzoeker,

advocaat mr. P.J. Graafstal,

strekkende tot wraking van:

mr. J.T.G. Roovers,

kantonrechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de kantonrechter.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Bij brief van 22 oktober 2015 heeft verzoeker tot wraking als verzoekende partij in de civiele procedure (met zaaknummer 4356281 HA VERZ 15-110) tegen [naam 1] (hierna: [naam 1] ) als verwerende partij een verzoek tot wraking ingediend tegen de kantonrechter.

1.2.

Bij faxbrief van 23 oktober 2015 is door de advocaat van [naam 1] , mr. F.B.A.M. van Oss (hierna: mr. van Oss), een schriftelijke reactie ingediend.

1.3.

De kantonrechter heeft op 2 november 2015 schriftelijk verweer gevoerd tegen het tegen hem gerichte verzoek tot wraking en aangegeven dat hij niet ter zitting van de wrakingskamer zal verschijnen.

1.4.

Het verzoek tot wraking is behandeld ter zitting van 9 november 2015. Daarbij zijn verzoeker en zijn advocaat verschenen. Tevens is mr. Van Oss verschenen. Zoals aangekondigd is de kantonrechter daarbij niet verschenen.

2 Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd. In bovengenoemde procedure met zaaknummer 4356281 HA VERZ 15-110 is op 14 oktober 2015 om 11.30 uur een mondelinge behandeling gehouden. Van enig onderzoek door de kantonrechter, door middel van het stellen van vragen aan partijen, is tijdens die behandeling geen sprake geweest. Terstond werd het woord gegeven aan de advocaat van verzoeker met de woorden “zeg het maar”. Tijdens zijn betoog is de advocaat van verzoeker een paar keer op een onaangename wijze door de kantonrechter onderbroken. De kantonrechter wekte de indruk niet te luisteren. Door zijn houding en lichaamstaal bracht de kantonrechter bovendien tot uitdrukking dat zijn mening al vaststond. Op het moment dat verzoeker zelf het woord had om het belang bij zijn verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn van de door hem gehuurde bedrijfsruimte toe te lichten, werd hij onderbroken door de kantonrechter. De kantonrechter wendde zich tot de advocaat van verzoeker met de opmerking “het gaat uw cliënt toch enkel alleen maar om het geld, is het niet!”. Deze opmerking was, zeker na de ruimschoots gegeven uitleg van het tegendeel, volstrekt misplaatst en onterecht. Bovendien blijkt hieruit partijdigheid. Ten slotte deelde de kantonrechter mee met twee weken uitspraak te doen, maar gaf hij daarbij tevens reeds aan dat de beslissing negatief voor verzoeker zou uitvallen. Van de wil om hetgeen bij de mondelinge behandeling is gebleken in beraad te nemen, is dus evenmin gebleken. Op grond van het voorgaande stelt verzoeker dat de kantonrechter jegens hem vooringenomen is dan wel de schijn daartoe heeft gewekt.

3
3. Het standpunt van de kantonrechter

De kantonrechter heeft verklaard niet te berusten in het tegen hem gerichte verzoek tot wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de kantonrechter naar voren gebracht dat hij met de woorden “zegt u het maar” de advocaat van verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op het van de zijde van [naam 1] ingediende verweerschrift en/of het verzoek nader toe te lichten. De kantonrechter geeft aan de volle aandacht te hebben gehad voor de bijdrage van mr. Graafstal. Het klopt dat de kantonrechter tijdens het betoog van mr. Graafstal vragen heeft gesteld, eenvoudigweg omdat hij dat betoog, voor zover dat zag op de opschortingsleer, niet begreep. Daaruit blijkt volgens de kantonrechter geen vooringenomenheid. Het is immers aan de kantonrechter om te beoordelen of en welke vragen aan de orde zijn. Een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat moet er op bedacht zijn dat ook tijdens zijn betoog door de rechter vragen kunnen worden gesteld. De kantonrechter licht toe dat hij op enig moment inderdaad “het geld” aan de orde heeft gesteld. Met deze – aftastende – opmerking beoogde hij een gespreksbasis te vinden voor dat geschilpunt in een toekomstige procedure. Ten slotte is er volgens de kantonrechter niets op tegen om na een mondelinge behandeling, waarin partijen de ruimte hebben gekregen om hun standpunt naar voren te brengen, de richting van de uitspraak aan te geven. Het debat is op dat moment immers afgerond en het is dan zaak om tot een beslissing te komen. De kantonrechter heeft er in dit geval voor gekozen om de inhoud van de beslissing al aan te kondigen om te bewerkstelligen dat verzoeker niet passief de schriftelijke uitspraak zou afwachten, maar in plaats daarvan voorbereidingen zou treffen voor de ontruiming van het gehuurde. De conclusie is dat niet is gebleken van vooringenomenheid, noch dat de dienaangaande bij verzoeker bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, aldus de kantonrechter.

4 De beoordeling

4.1.

Door mr. Van Oss is naar voren gebracht dat het wrakingsverzoek niet tijdig is gedaan omdat de kantonrechter volgens mr. Van Oss ter zitting al uitspraak heeft gedaan. De wrakingskamer ziet zich derhalve allereerst voor de vraag gesteld of verzoeker in zijn verzoek tot wraking kan worden ontvangen.

4.2.

Op basis van zowel het proces-verbaal van de zitting als de verklaringen van verzoeker en de kantonrechter stelt de wrakingskamer vast dat niet reeds ter zitting mondeling uitspraak is gedaan, maar dat aan het einde van de mondelinge behandeling een datum is bepaald waarop een beschikking zou worden gegeven. Het betoog van mr. Van Oss dat het verzoek te laat is gedaan, omdat het is ingediend nadat de kantonrechter uitspraak zou hebben gedaan, moet dan ook worden gepasseerd.

4.3.

De vraag die ter zake de tijdigheid resteert is of het wrakingsverzoek is gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden, zoals artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) vereist.

4.4.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de feiten en omstandigheden waarop verzoeker zijn wrakingsverzoek heeft gebaseerd zich alle tijdens de zitting van 14 oktober 2015 (zouden) hebben voorgedaan, zodat van verzoeker mocht worden verwacht dat hij tijdens die zitting of na een korte tijd voor beraad kenbaar zou maken dat hij de kantonrechter wilde wraken. Nu in deze zaak naar het zich laat aanzien sprake is geweest van een opeenstapeling van gebeurtenissen/uitlatingen op de zitting van 14 oktober 2015, die voor verzoeker uiteindelijk de reden zijn geweest om het wrakingsverzoek in te dienen, kan de wrakingskamer zich voorstellen dat verzoeker enige tijd nodig heeft gehad om zich op zijn verzoek te beraden. Daarbij komt dat verzoeker er in eerste instantie voor heeft gekozen een klacht in te dienen en nader advies in te winnen omtrent de vraag of het verstandig was daarnaast een verzoek tot wraking in te dienen. De wrakingskamer houdt ten slotte rekening met de het feit dat de advocaat van verzoeker daags na de mondelinge behandeling het proces-verbaal van de zitting heeft opgevraagd, welk proces-verbaal overigens ten tijde van de indiening van het verzoek nog niet was ontvangen. Onder die omstandigheden acht de wrakingskamer de indiening van het verzoek op 22 oktober 2015 nog in overeenstemming met het bepaalde in artikel 37 Rv. De wrakingskamer acht verzoeker aldus ontvankelijk in zijn verzoek.

4.5.

Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt.

4.6.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.7.

Onderzocht moet worden of de door verzoeker aangevoerde gronden kunnen worden gekwalificeerd als een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid. De wrakingskamer overweegt daartoe het volgende.

4.8.

Vooropgesteld wordt dat het de rechter is die de regie voert over de civiele procedure en over de zittingen die in een dergelijke procedure worden gehouden, zoals in dit geval de mondelinge behandeling d.d. 14 oktober 2015. In dat kader heeft de rechter een grote mate van vrijheid om de orde op een zitting te bepalen en de onderwerpen die naar zijn oordeel relevant zijn voor de juridische vraagstukken die in een concrete zaak voorliggen en waarop hij een beslissing zal moeten geven, met partijen te bespreken. Als uitgangspunt heeft daarbij bovendien te gelden dat de civiele rechter lijdelijk is in die zin dat hij de zaak onderzoekt en beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten grondslag hebben gelegd (artikel 24 Rv). Dat de kantonrechter aan het begin van de mondelinge behandeling geen vragen heeft gesteld, is dan ook geen feit of omstandigheid waaruit zou kunnen blijken dat hij een vooringenomenheid jegens verzoeker koestert, dan wel dat de bij verzoeker dienaangaande vrees gerechtvaardigd is.

4.9.

Het is tevens aan de rechter om te bepalen op welke wijze een procespartij in de gelegenheid wordt gesteld het woord te voeren. Uit zowel het proces-verbaal van de zitting als uit de verklaringen van verzoeker en de kantonrechter in het kader van deze wrakingsprocedure blijkt dat de advocaat van verzoeker in de gelegenheid is gesteld het woord te voeren, zij het kennelijk niet zoals de advocaat van verzoeker zelf voor ogen stond. Echter, partijen zijn het erover eens dat de kantonrechter met de woorden “zegt u het maar” (of woorden van gelijke strekking) aan mr. Graafstal het woord heeft gegeven. Als mr. Graafstal verduidelijking wenste van hetgeen precies van hem werd verwacht (een toelichting van zijn verzoek dan wel een reactie op het schriftelijk ingediende verweer), dan mocht van hem als rechtsgeleerd raadsman worden verwacht dat hij de kantonrechter om die duidelijkheid had gevraagd. Dit heeft hij nagelaten. Wel staat vast dat hij gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid het verzoek toe te lichten. Dat hij tijdens dat betoog door de kantonrechter is onderbroken kan kloppen, maar van de zijde van de kantonrechter is toegelicht dat hij tussentijds vragen heeft gesteld om bepaalde aspecten van het betoog van de advocaat beter te kunnen begrijpen. Naar het oordeel van de wrakingskamer blijkt hieruit geen vooringenomenheid en ook geen objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.

4.10.

Van de zijde van de kantonrechter is weersproken dat hij niet naar verzoeker en/of zijn advocaat heeft geluisterd. Dit mag ook blijken uit het feit dat de kantonrechter, zoals hier boven reeds vermeld, de advocaat van verzoeker tijdens diens betoog heeft bevraagd op de punten die de kantonrechter niet duidelijk waren. De klachten van verzoeker met betrekking tot de houding en/of de lichaamstaal van de kantonrechter betreffen in wezen de manier waarop verzoeker en zijn advocaat door de kantonrechter zijn bejegend. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening partijdigheid van de kantonrechter tegen verzoeker besloten ligt, zijn verder niet aangevoerd. In zoverre kan het betoog niet leiden tot toewijzing van het verzoek tot wraking.

4.11.

Juist is dat de kantonrechter op enig moment “het geld” aan de orde heeft gesteld, in die zin dat door de kantonrechter aan de advocaat van verzoeker is gevraagd of het belang van verzoeker niet vooral gelegen is in het vergoed krijgen van de door hem in het gehuurde gedane investeringen. Vast staat echter ook dat de advocaat van verzoeker hierop heeft gereageerd in die zin dat hij nader heeft toegelicht dat het verzoeker primair te doen is om het gehuurde in de toekomst te kunnen blijven gebruiken, waarna de kantonrechter met een “sorry” of een woord van gelijke strekking tot uitdrukking heeft gebracht dat hij dit in eerste instantie anders had begrepen, maar dat het standpunt van verzoeker hem toen helder was. Naar het oordeel van de wrakingskamer geeft deze gang van zaken ook geen blijk van vooringenomenheid. Op deze grond kan het wrakingsverzoek derhalve evenmin slagen.

4.12.

Dat de kantonrechter ter zitting reeds de essentie van de beslissing heeft aangegeven levert evenmin vooringenomenheid of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor op. Op het moment dat de kantonrechter aangaf het verzoek te zullen gaan afwijzen, was de behandeling van de zaak immers afgerond; partijen hadden de gelegenheid gekregen en benut om hun standpunten toe te lichten. Op dat moment was het aan de kantonrechter om een beslissing te nemen. Dat de kantonrechter voor het nemen van die beslissing in dit geval geen langere bedenktijd nodig had, maar voor het schriftelijk formuleren daarvan wellicht wel, maakt niet dat het kenbaar maken, aan het einde van de zitting en na het horen van partijen, van zijn voorgenomen beslissing is ingegeven door vooringenomenheid.

4.13.

Gelet op het voorgaande komt de wrakingskamer tot het oordeel dat er, noch gelet op de afzonderlijke gronden, noch gelet op de gronden in hun onderlinge samenhang bezien, sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden zoals onder rechtsoverweging 4.6. en 4.7. bedoeld. Het verzoek tot wraking van de kantonrechter zal dan ook worden afgewezen.

5 Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de procedure met zaaknummer 4356281 HA VERZ 15-110 wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek op 22 oktober 2015.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.C. van der Mei, voorzitter, mrs. C. Kleinrensink en L.J.P. Lambooij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Krol, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2015.

Griffier Voorzitter

De griffier is buiten staat

deze beslissing mede te ondertekenen.