Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7212

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-11-2015
Datum publicatie
20-11-2015
Zaaknummer
05/740338-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft vandaag een 66-jarige man uit Lent veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden en een werkstraf van 180 uur voor het plegen van ontuchtige handelingen met een destijds 15 jarige jongen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/740338-14

Datum uitspraak : 20 november 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats]

Raadsman: R.B. Milo, advocaat te Tilburg.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 06 november 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is – na een vordering wijziging tenlastelegging - ten laste gelegd dat:

hij op meerdere momenten in of omstreeks de periode van 01 september 2013 tot en met 5 december 2013 te Lent, gemeente Nijmegen, en/of gemeente Lingewaard, in ieder geval in Nederland, (telkens) met [slachtoffer] , geboortedatum [geboortedatum 2] , buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande

uit het betasten van de billen en/of de penis van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

[slachtoffer] , geboortedatum [geboortedatum 2] , (hierna te noemen: [slachtoffer] ) heeft van september 2013 tot en met 5 december 2013 voor verdachte gewerkt in de kassen in Lent.2

Op een bepaald moment, terwijl verdachte aan het werk was in Lent, heeft verdachte [slachtoffer] bij zijn billen geraakt.

Een andere keer is [slachtoffer] na het gif spuiten met verdachte mee gegaan naar het huis van de moeder van verdachte in Ressen om daar te douchen. Verdachte heeft [slachtoffer] tijdens dat douchen over zijn blote lichaam ingezeept.

Daarnaast heeft verdachte [slachtoffer] (bedekte) piemel geraakt op het moment dat verdachte [slachtoffer] hielp bij het aantrekken van een maillot.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Verdachte ontkent dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd.

De gebeurtenissen, waarop de tenlastelegging ziet, worden op een verkeerde manier uitgelegd. Daarbij is van belang dat er sprake is van een één-op-één situatie, en is de aangifte het enige bewijsmiddel.

Ten aanzien van het aanraken van de billen ontkent cliënt dat hij de billen heeft betast. Hij heeft ‘slechts’ een tik tegen de kont gegeven en dat was achteraf dom, maar dat was niet meer dan een misplaatse uiting van jovialiteit. Het had geen seksuele betekenis.

Dit geldt ook voor het inzepen bij het douchen. Verdachte ontkent dat hij bij het inzepen de billen van [slachtoffer] heeft geraakt, en op grond van alleen de aangifte kan dit niet worden bewezen. Daarnaast had ook dit inzepen geen seksuele betekenis.

Met betrekking tot het raken van de (bedekte) piemel van [slachtoffer] , heeft verdachte aangevoerd dat, dit niet opzettelijk is gebeurd.

Beoordeling door de rechtbank

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit - dat ziet op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan - heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:957.

Het is een feit van algemene bekendheid dat in zedenzaken vaak sprake is van één-op-één situaties. Daarmee is echter niet gezegd dat het feit dus niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Om het feit wettig en overtuigend te kunnen bewijzen moet de betreffende getuigenverklaring voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

[slachtoffer] heeft over het incident met de billen verklaard dat verdachte eerst een opmerking plaatste over dat als hij zou gaan groeien, eerst zijn kont groter zou worden en dat verdachte daarna langs hem liep en met twee handen zijn kont aan raakte. Hij verklaarde: ‘Hij pakte mijn kont vast met zijn vingers onder mijn billen. Dit deed hij een paar seconden en ik vond het niet prettig. Dit heeft hij twee keer gedaan.’4

Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat [slachtoffer] en hij inderdaad een gesprek hebben gehad over ‘groeien’ en dat hij toen verdachte een paar tikken tegen de kon heeft gegeven.5

De rechtbank overweegt dat de verklaring van [slachtoffer] (gedeeltelijk) steun vindt in de verklaring van verdachte.

Dit geldt eveneens voor het inzepen tijdens het douchen. Verdachte heeft bevestigd dat hij [slachtoffer] met shampoo heeft ingezeept tijdens het douchen.6

[slachtoffer] verklaarde dat verdachte hierbij ook zijn billen heeft ingezeept.

Hij verklaarde: ‘Hij stond de hele tijd bij mij in de badkamer te kijken. […] Toen ik de shampoo kreeg, zei hij dat ik mijn haren moest wassen. Terwijl ik daar mee bezig was, voelde ik dat [verdachte] mijn rug aan het insmeren was. Eerst mijn billen en rug en daarna mijn borst dus’.7

De moeder van verdachte verklaarde dat [slachtoffer] een keer thuis kwam nadat hij had gewerkt en dat hij vertelde ‘dat er iets geks was gebeurd’. Hij vertelde dat hij moest douchen terwijl [verdachte] keek.8

De rechtbank overweegt dat ook voor dit gedeelte de verklaring van [slachtoffer] steun vindt in ander bewijsmateriaal.

Met betrekking tot het incident waarbij verdachte de (bedekte) piemel van [slachtoffer] zou hebben geraakt heeft [slachtoffer] verklaard: ‘Toen ik mijn maillot bij hem thuis aan moest trekken, hielp hij mij en toen ging hij met zijn hand over mijn piemel. Hij wreef er een paar keer overheen. Ik had alleen een onderbroek onder de maillot.’9

Getuige [getuige 1] , die samen met [slachtoffer] die dag bij verdachte was verklaarde dat verdachte [slachtoffer] hielp bij het aantrekken van de maillot en dat [slachtoffer] vlak daarna tegen hem, getuige, had gezegd ‘hij zat aan me’. Hij verklaarde dat [slachtoffer] daarbij ‘een beetje geschrokken’ keek.10

Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij [slachtoffer] heeft geholpen met het aantrekken van de maillot.11

De rechtbank overweegt dat de verklaring van aangever [slachtoffer] op verschillende punten en bij ieder incident opnieuw ondersteuning vindt in andere bewijsmiddelen.

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

De rechtbank gaat daarbij uit van de verklaring van aangever.

Dat verdachte ‘per ongeluk’ de piemel van verdachte heeft geraakt, wordt daarom weerlegd met aangevers verklaring dat verdachte er ‘een paar keer over heen wreef’12.

De rechtbank verwerpt eveneens het verweer van de verdediging dat geen sprake was van ontuchtige handelingen, maar ‘slechts’ van joviaal gedrag.

Als volwassen man een jongen van [leeftijd] onder de douche inzepen (waarbij in dit geval ook de billen werden ingezeept en een en ander zonder verontschuldigbare reden), is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de sociaal-ethische norm en daarmee ontuchtig.

Dit geldt ook voor het ‘met twee handen, gedurende enkele seconden bij de billen vastpakken’.

3. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op meerdere momenten in of omstreeks de periode van 01 september 2013 tot en met 5 december 2013 te Lent, gemeente Nijmegen, en/of gemeente Lingewaard, in ieder geval in Nederland, (telkens) met [slachtoffer] , geboortedatum [geboortedatum 2] , buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de billen en/of de penis van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

‘met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd’

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht inclusief meldplicht en behandelplicht (ambulante behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling), een verbod op het in dienst nemen van jongens onder de 18 jaar en het zich onthouden van vrijwilligerswerk waarin sprake is van contacten met jongeren onder de 18 jaar en voorts tot het verrichten van 180 uren werkstraf, te vervangen door 90 dagen hechtenis en voorts met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank gevraagd bij oplegging van een straf rekening te houden met de effecten die deze zaak al voor verdachte heeft gehad.

Daarnaast heeft de verdediging vraagtekens geplaatst bij de noodzaak van een verplichte behandeling, juist nu verdachte al vrijwillig behandeling volgt. De verdediging verzet zich ook tegen de bijzondere voorwaarde van het verbod op het in dienst nemen van jongens onder de 18 jaar. Dit zal verdachte veel geld gaan kosten.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 30 september 2015;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 15 oktober 2015;

- een psychologisch rapport van drs. [naam] , klinische psycholoog, gedateerd 20 augustus 2015.

Verdachte heeft ontuchtige handeling gepleegd bij een destijds [leeftijd] jongen door deze jongen onder de douche in te zepen en door hem (over zijn kleding) te betasten bij zijn billen en penis.

Ontuchtige handelingen plegen met jeugdigen onder de zestien is strafbaar gesteld juist omdat van jeugdigen tussen de twaalf en zestien jaren bekend is dat zij zelf hun grenzen vaak moeilijk aan kunnen geven. Dat dit ook het geval was in onderhavige zaak blijkt alleen uit de verklaring van het slachtoffer waarin hij aangeeft dat hij niets tegen verdachte durfde te zeggen. Jeugdigen in die leeftijd zijn daarnaast extra kwetsbaar omdat zij juist op dat moment hun seksualiteit aan het ontdekken zijn. Verdachte heeft door zijn handelen deze ontwikkeling geschaad en de rechtbank neemt hem dat kwalijk. De rechtbank neemt verdachte voorts kwalijk dat hij door de feiten grotendeels te ontkennen geen verantwoording heeft genomen voor zijn gedrag.

De rechtbank acht gelet hierop de door de officier van justitie gevorderde straf passend.

De rechtbank overweegt in het bijzonder dat, hoewel de rechtbank zich realiseert dat een van de op te leggen bijzondere voorwaarden, namelijk het verbod op het in dienst nemen van jongens onder de 18 jaar, een behoorlijke impact kan hebben op het bedrijf van verdachte, zij deze voorwaarde toch op zal leggen. De rechtbank acht dit noodzakelijk, juist nu verdachte geen verantwoording neemt voor zijn gedrag en hij zelf van oordeel is dat hij de grenzen van het betamelijke niet is overgegaan. De rechtbank ziet in deze houding een kans op herhaling en acht daarom de genoemde voorwaarden, evenals de gevorderde behandeling bij Kairos, noodzakelijk.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarde(n) dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van een Kairos of een soortgelijke ambulante forensische instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn relationele, emotionele en gedragsproblematiek, ook als dit problemen van seksuele aard zijn;

- zolang de reclassering dit noodzakelijk acht geen jongens onder de 18 jaar in dienst neemt in zijn bedrijf

- zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zich onthoudt van vrijwilligerswerk waarin duidelijk sprake is van contacten met jongeren onder de 18 jaar.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 een werkstraf gedurende 180 (honderdtachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Gerritsen (voorzitter), mr. A.M. van Gorp en mr. D.S.M. Bak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y. Rikken, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 november 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district , opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL07AH-2014010917, gesloten op 9 september 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 5 maart 2014, p. 21-22.

3 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 6 november 2015.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 23.

5 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 6 november 2015.

6 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 6 november 2015.

7 Proces-verbaal van aangifte, p. 23.

8 Proces-verbaal verhoor [getuige 2] , p. 28.

9 Proces-verbaal van aangifte, p. 23.

10 Proces-verbaal verhoor [getuige 1] , p. 43.

11 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 6 november 2015.

12 Proces-verbaal van aangifte, p. 23.