Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7191

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
4206814
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsopdracht. Zorgkantoor heeft verstrekt PGB teruggevorderd van klant.

Klant vordert dit in deze zaak van zorgverlener. Klant dient te bewijzen dat geen

kwalitatief verantwoorde zorg is geleverd door zorgverlener.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 4206814 \ CV EXPL 15-9218 \ 574 \ 647

uitspraak van 18 november 2015

vonnis

in de zaak van

[Eiser]

[woonplaats]

eisende partij

gemachtigde F.A. Vooren van stichting SBWH

tegen

de stichting

Stichting Job Lanceer, Re-integratie Jongeren en Jong-volwassenen

gevestigd te Tiel

gedaagde partij

gemachtigde A.J. Bosschaart

Partijen worden hierna [Eiser] en Job Lanceer genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 juli 2015 en de daarin genoemde processtukken

- de brief van 17 augustus 2015 met producties van de zijde van [Eiser]

- de comparitie van partijen van 28 augustus 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Aan [Eiser] is bij twee afzonderlijke toekenningsbeschikkingen door het zorgkantoor een persoonsgebonden budget (PGB) toegekend over het budgetjaar 2012 respectievelijk 2013. Het PGB is door het zorgkantoor in de vorm van voorschotten aan [Eiser] verstrekt.

2.2.

Job Lanceer is een zorgverlener.

2.3.

[Eiser] heeft op 1 december 2012 met Job Lanceer een zorgovereenkomst gesloten op grond waarvan Job Lanceer aan [Eiser] zorg heeft verleend in de periode

1 december 2012 tot 1 maart 2013. Job Lanceer heeft in het kader van die zorgovereenkomst op 10 december 2012 een zorgplan opgesteld voor [Eiser] .

2.4.

Job Lanceer heeft voor de verleende zorg facturen verstrekt aan [Eiser] voor een totaalbedrag van € 17.544,00. In die facturen heeft Job Lanceer vier verschillende soorten zorg/dienstverlening gedeclareerd:

- Persoonlijke Verzorging (code PV)

- Kort Verblijf (code KV)

- Begeleiding Groep (code BGG)

- Begeleiding Individueel (code BGI).

2.5.

De facturen zijn onder protest van [Eiser] voldaan door de bewindvoerder van [Eiser] .

2.6.

Het zorgkantoor heeft de uitbetaalde voorschotten PGB die besteed zijn aan de inkoop van zorg van Job Lanceer volledig teruggevorderd van [Eiser] . De daartegen gerichte bezwaarschriften van [Eiser] zijn door het zorgkantoor ongegrond verklaard.

2.7.

[Eiser] heeft Job Lanceer aansprakelijk gesteld voor de schade die ze lijdt door de terugvordering van het PGB en haar gesommeerd om dit bedrag van € 17.544,00 aan haar te voldoen.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[Eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Job Lanceer te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 18.694,30, bestaande uit € 17.544,00 voor het door het zorgkantoor teruggevorderde bedrag aan PGB en € 1.150,30 voor buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van Job Lanceer in de proceskosten.

3.2.

[Eiser] stelt dat het zorgkantoor de declaraties van Job Lanceer heeft afgekeurd omdat er geen kwalitatief verantwoorde PGB-zorg is verleend door Job Lanceer. Het zorgkantoor heeft de facturen van Job Lanceer aangemerkt als fictief en frauduleus.

Het zorgkantoor heeft hierdoor de aan [Eiser] uitgekeerde voorschotten PGB voor een bedrag van € 17.544,00 teruggevorderd. [Eiser] lijdt hierdoor schade waarvoor Job Lanceer op grond van wanprestatie aansprakelijk is.

3.3.

Job Lanceer voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen is na afloop van de comparitiezitting geen gelegenheid geboden stukken in het geding te brengen. Echter, de kantonrechter ziet in het ter comparitiezitting besprokene aanleiding het concept eindrapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg d.d.

10 september 2015, dat door Job Lanceer op 15 september 2015 aan de rechtbank is toegezonden, om proceseconomische redenen als processtuk toe te laten. Dat stuk zou anders bij de conclusie na bewijslevering alsnog worden ingebracht. [Eiser] zal nog wel de gelegenheid geboden worden te reageren op dit stuk (zie hierna rechtsoverweging 5.6).

4.2.

Het vertrekpunt in deze zaak is dat het zorgkantoor de door [Eiser] verantwoorde kosten van haar zorgverlener Job Lanceer heeft afgekeurd en de uitgekeerde voorschotten PGB ten bedrage van € 17.544,00, die door [Eiser] zijn uitgegeven aan de zorgverlening door Job Lanceer, volledig heeft teruggevorderd van [Eiser] . In geschil is of Job Lanceer een verwijt valt te maken van die terugvordering. In dat kader moet worden beoordeeld of Job Lanceer toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van de zorgovereenkomst doordat zij geen kwalitatief verantwoorde zorg, die voor vergoeding uit het PGB in aanmerking komt, heeft geleverd aan [Eiser] , zoals [Eiser] stelt en Job Lanceer gemotiveerd betwist.

4.3.

De kantonrechter constateert allereerst dat van het door Job Lanceer gefactureerde totaalbedrag voor verleende zorg onderdeel uitmaakt een factuur van € 840,00 voor kort verblijf in de maand december 2012. Dit betreft de huur die [Eiser] heeft moeten betalen aan Job Lanceer voor haar huisvesting. [Eiser] erkent dat zij die huisvesting heeft genoten. Er zijn geen aanknopingspunten dat die kosten voor huisvesting niet reëel zijn, zodat [Eiser] die factuur voor kort verblijf terecht verschuldigd is geraakt en dus niet als schade kan verhalen op Job Lanceer. Dit betekent dat de vordering voor dat gedeelte in ieder geval niet toewijsbaar is. Ten aanzien van de overige facturen wordt als volgt overwogen.

4.4.

Job Lanceer betwist dat zij wanprestatie heeft gepleegd. Zij voert aan dat zij kwalitatieve en intensieve zorg heeft verleend aan [Eiser] conform de zorgovereenkomst, het zorgplan en de zorgindicatie van [Eiser] en voorts dat zij voor die zorgverlening juist heeft gefactureerd. Een terugvordering van PGB gelden doet niet af aan de correct verleende zorg en de daarmee verband houdende facturen. Ter nadere onderbouwing van de facturen heeft Job Lanceer een urenverantwoording van de aan [Eiser] verleende zorg overgelegd. Op de comparitiezitting heeft Job Lanceer aangegeven te beschikken over een volledig zorgdossier van [Eiser] , dat met instemming van [Eiser] aan de rechtbank ter beschikking kan worden gesteld.

4.5.

Ter onderbouwing van haar stelling dat Job Lanceer geen kwalitatief verantwoorde zorg heeft verleend, verwijst [Eiser] naar het standpunt van het zorgkantoor in het terugvorderingstraject over de zorgverlening door Job Lanceer. Door [Eiser] zijn de beschikkingen op het bezwaar over de terugvordering van het PGB over het budgetjaar 2012 en 2013 en het verslag van de telefonische hoorzitting naar aanleiding van het bezwaarschrift van [Eiser] tegen de terugvorderingsbeschikkingen overgelegd. Andere bescheiden omtrent de terugvordering ontbreken. Het staat [Eiser] vrij om die stukken alsnog over te leggen ter uitvoering van het hetgeen hierna in rechtsoverweging 5.3 is bepaald. Hoewel uit de overgelegde stukken blijkt dat het zorgkantoor de gedeclareerde zorgkosten van Job Lanceer heeft afgekeurd omdat door Job Lanceer geen kwalitatief verantwoorde zorg zou zijn verleend, kan daaruit niet zonder meer worden afgeleid dat door Job Lanceer ook daadwerkelijk geen kwalitatief verantwoorde zorg is geleverd. Immers, het oordeel van het zorgkantoor is gebaseerd op het gekleurde en eenzijdige verhaal van [Eiser] als ontevreden klant, dat zij geen goede zorg heeft ontvangen van Job Lanceer en dat die zorg haar niet verder heeft geholpen. Job Lanceer is daarin in het geheel niet gekend door het zorgkantoor en ook is niet gebleken dat het zorgkantoor anderszins onderzoek heeft gedaan naar de objectieve kwaliteit van de door Job Lanceer verleende zorg.

4.6.

Ook uit het eind 2014 ingestelde onderzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg kan niet worden afgeleid dat door Job Lanceer geen kwalitatief verantwoorde zorg is geleverd. De inspectie heeft allereerst geen onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de inhoud van de zorgverlening van Job Lanceer, maar naar verschillende organisatorische aspecten waaraan Job Lanceer als zorginstelling moet voldoen. Door de inspectie is onderzocht of door Job Lanceer voldoende voorwaardenscheppende maatregelen zijn getroffen die leiden tot het bieden van verantwoorde zorg. In het concept eindrapport van

10 september 2015 concludeert de inspectie bovendien dat Job Lanceer voldoet aan de wettelijke vereisten en randvoorwaarden voor het leveren van verantwoorde en veilige zorg.

4.7.

Gelet op de gemotiveerde betwisting van Job Lanceer, rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv, op [Eiser] de last haar stelling te bewijzen dat Job Lanceer aan haar geen kwalitatief verantwoorde zorg, die voor vergoeding uit het PGB in aanmerking komt, heeft geleverd. Nu [Eiser] bewijs heeft aangeboden van haar stelling, zal zij daartoe in de gelegenheid worden gesteld.

4.8.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

stelt [Eiser] in de gelegenheid te bewijzen dat Job Lanceer aan haar geen kwalitatief verantwoorde zorg, die voor vergoeding uit het PGB in aanmerking komt, heeft geleverd,

5.2.

bepaalt dat [Eiser] zich op de rolzitting van 2 december 2015 schriftelijk kan uitlaten over de vraag hoe zij het bewijs wil leveren,

5.3.

bepaalt dat, als [Eiser] enkel bewijs wil leveren door middel van schriftelijke stukken, zij deze stukken op de hiervoor vermelde rolzitting over moet leggen,

5.4.

bepaalt dat [Eiser] , als zij bewijs door getuigen wil leveren, de naam en woonplaats van de te horen getuigen moet opgeven met de verhinderdata van haarzelf, haar gemachtigde en de getuigen en zo mogelijk van de tegenpartij, waarna een dag voor het getuigenverhoor zal worden vastgesteld,

5.5.

bepaalt dat, als een getuigenverhoor wordt gehouden, beide partijen daarbij aanwezig moeten zijn om eventueel aansluitend aan het verhoor de zaak te bespreken en om te bekijken of een schikking mogelijk is,

5.6.

bepaalt dat beide partijen de stukken waarvan zij zich willen bedienen bij de bewijslevering uiterlijk twee weken vóór de eerste enquêtedag in afschrift aan de kantonrechter en aan de wederpartij moeten toesturen en bepaalt dat [Eiser] ook op die wijze kan reageren op het concept eindrapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg d.d. 10 september 2015,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2015.

Coll.: HS