Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7101

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4739
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verklaring van rijvaardigheid in verband met frauderende examinator. Het intrekkingsbesluit heeft geen punitief maar een reparatoir karakter, wat meebrengt dat de feiten waarop verweerder de intrekking baseert niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid hoeven vast te staan, maar slechts aannemelijk hoeven te zijn. Verweerder kan van zijn intrekkingsbevoegdheid gebruik maken, indien daarvoor valide redenen bestaan. Verweerder zal daarbij de betrokken belangen moeten afwegen. De bestuurlijke rapportage geeft blijk van zodanig ernstige feiten bij de examinator en de betrokken rijscholen dat verweerder, gelet op het grote belang van de verkeersveiligheid, gehouden was zorgvuldig te onderzoeken bij welke personen moest worden aangenomen dat de verklaring van rijvaardigheid ten onrechte was verleend.

De daarbij gehanteerde indicatoren acht de rechtbank relevant, voldoende overtuigend en voldoende toegesneden op de vraag of in een concreet geval voldoende aannemelijk is dat een verklaring van rijvaardigheid ten onrechte is verleend.

Verweerder mocht dan ook die indicatoren – en het minimaal vereiste aantal daarvan – als toetsingskader bij de uitoefening van zijn intrekkingsbevoegdheid hanteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/4739

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper),

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen te Rijswijk, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser afgegeven verklaring van rijvaardigheid ingetrokken.

Bij besluit van 23 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 22 september 2015 heeft verweerder stukken ingezonden en met betrekking tot een aantal van die stukken een verzoek om geheimhouding op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan. Bij beslissing van 2 oktober 2015 heeft de rechtbank in een andere samenstelling op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb geoordeeld dat er gewichtige redenen zijn om de beperkte kennisneming gerechtvaardigd te achten. Bij brief van 12 oktober 2015 heeft eiser de vereiste toestemming geweigerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. E.C. Berkouwer en J. Kroon, werkzaam bij verweerder.

Overwegingen

1. Medio 2014 is verweerder ervan op de hoogte geraakt dat een bij hem werkzame examinator (hierna: de examinator) en een aantal rijscholen samenwerkten. Een vergelijking van slagingspercentages bij deze rijscholen in combinaties waarin de examinator verantwoordelijk was met andere slagingspercentages bracht een opvallend hoog aantal geslaagde rijexamenkandidaten aan het licht. Verweerder heeft een bedrijfsrecherchebureau ingeschakeld om nader onderzoek te doen. De uitkomsten van dit onderzoek hebben ertoe geleid dat verweerder op 14 augustus 2014 en 8 september 2014 aangifte heeft gedaan van valsheid in geschrifte en oplichting. Deze aangifte betrof zowel de examinator als de rijscholen met wie hij heeft samengewerkt. De politie heeft nader onderzoek gedaan en op 21 januari 2015 een bestuurlijke rapportage (hierna: de rapportage) opgesteld. In deze rapportage is vermeld dat de examinator in de periode van 7 februari 2011 tot 3 oktober 2014, in nauwe en bewuste samenwerking met zes verdachte rijscholen, kandidaten - tegen betaling - liet slagen voor het rijvaardigheidsexamen. Het ging hierbij om de Nader Onderzoek-rijexamens (B-NO) - de oude Staatsexamens - of faalangst-rijexamens (B-FA). De kandidaten betaalden tot enkele duizenden euro’s aan de rijschoolhouder en de examinator ontving per kandidaat een bedrag van € 500,- om de kandidaat te laten slagen. De examinator heeft bekend en ook een aantal van de rijschoolhouders, onder wie de houder van de rijschool van eiser, heeft een bekennende verklaring afgelegd.

2. Om inzicht te krijgen hoeveel kandidaten in de bewuste periode ten onrechte, vermoedelijk tegen betaling van geld, geslaagd zijn voor hun rijvaardigheidsexamen heeft de politie nader onderzoek gedaan. De politie heeft negen indicatoren opgesteld aan de hand waarvan is bepaald in welke gevallen een redelijk vermoeden bestaat dat de kandidaat ten onrechte is geslaagd. Dit is in een proces-verbaal van 23 januari 2015 uiteengezet. Er is ook een Excelbestand bijgevoegd, waarin in kaart is gebracht op welke personen welke indicatoren betrekking hebben. Zowel het proces-verbaal als het Excelbestand zijn bijlagen bij de eerdergenoemde bestuurlijke rapportage. Het gaat daarbij - kort weergegeven - om de volgende negen indicatoren:

  1. De kandidaat heeft rijexamen gedaan bij de verdachte examinator;

  2. De kandidaat heeft rijexamen gedaan via één van de zes verdachte rijscholen:

  3. Er bestaat een grote afstand tussen de woonplaats van de kandidaat en de examenlocatie;

  4. De kandidaat is na minimaal vier keer te zijn gezakt voor het rijvaardigheidsexamen veranderd van rijschool en heeft daarbij gekozen voor één van de verdachte rijscholen;

  5. Uit het proces-verbaal blijkt dat een kandidaat ten onrechte is geslaagd (dit is politie-informatie uit het onderzoekdossier);

  6. Uit tapgesprekken blijkt dat afspraken zijn gemaakt over examens tussen de examinator en één van de rijschoolhouders (dit is politie-informatie uit het onderzoekdossier);

  7. Uit sms/WhatsApp-berichten blijkt dat afspraken zijn gemaakt over examens tussen de examinator en een van de rijschoolhouders (dit is politie-informatie uit het onderzoekdossier);

  8. Uit aanvullende sms/WhatsApp-berichten blijkt dat afspraken zijn gemaakt over examens tussen de examinator en een van de rijschoolhouders (dit is politie-informatie uit het onderzoekdossier);

  9. Betrokkenheid bij verkeersincidenten.

Er ontstaat volgens de politie pas een redelijk vermoeden dat de kandidaat ten onrechte is geslaagd als naast de eerste twee indicatoren minimaal één van de overige indicatoren van toepassing is. Verweerder heeft dit uitgangspunt overgenomen bij zijn beoordeling of voldoende aannemelijk is geworden dat een verklaring van rijvaardigheid destijds ten onrechte is verleend.

3. Verweerder heeft aan de intrekking van de verklaring van rijvaardigheid van eiser ten grondslag gelegd dat deze op 15 maart 2012 examen heeft gedaan bij de examinator via [rijschool] één van de verdachte rijscholen. De eerste twee indicatoren zijn dan ook van toepassing. Eiser is woonachtig in [woonplaats] maar maakte gebruik van een rijschool die in [elders] is gevestigd. De afstand tussen het woonadres en het adres waarop de rijschool is gevestigd, bedraagt bijna tweehonderd kilometer. De derde indicator is derhalve van toepassing. Voorts is de vierde indicator ook van toepassing. Tijdens de tien rijexamens die eiser eerst heeft afgelegd, scoorde eiser op meerdere belangrijke onderdelen onvoldoende. Vervolgens is eiser, na voor die tien pogingen bij andere, niet-verdachte rijscholen les te hebben gehad en rijexamen te hebben afgelegd, overgestapt naar de onderhavige verdachte rijschool. Eiser is daar bij zijn eerste poging bij de examinator geslaagd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het intrekkingsbesluit gehandhaafd.

4. Niet in geschil is dat de voornoemde vier indicatoren op eiser van toepassing zijn.

5. Eiser heeft aangevoerd dat niet vast staat dat zijn rijvaardigheidsverklaring door fraude is verkregen. Dat op grond van de indicatoren sprake is van een sterk vermoeden is daarvoor niet voldoende. Er moet buiten redelijke twijfel vaststaan dat eiser de verklaring van rijvaardigheid op frauduleuze wijze heeft verkregen. Het staat niet vast dat de rijvaardigheid van eiser onder de maat is, noch staat vast dat eiser tijdens zijn examen niet voldeed aan de eisen.

6. De rechtbank stelt voorop dat noch in het Reglement rijbewijzen noch in andere voorschriften is geregeld wanneer verweerder bevoegd is een verklaring van rijvaardigheid in te trekken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de bevoegdheid om een verklaring van rijvaardigheid af te geven de bevoegdheid impliceert om een dergelijke verklaring in te trekken. Verweerder kan van zijn intrekkingsbevoegdheid gebruik maken, indien daarvoor valide redenen bestaan. Verweerder zal daarbij de betrokken belangen moeten afwegen. De eerdergenoemde bestuurlijke rapportage geeft blijk van zodanig ernstige feiten bij de examinator en de betrokken rijscholen dat verweerder, gelet op het grote belang van de verkeersveiligheid, gehouden was zorgvuldig te onderzoeken bij welke personen moest worden aangenomen dat de verklaring van rijvaardigheid ten onrechte was verleend.

De daarbij gehanteerde indicatoren acht de rechtbank relevant, voldoende overtuigend en voldoende toegesneden op de vraag of in een concreet geval voldoende aannemelijk is dat een verklaring van rijvaardigheid ten onrechte is verleend.

Verweerder mocht dan ook die indicatoren – en het minimaal vereiste aantal daarvan – als toetsingskader bij de uitoefening van zijn intrekkingsbevoegdheid hanteren.

De rechtbank tekent hierbij aan dat het intrekkingsbesluit geen punitief maar een reparatoir karakter heeft, wat meebrengt dat de feiten waarop verweerder de intrekking baseert niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid hoeven vast te staan, maar slechts aannemelijk hoeven te zijn.

7. Voor de vraag of gezegd moet worden dat verweerder, gelet op de betrokken belangen, in redelijkheid niet tot de intrekking van de rijvaardigheidsverklaring heeft kunnen komen acht de rechtbank voorts van belang dat eisers rijvaardigheid recent als onvoldoende is beoordeeld. Verweerder heeft eiser tijdens de bezwaarprocedure de mogelijkheid geboden om door middel van een rijvaardigheidsbeoordeling aan te tonen dat hij op verantwoorde wijze aan het verkeer kan deelnemen. Eiser heeft hiervan gebruik gemaakt. Twee examinatoren hebben de rijvaardigheid van eiser beoordeeld. Deze examinatoren hebben aangegeven dat eiser te snel op

kruispunten af reed en dan te laat in de gaten had dat er een zijweg kwam, waardoor eiser te laat en te sterk remde en de voorkant van de auto een soort van duik nam, waardoor de inzittenden van de auto uit de rugleuning kwamen door de snelheid en remkracht. Eiser reed structureel veel te hard zowel in woongebieden als binnen de bebouwde kom en remde te abrupt, hetgeen verkeersgevaarlijke situaties opleverde. Eiser heeft daarom een negatief rijadvies gekregen. Eisers kritiek op deze beoordeling onderschrijft de rechtbank niet. Anders dan namens eiser is betoogd is deze beoordeling inzichtelijk, nu de examinatoren hebben aangegeven op welke toetsonderdelen eiser onvoldoende scoort en zij ook verwoord hebben hetgeen zij meer in het algemeen van eisers rijgedrag vinden. Dat verweerder de herbeoordelingsproef niet op video heeft vastgelegd, hetgeen overigens niet gebruikelijk is, doet aan het vorenstaande niet af. Verweerder heeft in het resultaat van de herbeoordeling naar het oordeel van de rechtbank dan ook een extra bevestiging mogen zien van de conclusie dat het aannemelijk is dat de verklaring van eisers rijvaardigheid indertijd ten onrechte is verleend.

8. Op grond van het bovenstaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, voorzitter, mr. L. van Gijn en mr. R.J.B. Schutgens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.