Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7057

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-06-2015
Datum publicatie
17-11-2015
Zaaknummer
KG KV 15/490
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Beslissing van de kantonrechter om de zitting te laten doorgaan niet zo onbegrijpelijk dat geen andere verklaring is te geven dan dat deze is ingegeven door vooringenomenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingsnummer: KG KV 15/490

Beslissing van 22 juni 2015 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot wraking van:

[de kantonrechter] ,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de kantonrechter.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Verzoeker is partij in een procedure (zaaknummer [zaaknummer] / CV EXPL [zaaknummer] ) tussen hem en de besloten vennootschap [BV] B.V. (hierna: [BV] ). In deze procedure, die – na verwijzing door de kantonrechter van de rechtbank Maastricht – aanhangig is bij de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald op [datum] , om 15:30 uur.

1.2.

In de ochtend van [datum] is namens verzoeker aan de rechtbank bericht dat verzoeker de dag ervoor door zijn rug is gegaan en dat hij om die reden niet ter zitting kan verschijnen. Aan (het kantoor van) verzoeker is vervolgens telefonisch door de griffie medegedeeld dat, als niet vóór 13:30 uur een medische verklaring zou zijn overgelegd, de zitting doorgang zou vinden. Daarop is namens verzoekers een faxbericht aan de rechtbank gestuurd dat het logistiek niet haalbaar is om voor 13:30 uur een medische verklaring te sturen maar dat die verklaring zo snel als mogelijk zal worden toegezonden. Na het verstrijken van de termijn heeft verzoeker per faxbericht een verklaring van zijn huisarts overgelegd. Vervolgens is (het kantoor van) verzoeker medegedeeld dat de comparitie van partijen doorgang zal vinden om 15:30 uur, dat er een proces-verbaal van opgemaakt zal worden en dat verzoeker daar dan nog op mag reageren.

1.3.

Nadat de comparitie van partijen was aangevangen, heeft verzoeker bij faxbericht van [datum] , 15:42 uur, de kantonrechter gewraakt. De kantonrechter heeft de zitting geschorst.

1.4.

De kantonrechter heeft niet in de wraking berust. Door de kantonrechter is een verweerschrift, gedateerd 28 mei 2015, ingediend.

1.5.

Het wrakingsverzoek is door de wrakingskamer behandeld op de zitting van 8 juni 2015. Verzoeker en de kantonrechter zijn bij de behandeling verschenen. Na sluiting van de behandeling is medegedeeld dat de wrakingskamer binnen twee weken uitspraak zal doen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoeker heeft – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd.

2.2.

Verzoeker vindt de gevolgde gang van zaken betreffende de overlegging van een medische verklaring ongebruikelijk. Daarnaast vindt hij dat niet schadebeperkend is gehandeld, onder andere doordat laat is gereageerd en korte termijnen zijn gehanteerd. Ten derde stelt verzoeker zich op het standpunt dat de kantonrechter heeft gekozen voor een vooringenomen benadering door een ziekmelding van een procespartij niet te willen aannemen, waarbij het er kennelijk niet toe doet of een arts stellingen kan bevestigen en het kennelijk niet uitmaakt wat een procespartij stelt. Ten slotte wijst verzoeker erop dat rechters het procesrecht niet mogen misbruiken om essentiële rechten van een rechtzoekende te schenden of te negeren, zoals het aanwezigheidsrecht en het recht van vrije raadsmankeuze. Zijn recht is geschonden doordat het voor hem onmogelijk was om bij de comparitie van partijen aanwezig te zijn, aldus verzoeker. Dat de kantonrechter hem de gelegenheid wilde geven om op een op te maken proces-verbaal te reageren, doet daar volgens hem niet aan af omdat de balans tussen partijen dan ontbreekt.

2.3.

Tijdens de zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker bovendien verzocht om de behandeling van zijn wrakingsverzoek te verwijzen naar een andere rechtbank. Hij stelt – onder verwijzing naar een artikel op rechtspraak.nl – dat het niet van deze tijd is dat rechters van een zelfde rechtbank als de gewraakte rechter (een collega) oordelen over een wrakingsverzoek.

3 Het standpunt van de kantonrechter

3.1.

De kantonrechter heeft het wrakingsverzoek gemotiveerd weersproken.

Zij heeft daartoe onder meer de gang van zaken op [datum] als volgt geschetst.

In verband met een zitting die zij die dag ’s ochtends in een andere zaak had, heeft zij pas om 11:45 uur via een griffiemedewerker kennis genomen van het eerste faxbericht dat (een medewerker van) verzoeker die dag aan de rechtbank heeft verzonden met de mededeling dat hij niet in staat zal zijn ter zitting te verschijnen en met het verzoek om aanhouding of verplaatsing van de comparitie van partijen. De kantonrechter stelt dat de gemachtigde van [BV] op dat moment al telefonisch had medegedeeld bezwaar te hebben tegen uitstel. De kantonrechter heeft de griffiemedewerker gevraagd telefonisch bij de gemachtigde van [BV] te informeren hoe laat een beslissing over het al dan niet doorgaan van de comparitie hem uiterlijk bekend zou moeten zijn in verband met de benodigde reistijd van hem en zijn cliënten vanuit Limburg naar Arnhem. Direct nadat de gemachtigde van [BV] had bericht dat hij tussen 13:30 en 14:00 zou moeten vertrekken, heeft de kantonrechter (rond 12:00 uur) aan (het kantoor van) verzoeker laten berichten dat hij voor 13:30 uur een doktersverklaring diende toe te zenden met betrekking tot zijn onvermogen om de zitting bij te wonen en dat, indien die verklaring niet om 13:30 uur zou zijn ontvangen, de zitting doorgang zou vinden. De kantonrechter stelt dat om 13:30 uur geen doktersverklaring van verzoeker was ontvangen en dat de griffiemedewerker vervolgens eerst de gemachtigde van [BV] heeft gebeld om te berichten dat de comparitie zou doorgaan en daarna verzoeker. Verzoeker heeft vervolgens alsnog een (niet ondertekend) briefje van een huisarts gefaxt, waarin staat dat verzoeker bekend is met rugklachten en niet in de gelegenheid is om te reizen. Naar aanleiding van dit faxbericht heeft de kantonrechter rond 13:45 - 13:50 uur door de griffiemedewerker naar de gemachtigde van [BV] laten bellen om te laten informeren of naar aanleiding van de doktersverklaring alsnog ingestemd kon worden met uitstel, maar partij [BV] – die toen al onderweg was naar Arnhem – stemde niet in met uitstel. Daarop is verzoeker gebeld met de mededeling dat de comparitie zou doorgaan, aldus de kantonrechter, met de mededeling dat er een proces-verbaal van de zitting opgemaakt zal worden en dat verzoeker daar dan nog op mag reageren.

3.2.

Over de gang van zaken heeft de kantonrechter voorts gesteld dat het niet ongebruikelijk is om een procespartij die om uitstel van een zitting verzoekt in verband met ziekte te vragen om een medische verklaring. Dat verzoeker maar beperkt de tijd kreeg om die verklaring over te leggen, hield verband met de omstandigheid dat, gelet op het late tijdstip van het verzoek om uitstel en de reistijd van partijen, een snelle beslissing geboden was. Daarbij heeft de kantonrechter laten meewegen dat de zaak reeds lange tijd aanhangig is en de behandeling daarvan al aanzienlijke vertraging had opgelopen en verdere vertraging zo veel mogelijk moest worden voorkomen om redenen van goede procesorde.

3.3.

De kantonrechter stelt dat haar handelwijze op [datum] – met name de aan verzoeker gegeven reactietermijn – aldus werd ingegeven door een afweging van de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij en niet door vooringenomenheid jegens verzoeker. Daarbij heeft zij juist ook rekening gehouden met het beginsel van hoor en wederhoor en de belangen van verzoeker op dat punt door een proces-verbaal van de zitting aan verzoeker te sturen en verzoeker in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.

3.4.

Over het verzoek om het wrakingsverzoek te verwijzen naar een andere rechtbank heeft de kantonrechter zich op de wrakingszitting afgevraagd waarom verzoeker dit verzoek pas op de wrakingszitting heeft gedaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 36 Rv kan de rechter die een zaak behandelt op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Beoordeeld moet worden of de door verzoeker aangevoerde gronden dergelijke uitzonderlijke omstandigheden opleveren.

4.3.

Allereerst zal worden ingegaan op het verzoek om verwijzing van het wrakingsverzoek naar een andere rechtbank. Verzoeker heeft in dit kader verwezen naar een artikel op rechtspraak.nl en in het algemeen gesteld dat het niet van deze tijd is dat rechters van dezelfde rechtbank oordelen over een wrakingsverzoek dat betrekking heeft op een collega-rechter. Verzoeker heeft geen concrete omstandigheden genoemd met betrekking tot deze wrakingskamer en/of de kantonrechter op grond waarvan zijn verzoek zou moeten worden doorverwezen.

In het systeem van de wet ligt besloten dat de wrakingskamer bestaat uit rechters van hetzelfde gerecht waar de procedure, waarin het wrakingsverzoek werd gedaan, aanhangig is. Het op 2 april 2013 vastgestelde “Wrakingsprotocol rechtbank Gelderland”, dat is gebaseerd op de (landelijke) “Aanbeveling inzake afhandeling wrakingsverzoeken van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak van 23 januari 2001” bouwt daarop voort. Dat thans sprake is van (politieke) ontwikkelingen die in de toekomst mogelijk ertoe leiden dat wrakingsverzoeken door rechters van andere gerechten zullen worden beoordeeld, betekent niet dat rechtbanken nu al – in afwijking van de huidige regelingen – tot verwijzing dienen over te gaan. Nu verzoeker ook geen concrete omstandigheden heeft genoemd waarom in dit bijzondere geval – bij wijze van uitzondering – zou moeten worden verwezen, ziet de wrakingskamer geen aanleiding af te wijken van de algemene regeling. Het wrakingsverzoek wordt dan ook niet verwezen maar inhoudelijk beoordeeld als hierna volgend.

4.4.

Verzoeker heeft de feitelijke toedracht van de gang van zaken op [datum] , zoals door de kantonrechter uitgebreid weergegeven in haar verweerschrift, niet betwist. Daaruit blijkt dat de kantonrechter, tussen haar zittingen in andere zaken door, zo snel en adequaat als mogelijk heeft beslist over het al dan niet doorgaan van de comparitie van partijen zonder daarbij de belangen van beide partijen uit het oog te verliezen.

4.5.

De wrakingskamer stelt voorop dat zij geen appelinstantie is. Een negatief ervaren beslissing, een onwelgevallige of zelfs een beslissing waarvan de juistheid ernstig moet worden betwijfeld, is in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking. Dit is anders, als de beslissing zo zeer onbegrijpelijk is, dat voor deze beslissing redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze is ingegeven door vooringenomenheid van de rechter.

4.6.

De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter om de comparitie van partijen op [datum] doorgang te laten vinden niet zo onbegrijpelijk is dat redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze is ingegeven door vooringenomenheid van de kantonrechter. Daarbij is in aanmerking genomen dat het vragen van een medische verklaring in geval van een verzoek om aanhouding in verband met ziekte niet ongebruikelijk is en kennelijk – gelet op de uiteindelijk overgelegde verklaring – ook niet problematisch. Dat verzoeker van de kantonrechter maar beperkt de tijd kreeg om die verklaring over te leggen, was enerzijds ingegeven door het moment waarop het verzoek om aanhouding werd gedaan (en het moment waarop de kantonrechter daarvan op de hoogte raakte) en anderzijds door de benodigde reistijd van partijen (uit Limburg) naar Arnhem. Bij de beslissing van de kantonrechter om – nadat een doktersverklaring was ontvangen – de zitting niet aan te houden, is van belang geweest dat de daarvoor gegeven termijn was verstreken toen de verklaring de rechtbank bereikte, dat partij [BV] al onderweg was naar Arnhem en bezwaar had tegen aanhouding en de omstandigheid dat de zaak al zo’n lange tijd aanhangig is en de kantonrechter verdere vertraging om die reden onwenselijk achtte. Gelet op deze redenen valt niet in te zien waarom de beslissing van de kantonrechter in de hiervoor bedoelde zin onbegrijpelijk zou zijn en derhalve van vooringenomenheid zou getuigen.

4.7.

De door verzoeker aangevoerde stellingen leveren gelet op het voorgaande geen grond tot wraking van de kantonrechter op, zodat het verzoek zal worden afgewezen. De wrakingskamer beslist als hierna volgend.

5 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het wrakingsverzoek van [datum] ongegrond;

- bepaalt dat de procedure met zaaknummer [zaaknummer] / CV EXPL [zaaknummer] zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het onderhavige wrakingsverzoek werd ingediend.

Deze beslissing is gegeven door mrs. M.C. van der Mei, voorzitter, J.T.G. Roovers, K.H.A. Heenk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Oostveen-Out, griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2015.

Griffier Voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.