Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7035

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
4544406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vordering tot weder te werkstelling in kort geding toegewezen.

Gelet op de positie van werknemer en zijn lange en onberispelijke staat van dienst, had van werkgever mogen worden verwacht dat zij het door haar geconstateerde verschil van inzicht omtrent het te voeren beleid met werknemer had besproken. Door werknemer ermee te confronteren en hem per direct op non-actief te stellen, heeft werkgever niet als goed werkgever gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1211
AR 2015/2385
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 4544406 \ VV EXPL 15-239 \ 406 \ 529

uitspraak van 12 november 2015

vonnis in kort geding

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. E. van Otterloo

tegen

[gedaagde partij]

gevestigd te [vestigingsplaats]

gedaagde partij

gemachtigde mr. I.G.J. van den Broek

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 22 oktober 2015 met producties 1 t/m 10

- de door de gemachtigde van [eisende partij] bij brief van 5 november 2015 overgelegde producties 11 t/m 16, tevens akte vermindering van eis

- de door de gemachtigde van [gedaagde partij] bij brief van 4 november 2015 overgelegde

productie 1

- de door de gemachtigde van [gedaagde partij] bij brief van 6 november 2015 overgelegde productie 2

- het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van 9 november 2015

- de pleitnotities van de gemachtigde van [eisende partij]

- de pleitnotities van de gemachtigde van [gedaagde partij] .

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] is van 1992 tot 1999 in dienst bij de rechtsvoorganger van [gedaagde partij] .

2.2.

Van 1999 tot 2001 leidt [eisende partij] een groot bedrijf in de melkveehouderij met meerdere vestigingen in Duitsland.

2.3.

[eisende partij] treedt op 8 oktober 2001 in dienst bij [gedaagde partij] . Van 8 oktober 2011 tot 1 januari 2006 werkt [eisende partij] voor [gedaagde partij] in Nederland. Van 1 januari 2006 tot

1 september 2009 werkt [eisende partij] voor [naam dochtermaatschappij] (een dochtervennootschap van [gedaagde partij] ) in Nieuw Zeeland. Vanaf 1 september 2009 bekleedt [eisende partij] de functie van Managing Director van de Business Unit West-Europa voor [gedaagde partij] .

2.4.

[gedaagde partij] is een internationale onderneming op het gebied van rundveeverbetering.

Hieronder wordt verstaan de ontwikkeling, productie en verkoop van genetische producten (sperma en embryo’s) en informatieproducten (o.a. stamboekgegevens), alsmede dienstverlening aan veehouders, zoals fokkerijbegeleiding, melkproductieregistratie, kunstmatige inseminatie en vruchtbaarheidsmonitoring.

2.5.

[gedaagde partij] is een coöperatieve onderneming. De aandeelhouders van [gedaagde partij] zijn – via [gedaagde partij] Holding B.V. – twee coöperaties van veehouders, te weten de [coöperatie 1] en de [coöperatie 2] De leden van de coöperatie zijn (indirect) de aandeelhouder en eigenaar van de onderneming. De leden van de coöperatie zijn tevens de klanten van [gedaagde partij] .

2.6.

De (hoofd)directie van de Holding wordt gevormd door de heer [persoon A] (CEO, hierna: [persoon A] ), de heer [persoon B] (Operations & Development) en de heer [persoon C] (Finance & Organisation). Onder de hoofddirectie vallen 6 Business Units met elk een eigen Managing Director. [eisende partij] is Managing Director van de Business-Unit West-Europa.

2.7.

Op 15 oktober 2015 deelt [persoon A] [eisende partij] mee dat [gedaagde partij] de arbeidsovereenkomst van [eisende partij] wenst te beëindigen. [persoon A] stelt [eisende partij] per direct op non-actief en overhandigt hem aan het eind van het gesprek een brief, gedateerd op 15 oktober 2015.

2.8.

In de brief van 15 oktober 2015 bericht [gedaagde partij] [eisende partij] onder meer.

Ik heb je medegedeeld dat [gedaagde partij] de arbeidsovereenkomst met je wenst te beëindigen. De reden hiervoor is dat de Holdingdirectie en de Raad van Commissarissen heeft geconstateerd dat tussen jou en [gedaagde partij] een zodanig groot verschil van inzicht bestaat ten aanzien van de wijze waarop het beleid moet worden uitgevoerd en de organisatie moet worden aangestuurd, dat voortzetting van het dienstverband niet meer opportuun is. Inmiddels ontbreekt hierdoor ok de vertrouwensbasis om onze samenwerking te kunnen continueren. Dit is door mij met het volgende toegelicht.

Ten eerste wenst [gedaagde partij] (…) een cultuuromslag te maken van een “familiecultuur” naar een meer “ondernemende cultuur”. (…) Om zulks te bewerkstelligen is een leiderschapsstijl nodig, waarbij medewerkers direct worden aangesproken en – indien nodig – de confrontatie niet uit de weg wordt gegaan. Meerdere voorvallen uit het (recente) verleden hebben aangetoond dat jij – als het er op aankomt – kiest voor een andere richting en andere leiderschapsstijl. Dit werd zeer recent nog eens duidelijk in de wijze waarop je hebt geacteerd in de zaak rondom de defecte monsterflesjes. Voor ons is helder dat jij een andere visie hebt dan de Holdingdirectie op de wijze waarop de organisatie moet worden aangestuurd. In onze ogen houd je de familiecultuur juist in stand. Wij hebben er daarom geen vertrouwen in dat de cultuuromslag bewerkstelligd kan worden zolang jij verantwoordelijk bent voor de belangrijkste Business Unit van [gedaagde partij] . (…)

Daarnaast bestaat tussen ons een verschil van inzicht over de wijze waarop de organisatie ingericht moet worden en de wijze waarop verbinding met de klanten/aandeelhouders kan en moet worden gemaakt. Niet alleen de Holdingdirectie maar ook de RvC constateert dat jij een andere visie hebt over de rol van de klanten/aandeelhouders en hoe je deze bij de organisatie betrekt. Zowel de Holdingdirectie als de RvC is van oordeel dat het maken van de verbinding met de klant/aandeelhouder van levensbelang is voor [gedaagde partij] . Jij ziet daarentegen de noodzaak van die verbinding veel minder en bent meer gefocust op een functionele indeling van de organisatie met efficiencydoelstellingen, kostenbeheersing en verkoopstrategieën. Het belang van de verbinding met de klant/aandeelhouder wordt door jou niet of maar in beperkte mate onderschreven, in de praktijk zien we dat althans niet gebeuren. Mede hierdoor is jouw draagvlak binnen de RvC (en de Holdingdirectie) steeds kleiner geworden. (…)

Wij willen graag in goed onderling overleg met jou tot een ontslagregeling komen en zullen je daarom binnen 1 week na heden een concreet voorstel doen voor de beëindiging van jouw arbeidsovereenkomst. Intussen wordt je vrijgesteld van werk, enerzijds om jou de gelegenheid te bieden deze boodschap te verwerken en de ruimte te geven om praktisch gezien zaken te regelen, anderzijds omdat wij het niet wenselijk vinden dat je feitelijk in je functie werkzaam blijft nu je deze aanzegging hebt ontvangen. Daarvoor is jouw positie/functie te cruciaal. (…)

2.9.

[persoon A] zendt op 15 oktober 2015 een memo aan alle medewerkers van [gedaagde partij] (in het Nederlands en in het Engels). De Nederlandse versie luidt als volgt.

Beste collega’s.

Het spijt mij jullie mede te moeten delen dat [eisende partij] met ingang van vandaag niet meer werkzaam is als Managing Director van de businessunit West-Europa. De reden hiervoor is een verschil van inzicht met de directie over de aansturing van de businessunit. Vanaf vandaag zal de voorzitter van de directie, ad interim, zijn taken overnemen.

Namens de directie,

[gedaagde partij] Holding B.V.

[persoon A]

Voorzitter Directie

2.10.

Op 16 oktober 2015 heeft iemand van buiten [gedaagde partij] het navolgende bericht op Twitter geplaatst.

[gedaagde partij] directeur West Europa [eisende partij] vertrekt op staande voet.

2.11.

[gedaagde partij] zendt [eisende partij] op 20 oktober 2015 een concept-vaststellingsovereenkomst.

2.12.

[gedaagde partij] dient op 3 november 2015 een verzoek in bij de rechtbank Gelderland, kamer voor kantonzaken, tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] .

Ten tijde van deze uitspraak heeft de mondelinge behandeling nog niet plaatsgevonden.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eisende partij] vordert, na vermindering van eis, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis,

a. a) [gedaagde partij] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis over te gaan tot onvoorwaardelijke en volledige toelating van [eisende partij] tot het verrichten van zijn gebruikelijke werkzaamheden als Managing Director van de Business Unit West-Europa en zich te weerhouden van alle activiteiten die een normale uitoefening van deze functie door [eisende partij] in de weg staan;

b) bij toewijzing van het gevorderde onder a) [gedaagde partij] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis over te gaan tot het verspreiden van een communiqué in het Nederlands en in het Engels aan diegenen die ook het memo van 15 oktober jl. hebben ontvangen met de tekst zoals in punt 30 van de dagvaarding genoemd, althans met een door de voorzieningenrechter te bepalen tekst;

c) [gedaagde partij] te veroordelen om zonder nadere ingebrekestelling een dwangsom van

€ 5.000,00, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, aan [eisende partij] te voldoen, per dag of dagdeel dat [gedaagde partij] het onder a) genoemde gebod niet of niet volledig nakomt;

d) [gedaagde partij] te veroordelen om zonder nadere ingebrekestelling een dwangsom van € 5.000,00, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, aan [eisende partij] te voldoen, per dag of dagdeel dat [gedaagde partij] het onder b) genoemde gebod niet of niet volledig nakomt;

e) [gedaagde partij] te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder ook begrepen een bedrag aan salaris voor gemachtigde, alsmede [gedaagde partij] te veroordelen in de na de uitspraak vallende kosten (nakosten), te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en met bepaling dat indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis tot de dag van de algehele voldoening.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [eisende partij] – kort gezegd – dat [gedaagde partij] in strijd met het goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW heeft gehandeld, door [eisende partij] per 15 oktober 2015 per direct op non-actief te stellen. [eisende partij] betwist dat [gedaagde partij] een zwaarwegende grond heeft voor de op non-actiefstelling, terwijl [gedaagde partij] bovendien voorafgaand aan deze beslissing geen belangenafweging heeft gemaakt.

[eisende partij] wijst er op dat hij (meer dan) 14 jaar werkzaam is voor [gedaagde partij] en steeds naar volle tevredenheid heeft gewerkt, hetgeen onder meer blijkt uit het recordresultaat dat de Business Unit West-Europa in het laatste boekjaar tot en met augustus 2015 heeft behaald. Dat [eisende partij] altijd goed heeft gefunctioneerd blijkt voorts uit de hoge bonussen (maximaal of nagenoeg maximaal) die [eisende partij] in de afgelopen jaren heeft ontvangen en het feit dat [eisende partij] in juni 2014 is gevraagd om te solliciteren op een directiefunctie.

De op non-actiefstelling is voor [eisende partij] disproportioneel en diffamerend. [eisende partij] heeft daarom groot belang bij een verspreiding op de kortst mogelijke termijn van onderstaand

Communiqué, zowel in de Nederlandse als in de Engelse taal.

Beste collega’s

Anders dan de directie u bij memo van 15 oktober jl. heeft meegedeeld is [eisende partij] nog steeds in zijn functie van Managing Director van de Business Unit West-Europa bij [gedaagde partij] werkzaam. De rechter heeft geoordeeld dat [eisende partij] zijn werkzaamheden weer mag hervatten. [eisende partij] hervat zijn werkzaamheden met ingang van vandaag. Het memo van 15 oktober jl. trekt de directie bij deze in.

[gedaagde partij] Holding B.V.

[persoon A]

Voorzitter Directie

3.3.

[gedaagde partij] voert gemotiveerd verweer. Zij heeft aangevoerd dat de reden voor de op non-actiefstelling is gelegen in het verlies van vertrouwen door de hoofddirectie van [gedaagde partij] in [eisende partij] . [gedaagde partij] wijst er op dat [gedaagde partij] een coöperatieve onderneming is en dat de verbinding met haar leden van cruciaal belang is voor het voortbestaan van [gedaagde partij] . Volgens [gedaagde partij] heeft [eisende partij] een zakelijke en afstandelijke benadering en mist hij verbindende kwaliteiten. [gedaagde partij] wijst er voorts op dat er diverse ontwikkelingen gaande zijn die de markt van [gedaagde partij] negatief (kunnen gaan) beïnvloeden. Daarop moet adequaat worden geanticipeerd. Het management dient daarom op één lijn te zitten. Dat is niet het geval, nu de hoofddirectie niet het vertrouwen heeft dat [eisende partij] de noodzakelijk verbinding met de leden kan maken. Verder voert [gedaagde partij] aan dat er eind 2010 een cultuurverandering in gang is gezet, op basis waarvan de familiecultuur dient te wijzigen in een meer ondernemende en resultaatsgerichte cultuur, maar dat deze cultuurverandering binnen de Business-Unit West-Europa nog maar nauwelijks tot stand is gekomen. Vereist is een leiderschapsstijl waarbij medewerkers direct worden aangesproken en zo nodig een confrontatie niet uit de weg wordt gegaan. [gedaagde partij] wijst in dit kader specifiek op een drietal incidenten binnen de Business-Unit van [eisende partij] , te weten het handelen in strijd met de procuratiebevoegdheid (zomer 2014), het stikstof-incident (begin april 2015) en het incident met de kapotte monsternameflesjes (oktober 2015). Volgens [gedaagde partij] blijkt onder meer uit deze drie incidenten dat de Business-Unit West-Europa onvoldoende direct en scherp wordt aangestuurd en dat medewerkers niet op hun verantwoordelijkheden worden aangesproken. [gedaagde partij] is van mening dat de Business-Unit West-Europa met [eisende partij] als Managing Director niet toekomstbestendig is. Kortom, volgens [gedaagde partij] is [eisende partij] niet langer de juiste man op de juiste plek.

3.4.

Op de overige stellingen van partijen zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering.

4.2.

In deze procedure moet worden beoordeeld of de vorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat toewijzing gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kort gedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. Er is in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. De kantonrechter baseert de beslissing daarom op feiten die erkend of onweersproken zijn of die voorshands aannemelijk zijn geworden.

4.3.

Vooropgesteld wordt dat de toewijsbaarheid van een vordering van een werknemer om in de gelegenheid gesteld te worden de overeengekomen arbeid te verrichten, moet worden beoordeeld aan de hand van de algemene maatstaf van artikel 7:611 BW, die verwijst naar wat een goed werkgever behoort te doen en na te laten. Deze maatstaf brengt in het algemeen gesproken mee dat de toewijsbaarheid afhangt van de aard van de dienstbetrekking, van de overeengekomen arbeid en van de bijzondere omstandigheden van het geval (vgl. Hoge Raad 12 mei 1989, LJN: AC2497, NJ 1989, 801). Daarbij dient naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter als uitgangspunt te worden genomen dat van een werkgever, als goed werkgever, gevergd mag worden dat hij de werknemer tegen diens wil slechts de mogelijkheid mag onthouden om de overeengekomen arbeid te verrichten wanneer de werkgever daarvoor een redelijke grond heeft en dat die grond voldoende zwaar dient te wegen, gelet op het in beginsel zwaarwegend te achten belang van de werknemer om de bedongen arbeid te kunnen blijven verrichten (zie gerechtshof Leeuwarden, 29 november 2011, JAR 2012/14).

4.4.

Voldoende aannemelijk is geworden dat [eisende partij] volkomen werd verrast door de mededeling van [persoon A] op 15 oktober 2015 dat [gedaagde partij] zijn arbeidsovereenkomst wenste te beëindigen. Dit geldt temeer, nu – zoals ook door [gedaagde partij] wordt erkend – [eisende partij] zijn werkzaamheden altijd vakkundig en met grote inzet en betrokkenheid heeft verricht en gedurende lange tijd een positieve bijdrage aan de organisatie levert. Daar komt bij dat de Business-Unit West-Europa tot op heden goede resultaten heeft geboekt, mede dankzij de inzet van [eisende partij] .

4.5.

Dat [gedaagde partij] van mening is dat [eisende partij] er niet is geslaagd om een cultuurverandering te realiseren binnen de Business Unit West-Europa, kan zo zijn, maar gesteld noch gebleken is dat zij dit op enig eerder moment concreet met [eisende partij] heeft besproken en hem in de gelegenheid heeft gesteld zijn stijl van leidinggeven aan te passen aan de gewenste “ondernemende cultuur’. Dit geldt eveneens voor hetgeen door [gedaagde partij] is aangevoerd omtrent (het belang van) verbinding. Nog afgezien van het feit dat [eisende partij] uitdrukkelijk betwist dat hij de waarde van verbinding niet, dan wel onvoldoende zou inzien, is niet aannemelijk geworden dat [gedaagde partij] [eisende partij] er eerder op heeft gewezen dat er haars inziens een zodanig verschil van inzicht bestond omtrent de wijze waarop de organisatie moest worden ingericht, dat daardoor het draagvlak van [eisende partij] binnen de Raad van Commissarissen en de Holdingdirectie kleiner was geworden.

Van [gedaagde partij] had als goed werkgever – gelet op de positie van [eisende partij] en zijn lange en onberispelijke staat van dienst – mogen worden verwacht dat zij een en ander met [eisende partij] had besproken en duidelijk had gemaakt dat zij een verschil van inzicht had geconstateerd over het te voeren beleid. Daarbij had in de gegeven omstandigheden van [gedaagde partij] mogen worden verwacht dat zij [eisende partij] de kans gaf om zijn zienswijze te geven en eventueel zijn stijl van leidinggeven aan te passen aan de door [gedaagde partij] gewenste koers. Bovendien had [gedaagde partij] [eisende partij] duidelijk moeten maken wat de consequenties zouden zijn indien [eisende partij] niet in staat zou zijn om zijn stijl van leidinggeven aan te passen. Weliswaar heeft [persoon A] ter zitting verklaard dat het niet zijn stijl is om te dreigen met afscheid, maar in de gegeven omstandigheden had het op de weg van [gedaagde partij] gelegen om met [eisende partij] in gesprek te gaan en te zoeken naar mogelijke oplossingen. Door [eisende partij] met het voorgaande voor het eerst op 15 oktober 2015 te confronteren en hem per direct op non-actief te stellen, heeft [gedaagde partij] niet als goed werkgever gehandeld.

4.6.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde partij] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een zwaarwegende grond is om [eisende partij] per 15 oktober 2015 op non-actief te stellen. [gedaagde partij] heeft eveneens onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gerechtvaardigde vrees bestaat dat er ongewenste situaties zullen ontstaan wanneer [eisende partij] zijn werkzaamheden als Managing Director zou voortzetten. Voor zover de wedertewerkstelling al ongewenste situaties zou opleveren, dient die omstandigheid geheel voor rekening en risico van [gedaagde partij] te komen, nu zij zonder een redelijke en voldoende zwaarwegende grond en zonder overleg met [eisende partij] over de ontstane situatie heeft besloten om [eisende partij] op non-actief te stellen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde partij] niet als goed werkgever gehandeld en heeft zij onvoldoende rekening gehouden met het belang van [eisende partij] bij voortzetting van zijn werkzaamheden als Managing Director. Door [eisende partij] per 15 oktober 2015 op non-actief te stellen heeft [gedaagde partij] een niet gerechtvaardigd voorschot genomen op de uitkomst van de (pas later geëntameerde) ontbindingsprocedure.

4.7.

Dat [gedaagde partij] inmiddels een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingediend, waarop naar verwachting binnen korte tijd zal worden beslist, leidt niet tot een ander oordeel. Dit geldt temeer, nu voorshands niet met zekerheid kan worden aangenomen dat dit verzoek zal worden toegewezen, mede gelet op het feit dat [eisende partij] heeft betwist dat er tussen hem en [gedaagde partij] verschillen van inzicht bestaan over het te voeren beleid.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door [eisende partij] gevorderde wedertewerkstelling in de functie van Managing Director zal worden toegewezen zoals gevorderd. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat deze wordt gemaximeerd op een totaal van € 500.000,--.

4.9.

De handelswijze van [gedaagde partij] , te weten de plotselinge op non-actiefstelling, direct gevolgd door het – zonder overleg – versturen van een memo aan alle medewerkers van [gedaagde partij] met het bericht dat [eisende partij] per 15 oktober 2015 niet meer werkzaam is voor [gedaagde partij] , is dermate diffamerend, dat de kantonrechter de gevorderde veroordeling tot het verspreiden van een (nieuw) communiqué eveneens zal toewijzen. [gedaagde partij] heeft nog aangevoerd dat in een eventueel nieuw te versturen communiqué dient te worden vermeld dat inmiddels een ontbindingsprocedure tussen partijen aanhangig is. De kantonrechter ziet geen aanleiding enkel van het aanhangig zijn van deze procedure melding te maken in het communiqué, zodat aan dit verweer van [gedaagde partij] voorbij zal worden gegaan.

De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat deze wordt gemaximeerd op een totaal van € 500.000,--.

4.10.

[gedaagde partij] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis over te gaan tot onvoorwaardelijke en volledige toelating van [eisende partij] tot het verrichten van zijn gebruikelijke werkzaamheden als Managing Director van de Business Unit West-Europa en zich te weerhouden van alle activiteiten die een normale uitoefening van deze functie door [eisende partij] in de weg staan;

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis over te gaan tot het verspreiden van een communiqué in het Nederlands en in het Engels aan diegenen die ook het memo van 15 oktober jl. hebben ontvangen met de tekst zoals is opgenomen in r.o. 3.2.;

5.3.

veroordeelt [gedaagde partij] om zonder nadere ingebrekestelling een dwangsom van

€ 5.000,00 aan [eisende partij] te voldoen, per dag of dagdeel dat [gedaagde partij] het onder 5.1 genoemde gebod niet of niet volledig nakomt, met een maximum van € 500.000,00;

5.4.

veroordeelt [gedaagde partij] om zonder nadere ingebrekestelling een dwangsom van € 5.000,00, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, aan [eisende partij] te voldoen, per dag of dagdeel dat [gedaagde partij] het onder 5.2 genoemde gebod niet of niet volledig nakomt;

5.5.

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eisende partij] begroot op € 105,19 aan dagvaardingskosten, € 78,00 aan griffierecht, € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 100,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis, en te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

5.6.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.P.C.J. van Bavel en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2015.