Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:7023

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
292429 KZ RK 15 445
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart het wrakingsverzoek tegen de rechter ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige wrakingskamer

Rekestnummer: 292429 KZ RK 15/445

Beslissing van 11 november 2015 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Gelderland op het verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

advocaat: mr. P.F. Mijnlieff te Leusden,

verzoeker tot wraking, hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. J.S.W. Lucassen,

rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

[verzoeker] (hierna: [verzoeker] ) is (ex-echtgenoot van en) als schuldeiser van [ex-echtgenote verzoeker] (hierna: [ex-echtgenote verzoeker] ) als belanghebbende opgeroepen in de procedure waarin [ex-echtgenote verzoeker] een verzoekschrift dwangakkoord heeft ingediend in de zin van artikel 287a Faillissementswet (Fw; zaaknr. C/05/290659 FT RK 15/2272). Dit verzoek gaat vooraf aan het verzoek van [ex-echtgenote verzoeker] om toepassing van de schuldsaneringsregeling (hierna: het WSNP-verzoek; zaaknr. C/05/290657 RK 15/2271).

1.2.

Tijdens de zitting in die zaak op 6 november 2015 heeft de rechter eerst het verzoekschrift dwangakkoord behandeld in aanwezigheid van [ex-echtgenote verzoeker] , [consulent] (consulent schuldhulpverlener Sociale Dienst [gemeente] ) en de advocaat van [verzoeker] ; [verzoeker] zelf was niet aanwezig. De rechter heeft vervolgens deze behandeling gesloten, beslist tot afwijzing van het verzoek dwangakkoord ex artikel 287a Fw en medegedeeld met gesloten deuren de behandeling van het verzoek van [ex-echtgenote verzoeker] tot toelating tot de WSNP (hierna: Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen) te willen behandelen. Nadat de rechter de advocaat van [verzoeker] had verzocht de zaal te verlaten in verband met die behandeling, heeft de advocaat van [verzoeker] verklaard de rechter te wraken.

1.3.

Bij e-mailbericht van 6 november 2015 heeft de advocaat van [verzoeker] de rechtbank een (nadere) onderbouwing van de wrakingsgronden doen toekomen.

1.4.

Bij e-mailbericht van 10 november 2015 heeft de rechter verklaard niet te berusten in het tegen hem gerichte verzoek tot wraking.

1.5.

Het verzoek tot wraking is in aanwezigheid van de advocaat van verzoeker, de rechter en [ex-echtgenote verzoeker] behandeld ter zitting van 10 november 2015. [verzoeker] is niet verschenen. [consulent] is – met voorafgaand bericht van verhindering – niet ter zitting verschenen. Van de behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Namens [verzoeker] is – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De rechter kende het dossier niet, toonde een onkritische houding jegens [ex-echtgenote verzoeker] maar niet jegens [verzoeker] en verhinderde de advocaat van [verzoeker] om het woord te voeren. Er is geen hoor en wederhoor toegepast. De rechter heeft het onderwerp “goede trouw” genegeerd en na, afwijzing van het verzoek ex artikel 287a Fw, de advocaat van [verzoeker] weggestuurd zonder kennis te nemen van diens pleitnota. De rechter was kennelijk van plan het verzoek tot toelating tot de WSNP toe te wijzen. Hij heeft blijk gegeven van vooringenomenheid.

3 Het standpunt van de rechter

3.1.

De rechter heeft het wrakingsverzoek gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 36 Rv kan de rechter die een zaak behandelt op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Beoordeeld moet worden of de namens verzoeker aangevoerde gronden dergelijke uitzonderlijke omstandigheden opleveren.

4.3.

De wrakingskamer stelt verder voorop dat een negatief ervaren beslissing, een onwelgevallige of zelfs een beslissing waarvan de juistheid ernstig moet worden betwijfeld, in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking is. Dit is anders, als de beslissing zo zeer onbegrijpelijk is, dat voor deze beslissing redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze is ingegeven door vooringenomenheid van de rechter.

4.4.

Op basis van de zittingsaantekeningen en hetgeen namens [verzoeker] en door de rechter is aangevoerd, is de wrakingskamer van oordeel dat tijdens de behandeling van het verzoek tot toepassing van artikel 287a FW (verzoek toepassen dwangakkoord) aan de advocaat van [verzoeker] in voldoende mate, meermalen, de gelegenheid is geboden om zich uit te laten over de zaak terwijl bovendien door de rechter in een vroeg stadium van de zitting aan de orde is gesteld dat door de advocaat van [verzoeker] een punt is gemaakt van (het ontbreken van) de goede trouw, hetgeen van belang is bij de vraag of [ex-echtgenote verzoeker] kan worden toegelaten tot de WSNP. Dat aan het bieden van die gelegenheid specifieke vragen van de rechter zijn voorafgegaan, maakt dit niet anders. Onvoldoende gesteld of gebleken is verder dat de advocaat van [verzoeker] daarbij heeft aangevoerd dat hij tijdens de zitting meer of andere feiten en omstandigheden in relatie tot die goede trouw aan de orde wilde stellen. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor is in zoverre derhalve geen sprake.

4.5.

Op grond van de zittingsaantekeningen en het verhandelde tijdens de wrakingszitting stelt de wrakingskamer verder vast dat de advocaat van [verzoeker] in een voor de behandeling van het verzoek toepassen dwangakkoord te laat stadium gemeld heeft dat hij een pleitnota had die hij wilde overleggen. Dit gaf hij namelijk pas aan nadat de rechter, gehoord [ex-echtgenote verzoeker] ex artikel 287a Fw en de advocaat van [verzoeker] , ter zitting had beslist het verzoek tot het toepassen van een dwangakkoord af te wijzen en had aangekondigd verder te willen gaan met de behandeling van het WSNP-verzoek waartoe hij de advocaat van [verzoeker] verzocht de zaal te verlaten.

Voorstelbaar was geweest dat de rechter, in plaats van op te merken “daar is het nu te laat voor”, op dat moment aan de advocaat van [verzoeker] de vraag had gesteld waarop die pleitnota betrekking had, zodat over de inhoud en relevantie van dat stuk meer duidelijkheid kwam te bestaan en de rechter op dat moment daarop een nadere beslissing had kunnen geven. Echter, van een advocaat als professionele rechtshulpverlener mag worden verwacht dat hij toelicht, zeker gezien de (te) late fase van de zitting, dat en waarom kennisneming van dat stuk door de rechter van belang was. In dit geval is onvoldoende gebleken dat de advocaat, toen hij aangaf een pleitnota te willen overleggen, die toelichting heeft gegeven. Die toelichting gaf de advocaat evenmin toen de rechter opmerkte dat het te laat was voor het overleggen van een pleitnota. De advocaat van [verzoeker] heeft vervolgens, naar hij zelf erkent, in reactie op voormelde opmerking van de rechter de woorden “wat een bullshit” gebezigd en aangekondigd de rechter te zullen wraken als hij de pleitnota niet kon overleggen. Hierop is het wrakingsverzoek gedaan, heeft de advocaat de gronden daartoe genoemd en heeft hij de zittingzaal verlaten.

Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet gezegd worden dat sprake is van een beslissing van de rechter die zo zeer onbegrijpelijk is, dat voor deze beslissing redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze is ingegeven door vooringenomenheid van de rechter. Op deze grond kan het wrakingsverzoek derhalve niet slagen.

4.6.

De overige wrakingsgronden kunnen evenmin leiden tot toewijzing van het verzoek.

De omstandigheid dat de rechter heeft gevraagd naar stukken ter onderbouwing van een ingenomen stelling, terwijl die stukken volgens de advocaat van [verzoeker] bij het dossier zaten, geeft als zodanig geen blijk van onvoldoende kennis van het dossier, te minder nu het gaat om stukken die kort voor de zitting waren overgelegd. Een zelfde conclusie geldt ten aanzien van de vraag van de rechter of [ex-echtgenote verzoeker] de betreffende, kort tevoren namens [verzoeker] overgelegde, stukken wel had ontvangen, waarbij de rechter op dat moment had gemist dat blijkens de e-mailverzendregel die stukken “cc” aan haar waren verstuurd.

Het feit dat de rechter de advocaat van [verzoeker] heeft verhinderd te reageren op de stellingen van [ex-echtgenote verzoeker] omdat [ex-echtgenote verzoeker] nog aan het woord was, zulks onder aankondiging dat de advocaat later het woord zou krijgen, rechtvaardigt niet de toewijzing van het wrakingsverzoek. Het is immers aan de rechter om de regie ter zitting te voeren en de orde te bewaken; hij hoeft daarbij niet toe te staan dat de ene partij de andere onderbreekt.

Verder is het aan de rechter om te bepalen of, en zo ja, welke vragen hij aan een of meer partijen wil stellen en op welke wijze hij die vragen formuleert. De wrakingskamer is van oordeel dat de wijze waarop de rechter in dit geval van die ruimte gebruik heeft gemaakt, geen blijk geeft van vooringenomenheid.

Uit de zittingsaantekeningen en het verhandelde ter wrakingszitting leidt de wrakingskamer af dat de behandeling van het WSNP-verzoek van [ex-echtgenote verzoeker] nog dient plaats te vinden, nu de rechter de zitting vanwege het indienen van het wrakingsverzoek heeft geschorst. Het is aan de rechter om te bepalen welke (proces-)beslissingen hij in het kader van die behandeling geraden acht. Het is niet aan de wrakingskamer om de rechter in dat verband aanwijzingen te geven.

Hetgeen overigens door de advocaat van [verzoeker] tot wraking is aangevoerd, is onvoldoende concreet of specifiek en kan niet leiden tot een ander oordeel.

4.7.

De namens [verzoeker] aangevoerde stellingen leveren gelet op het voorgaande, zelfstandig en in onderling verband beschouwd, geen grond tot wraking van de rechter op; er is geen sprake van de hiervoor onder 4.2. bedoelde uitzonderlijke omstandigheden. Het verzoek tot wraking zal daarom worden afgewezen. Hetgeen door de advocaat van [verzoeker] is aangevoerd omtrent de relatieve bevoegdheid van de rechtbank in de onderliggende Fw-/WSNP-procedure valt buiten het beoordelingskader van de wrakingskamer. De wrakingskamer beslist als hierna volgend.

5 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het wrakingsverzoek van [verzoeker] van 6 november 2015 tegen de rechter ongegrond;

- bepaalt dat de procedure wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek op 6 november 2015.

Deze beslissing is gegeven door mrs. M.C. van der Mei, voorzitter, K.H.A. Heenk en T. ter Brugge, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Oostveen-Out, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2015.

De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Voorzitter