Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6994

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
11-12-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 160
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

herziening recht op studiefinanciering. Vaststelling OV-schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/160

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: A.A. IJkhout),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO) te Groningen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2014 (bericht studiefinanciering 2014, nr. 4; het primaire besluit) heeft verweerder het recht op studiefinanciering van eiser ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (WSF) voor de maand juli 2014 herzien en aan eiser medegedeeld dat hij een bedrag van € 403,14 te veel aan studiefinanciering heeft ontvangen. Daarnaast heeft verweerder de OV-schuld van eiser vastgesteld op € 194.

Bij besluit van 4 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. K.F. Hofstee.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser heeft op 30 juni 2014 zijn diploma in ontvangst genomen en staat sinds 1 juli 2014 niet meer ingeschreven als studerende aan de beroepsopleiding. Eiser heeft het studentenreisproduct stopgezet op 25 juli 2014. Eiser staat met ingang van 1 september 2014 ingeschreven voor een deeltijdopleiding aan het hbo.

2. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat aan eiser op 23 juni 2014 de examenuitslag bekend is gemaakt en dat de datum van de examenuitslag bepalend is voor de uitschrijfdatum van de onderwijsinstelling. De aanspraak op studiefinanciering vervalt met ingang van de maand die volgt op de dag waarop de deelnemer het laatste studiejaar van een opleiding met goed gevolg heeft afgesloten. De uitschrijfdatum is daarom 1 juli 2014.

3. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft aangevoerd dat hij geen bericht heeft gehad van de school dat op 23 juni de examenuitslag bekend is gemaakt. Bovendien is sprake van tegenstrijdigheid in de correspondentie van verweerder, omdat verweerder in eerdere berichten heeft aangegeven dat eiser tot 1 augustus recht had op studiefinanciering en het studentenreisproduct. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij in september is gestart met een deeltijdopleiding op het hbo en dat hij ervan uitging dat hij ter overbrugging van de zomermaanden recht had op studiefinanciering.

4.1

De rechtbank heeft bij haar beoordeling gelet op de navolgende regelgeving, zoals die gold ten tijde in geding.

Op grond van artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Les-en cursusgeldwet 2000 (ULCW) beëindigt het bevoegd gezag de inschrijving van de leerling op zijn aanvraag of zodra de leerling de opleiding met goed gevolg heeft afgesloten.

Op grond van artikel 2.7, eerste lid van de WSF vervalt de aanspraak op studiefinanciering met ingang van de maand die volgt op de dag waarop de deelnemer het laatste studiejaar van een opleiding met goed gevolg heeft afgesloten.

Ingevolge het derde lid blijft indien de deelnemer na zijn uitschrijving voor een opleiding binnen 4 maanden opnieuw deze opleiding aanvangt of een andere opleiding in de zin van deze wet gaat volgen, in afwijking van het eerste lid, op zijn aanvraag de aanspraak op studiefinanciering in de tussen beide opleidingen liggende periode voor ten hoogste 4 maanden bestaan. Hij wordt in die periode aangemerkt als deelnemer aan de eerste opleiding. In afwijking van artikel 3.21, tweede lid, wordt die aanvraag ingediend voor het einde van de periode van 4 maanden.

Op grond van artikel 3.27, eerste lid, aanhef en onder a, van de WSF is de studerende verplicht het reisproduct stop te zetten, uiterlijk op de vijfde werkdag nadat zijn aanspraak op studiefinanciering is beëindigd.

Ingevolge het tweede lid is bij het ten onrechte beschikken over een op een OV-chipkaart geladen reisproduct, degene aan wie het reisrecht is toegekend aan de Minister een bedrag van € 97,- per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand verschuldigd, ongeacht of gebruik is gemaakt van het reisrecht. De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van een maand. De tweede helft loopt tot en met het einde van die maand.

Ingevolge het derde lid is het eerste lid niet van toepassing op een periode waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet kan worden toegerekend aan degene aan wie het reisrecht is toegekend.

Ingevolge het vierde lid worden bij ministeriële regeling nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze van beëindigen van het reisrecht, en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop en het tijdstip waarvoor de niet-toerekenbaarheid, bedoeld in het derde lid, moet worden aangetoond.

In de Regeling Studiefinanciering 2000 is deze nadere invulling gegeven. In artikel 4.2, eerste lid is bepaald dat het reisrecht wordt beëindigd door het reisproduct dat op de ov-chipkaart is geladen, stop te zetten.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het reisproduct wordt stopgezet bij een daartoe bestemde automaat van de vervoersbedrijven.

4.2

Het beroep van eiser richt zich zowel tegen de herziening en terugvordering van de studiefinanciering als tegen de vaststelling van de OV-schuld.

Herziening en terugvordering studiefinanciering

4.3

Vaststaat dat eiser er (in ieder geval) op 30 juni 2014 van op de hoogte was dat hij zijn opleiding met goed gevolg had afgesloten. Ook is niet in geschil dat eiser sinds 1 september 2014 stond ingeschreven voor een deeltijdopleiding aan het hbo. Uit paragraaf 2.3 van de WSF volgt dat een student die is ingeschreven voor een opleiding in deeltijd niet in aanmerking komt voor studiefinanciering. Gelet op artikel 3 van de ULCW en artikel 2.7, eerste en derde lid van de WSF heeft verweerder het recht op studiefinanciering dan ook terecht met ingang van 1 juli 2014 herzien en het te veel betaalde bedrag teruggevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit hetgeen eiser heeft aangevoerd niet worden afgeleid dat de door verweerder gegeven informatie zodanig was dat eiser erop kon vertrouwen dat hij na 30 juni 2014 nog recht had op studiefinanciering.

Vaststelling OV-schuld

4.4

Aangezien eiser over de maand juli 2014 geen recht had op studiefinanciering, had hij ook geen recht op het studentenreisproduct. Nu eiser het studentenreisproduct niet tijdig heeft gedeactiveerd, beschikte hij over de maand juli 2014 ten onrechte over het studentenreisproduct. Gelet op het bepaalde in artikel 3.27, tweede lid, van de WSF was verweerder gehouden om over de maand juli een OV-schuld van € 194 vast te stellen. Dit zou alleen anders zijn indien het niet tijdig beëindigen van het studentenreisproduct eiser aantoonbaar niet zou kunnen worden toegerekend. Eiser heeft aangevoerd dat hij op basis van de informatie van verweerder in de (onjuiste) veronderstelling verkeerde dat hij over de maand juli 2014 nog recht had op studiefinanciering en een studentenreisproduct. Deze (onjuiste) veronderstelling levert geen situatie op waarin het niet tijdig beëindigen van het reisproduct eiser aantoonbaar niet kan worden toegerekend. Het had op de weg van eiser gelegen zich tijdig op de hoogte te stellen van de consequenties van het beëindigen van zijn beroepsopleiding en het overgaan tot een deeltijdstudie.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W. van Osch - Leysma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Aantjes - Breel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.