Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6986

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
11-12-2015
Zaaknummer
15/2625 en 15/2626
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opschorting, intrekking en terugvordering ingevolge de WWB.

Beroep tegen opschortingsbesluit gegrond. De rechtbank is van oordeel dat eisers betoog, dat hen van het verzuim geen verwijt kan worden gemaakt, doel treft. Gelet op het feit dat eisers gemotiveerd en tijdig, hetgeen verweerder niet heeft betwist, hebben verzocht om een andere datum had de sociale recherche en in navolging daarvan verweerder, niet kunnen vasthouden aan de datum 13 februari 2013.

Beroep tegen intrekking (54, derde lid, van de WWB) en terugvordering ongegrond. Verweerder heeft zich terecht op standpunt gesteld dat eiser meer uren en dagen heeft gewerkt voor de horecagelegenheid dan hij heeft opgegeven aan verweerder en dat op grond daarvan niet kan worden vastgesteld of er recht op bijstand bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: 15/2625 en 15/2626

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser, en [eiseres], te [woonplaats], eiseres

hierna tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. J. Visscher),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Druten te Druten, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2013 (het primaire besluit 1) heeft verweerder het recht op bijstand van eisers ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) per 13 februari 2013 opgeschort.

Bij besluit van 5 april 2013 (het primaire besluit 2) heeft verweerder het recht op bijstand van eisers over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 januari 2013 ingetrokken en de ten onrechte verstrekte (algemene en bijzondere) bijstand over deze periode tot een bedrag van € 43.186,68 van eisers teruggevorderd.

Nadat eerdere besluiten op bezwaar door de rechtbank zijn vernietigd heeft verweerder bij besluiten van 13 mei 2015 (de bestreden besluiten) de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep inzake de intrekking en terugvordering heeft zaaknummer 15/2625 en het beroep inzake de opschorting 15/2626.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2015. De beroepen zijn gevoegd behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Slot.

Overwegingen

1. Met ingang van 1 januari 2015 is de Participatiewet (PW) in werking getreden en is de WWB komen te vervallen. Op grond van het overgangsrecht zoals dat is geregeld in artikel 78z, vierde lid, van die wet, wordt in het geval een bezwaarschrift vóór of op de datum van de inwerkingtreding van de PW is ingediend beslist met toepassing van de WWB. Dit is in de onderhavige zaken het geval.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eisers ontvangen sedert 1 augustus 1998 algemene bijstand. Eiser heeft tijdens de periode van bijstandverlening werkzaamheden verricht en inkomsten genoten welke zijn gekort op de bijstand. Laatstelijk was hij werkzaam bij [naam werkgever].

De opschorting

3. Op 12 februari 2013 zijn eisers mondeling en per brief verzocht om op 13 februari 2013 te verschijnen op het politiebureau. In de brief van de sociale recherche van 12 februari 2013 staat dat eisers zich moeten melden in verband met een strafrechtelijk onderzoek. Gewezen is op de artikelen 225 en 227b van het Wetboek van Strafrecht, op het feit dat zij als verdachte zullen worden gehoord en op de mogelijkheid voor aanvang van het verhoor een raadsman te raadplegen. Voorts is gewezen op de medewerkingsverplichting in artikel 17 van de WWB.

Eisers zijn op 13 februari 2013 niet verschenen op het politiebureau. Dit heeft geleid tot het primaire besluit 1 waarbij het recht op bijstand met ingang van 13 februari 2013 is opgeschort.

4. Eisers hebben aangevoerd dat, nu zij zouden worden gehoord als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek, zij contact hebben gezocht met de gemachtigde en dat deze verweerder reeds op 12 februari 2013 heeft laten weten dat eisers bereid zijn om te verschijnen, maar dat zij op dat moment niet in staat waren om te verschijnen omdat zij eerst nog wilden overleggen met de gemachtigde. Daarom heeft de gemachtigde verzocht om een nieuwe datum, hetgeen is geweigerd. Op 13 februari 2013 heeft zich dat herhaald. Volgens eisers valt het hen niet te verwijten dat zij geen gehoor hebben gegeven aan de oproep, nu zij zich tijdig hebben afgemeld en hebben verzocht om een nieuwe afspraak, mede gelet op de passage in de uitnodigingsbrief waarin wordt gewezen op het recht om een raadsman te raadplegen van welk recht zij gebruik wilden maken.

5. De rechtbank is van oordeel dat eisers betoog, dat hen van het verzuim geen verwijt kan worden gemaakt, doel treft. Gelet op het feit dat eisers gemotiveerd en tijdig, hetgeen verweerder niet heeft betwist, hebben verzocht om een andere datum had de sociale recherche en in navolging daarvan verweerder, niet kunnen vasthouden aan de datum 13 februari 2013. Ter zitting heeft verweerder verklaard het standpunt niet meer in te nemen dat het eisers te verwijten valt dat zij niet zijn verschenen.

6. Het beroep tegen de opschorting is dan ook gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit van 14 februari 2013 herroepen.

7. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.960.

Verweerder dient voorts het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

De intrekking en terugvordering

8. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser meer uren en dagen heeft gewerkt voor [naam werkgever] dan hij heeft opgegeven aan verweerder en dat op grond daarvan niet kan worden vastgesteld of er recht op bijstand bestaat.

9. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op het rapport van J.F. Olthof en C.J.H. van Neerbos, sociaal rechercheurs, van 12 maart 2013. Het onderzoek van de sociaal rechercheurs heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een verzoek van de afdeling Handhaving van de gemeente Druten om te onderzoeken of eisers meer inkomsten hebben gehad dan dat zij hebben opgegeven. In het rapport is in dat verband vermeld dat eiser CJIB boetes heeft gekregen en pintransacties in de buurt van Veghel heeft verricht op momenten dat hij naar eigen zeggen niet zou hebben gewerkt en thuis zou zijn geweest. Daarnaast was er sprake van contante huurbetalingen, onverklaarbare bijstortingen en een weigering van eiser om in het kader van schuldhulpverlening zijn gehele administratie te laten inzien.

Verweerder heeft aan het verzoek aan de sociale recherche mede ten grondslag gelegd dat eiser volgens een medisch advies van 24 januari 2012 fulltime zou kunnen werken.

10. Het onderzoek van de sociale recherche heeft bestaan uit het raadplegen van de persoonsdossiers van eisers, het raadplegen van Suwinet, cameraobservatie door middel van een cameravoertuig op de weg van het (voormalig) woonadres van eisers van 3 augustus tot 5 augustus 2012 en overige observaties van de woning in de periode 17 september 2012 tot 14 december 2012. Voorts heeft er in de maanden november en december 2012 negen keer een observatie plaatsgevonden bij [naam werkgever], zijn de werkbriefjes van eiser vergeleken met de bevindingen uit de observaties bij [naam werkgever] en zijn de bankafschriften van eisers bezien. Ten slotte hebben eisers en de werkgever van eiser op 15 februari 2013 ten overstaan van de sociaal rechercheurs verklaringen afgelegd en is naar aanleiding daarvan de Sligrokalender 2012 bekeken, waarop volgens eiser zijn gewerkte uren staan opgeschreven.

11. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit en hebben dit gemotiveerd aangevochten. Voor zover nodig zal hierna op de daartoe aangevoerde gronden worden ingegaan.

12. De beoordeling door de bestuursrechter bestrijkt de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 januari 2013.

13. De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 53a van de WWB bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel voortzetting van bijstand en dat hiervoor in dit geval voldoende aanleiding bestond. Voor zover verweerder met dit onderzoek door middel van observatie, zoals eisers hebben gesteld, inbreuk op hun privacy hebben gemaakt, heeft die inbreuk derhalve een wettelijke grondslag. Daarnaast had dit onderzoek ook een gerechtvaardigd doel. Dit doel houdt in het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waaronder mede moet worden begrepen het tegengaan en bestrijden van misbruik van en fraude met sociale uitkeringen. Verweerder had als oogmerk het verrichten van onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan eisers verleende bijstand, zoals bedoeld in artikel 53a van de WWB, hetgeen met dit doel in overeenstemming is. Verder geldt dat de rechtbank niet is gebleken dat de inbreuk op de privacy door de gehanteerde onderzoeksmiddelen onevenredig zwaar is geweest in verhouding tot het hiervoor beschreven doel. Gesteld noch gebleken is dat verweerder een minder ingrijpend onderzoeksmiddel ter beschikking stond om de rechtmatigheid van de verleende bijstand te onderzoeken. Dit betekent dat geen sprake is van een ongerechtvaardigde schending van artikel 8 van het EVRM.

14. Het betoog dat sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 6 van het EVRM treft evenmin doel. In een zaak als deze, waarin de intrekking en terugvordering van bijstand aan de orde is, gaat het niet om een strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het EVRM zich niet tot eisers uitstrekt (CRvB 27 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1535).

15. De rechtbank is van oordeel dat het rapport van 12 maart 2013 een toereikende grondslag biedt voor de vaststelling dat eiser in de beoordelingsperiode meer uren heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven, dat hij daarom de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Daarbij hecht de rechtbank in het bijzonder waarde aan de verklaringen van eiser en zijn werkgever van 15 februari 2013.

Eiser heeft verklaard dat hij een dikke drie jaar werkt in Veghel bij een pizza-shoarmazaak ([naam werkgever]) en dat hij een contract voor 16 uur per week heeft. Als het nodig is werkt hij meer. Hij blijft soms wat langer bij [naam werkgever] dan hij heeft aangegeven bij de sociale dienst en enkel voor de gezelligheid. Hij was ook op andere dagen bij [naam werkgever] dan hij heeft opgegeven. Hij houdt zijn gewerkte uren niet bij, behalve dan op de Sligrokalender, waar precies de gewerkte uren en dagen staan vermeld. Hij helpt de baas als hij er is omdat de baas een vriend is. Hij helpt zijn baas al sinds hij daar werkt, sommige uren werkt hij voor niets en voor sommige uren krijgt hij betaald. Hij weet niet hoeveel uren hij voor niets werkt, maar hij gaat wel heel vaak. Sedert hij bij zijn baas werkt, doet hij het al op deze manier.

De werkgever heeft verklaard dat hij niet precies weet hoe het zit met het bijhouden van eiser van de gewerkte uren en dagen op de Sligrokalender. Hij houdt hierop de gewerkte uren van de voor hem werkende Irakees bij, misschien af en toe ook een keertje de uren van eiser. Hij verklaart zich bereid de Sligrokalender te laten zien. Nadat de werkgever is geconfronteerd met de verklaring van eiser heeft de werkgever verklaard dat eiser niet altijd werkt, maar wel meer dan de twee dagen per week die werden betaald de afgelopen drie jaar en dat hij met meer vrijwel dagelijks bedoelt.

16. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de tegenover de sociaal rechercheurs afgelegde verklaringen van 15 februari 2013 van eiser en zijn werkgever over het gewerkte aantal dagen en uren in de in geding zijnde periode. Hierbij betrekt de rechtbank dat de verklaringen duidelijk zijn, dat daarin concrete feiten en omstandigheden vermeld worden en dat de essentie van de verklaring nadien door eiser ook niet is weersproken. Dat eiser de verklaring niet heeft ondertekend maakt niet dat getwijfeld behoeft te worden aan de juistheid van de weergegeven verklaring. Hierbij is van belang dat het proces-verbaal van verhoor van eiser op ambtsbelofte is opgemaakt en dat eiser heeft aangegeven dat de verklaring niet hoeft te worden voorgelezen door de tolk omdat hij die toch niet zou ondertekenen.

De rechtbank overweegt voorts dat de overige onderzoeksactiviteiten (observatie) weliswaar slechts betrekking hebben op een veel kortere periode dan de periode in geding, maar wel de vaststelling ondersteunen dat eiser over de gehele periode niet het juiste aantal gewerkte uren heeft doorgegeven aan verweerder.

17. Eisers hebben voorts betoogd dat eiser niet werd betaald voor de uren die hij meer heeft gewerkt en dat er daarom geen reden was deze uren op te geven omdat hij de werkgever alleen maar heeft willen helpen.

18. Dit betoog treft geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ten tijde hier in geding onmiskenbaar op geld waardeerbare arbeid verricht. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee deze worden verricht en ongeacht of daaruit daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de WWB, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.

De rechtbank overweegt in dit verband voorts nog dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:534) de aanwezigheid op een werkplek tijdens uren waarop normaliter arbeid wordt verricht vooronderstelt dat de betreffende persoon ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht.

19. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. Dit hebben eisers niet gedaan. Aangezien de omvang van de daadwerkelijk gewerkte uren en de verdiensten niet zijn vast te stellen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van eisers niet is vast te stellen.

20. De intrekking zoals deze in het bestreden besluit is opgenomen houdt, gelet op het vorenstaande, stand. Eisers hebben geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de terugvordering aangevoerd. Van een dringende reden om van terugvordering af te zien is niet gebleken.

21. Het beroep inzake de intrekking en terugvordering is dan ook ongegrond.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep inzake de opschorting gegrond,

vernietigt het bestreden besluit van 13 mei 2015 inzake de opschorting;

herroept het primaire besluit van 14 februari 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 1.960;

gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht groot € 45 aan hen vergoedt;

verklaart het beroep tegen de intrekking en terugvordering ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. M.J.M. Verhoeven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.