Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6970

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
05/881569-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft drie mannen veroordeeld wegens het (uitlokken van het) medeplegen van poging moord op twee personen en brandstichting met levensgevaar in Velp tot een gevangenisstraf van 12 jaar, 14 jaar en 14 jaar met TBS-maatregel. Daarbij heeft de rechtbank hoge schadevergoedingen toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/881569-14

Datum uitspraak : 11 november 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats]

thans gedetineerd te [verblijfplaats]

Raadsman: mr. A.A. Boersma, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 24 februari 2015, 28 april 20015, 21 juli 2015, 13 oktober 2015 en 28 oktober 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 3 op 4 september 2014 te Velp, gemeente Rheden, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven te beroven, zich (op een

scooter/bromfiets) heeft begeven naar de woning/verblijfplaats ( [adres 2] ) van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) -conform tevoren gemaakte afspraak- een steen, althans een dergelijk voorwerp, en/of een molotov-cocktail/brandbom, althans een dergelijk -brandbaar- voorwerp, door een ruit van die woning naar binnen hebben/heeft gegooid, waarbij/waarna die steen of dat voorwerp en/of die

molotov-cocktail/brandbom of dat -brandbaar- voorwerp zijn/is beland op het bed, waarop die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] lag(en) (te slapen), althans in de kamer/ruimte waarin die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] zich bevond(en), tengevolge waarvan brand is ontstaan in die woning, zulks terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) dat die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) personen zich in de kamer/ruimte bevond(en) waar die steen of dat voorwerp en/of die molotov-cocktail/brandbom of dat -brandbaar- voorwerp

door die ruit naar binnen werd(en) gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij in of omstreeks de nacht van 3 op 4 september 2014 te Velp, gemeente Rheden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) zich (op een scooter/bromfiets) hebben/heeft begeven naar de woning/verblijfplaats ( [adres 2] ) van [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) personen en/of (vervolgens) -conform tevoren gemaakte afspraak- een steen, althans een dergelijk voorwerp, en/of een molotov-cocktail/brandbom, althans een dergelijk -brandbaar- voorwerp, door een ruit van die woning naar binnen hebben/heeft gegooid, waarbij/waarna die steen of dat voorwerp en/of die

molotov-cocktail/brandbom of dat -brandbaar- voorwerp zijn/is beland op het bed, waarop die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] lag(en) (te slapen), althans in de kamer/ruimte waarin die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] zich bevond(en), tengevolge waarvan brand is ontstaan in die woning, zulks terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) dat die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) personen zich in de kamer/ruimte bevond(en) waar die steen of dat voorwerp en/of die molotov-cocktail/brandbom of dat -brandbaar- voorwerp door die ruit naar binnen werd(en) gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), tengevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning

aanwezige perso(o)n(en), te weten die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of een of meer andere personen, in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding onderzoek

In de nacht van 3 op 4 september 2014, vanaf omstreeks 02.14 uur zijn er bij de politie meerdere meldingen binnengekomen van een brand in een woning aan de [adres 2] te Velp, gemeente Rheden.2 Aan de voorzijde van voornoemde woning is een steen door een ruit en vervolgens een brandbom (een zogenaamde molotov-cocktail) in een kamer gegooid. In die kamer lagen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op bed.3 De steen en delen van de fles waarmee de brandbom is gemaakt zijn later op het bed aangetroffen.4 Na het gooien van die brandbom is brand ontstaan in die kamer.5 Als gevolg van de brand is het lichaam van die [slachtoffer 1] voor 78,5% van de totale huidoppervlakte verbrand, waarvan 41% tweedegraads en 37,5% derdegraads verbrandingen.6 Het lichaam van [slachtoffer 2] is als gevolg van de brand voor 55,2% van de totale huidoppervlakte verbrand, waarvan 25,7% tweedegraads en 29,5% derdegraads verbrandingen.7

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde in zowel feit 1 als feit 2.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is vrijspraak betoogd. Verdachte heeft niets te maken met de feiten. Zijn eerder bij de politie opgegeven alibi dat hij de bewuste avond tot 02.00 uur in een café is geweest heeft te maken met het feit dat hij zijn bromfiets die nacht had uitgeleend aan verdachte [medeverdachte 1] . De dag erna merkte verdachte dat de tank van de bromfiets vrijwel leeg was. Hij kreeg toen vermoedens dat [medeverdachte 1] iets te maken had met de brandstichting en omdat de bromfiets van verdachte was gebruikt kreeg hij het gevoel er in te worden geluisd en heeft zich verder op zijn zwijgrecht beroepen.

[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [betrokkene] hebben wisselend en tegenstrijdig verklaard over wat er is gebeurd en wie welke rol daarbij zou hebben gehad. . Uit een OVC gesprek dat is opgenomen als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen in een arrestantenbus worden vervoerd blijkt dat de verklaringen van hen beiden op elkaar worden afgestemd en dat [medeverdachte 1] daartoe het initiatief nam.

Er wordt tegenstrijdig verklaard over waar men de avond voorafgaand aan het incident is geweest, over wat er in de bus is besproken, of ze lopend of met de bromfiets naar de woning van verdachte zijn gegaan en wie wanneer in de woning van [naam] is geweest.

Uit de verklaringen van [getuige 1] blijkt dat er leugenachtig wordt verklaard over de onderling gemaakte afspraken en haar verklaring bevat tegenstrijdigheden met betrekking tot de verklaringen van [medeverdachte 2] .

[getuige 2] heeft tegenstrijdig verklaard over de herkenning van verdachte, wanneer hij hem voor het laatst had gezien voorafgaand aan het incident en wie hij kort ná het incident bij [naam] heeft gezien.

Er is geen objectief bewijs dat verdachte betrokken is, hij ontkent ten stelligste en heeft vanaf het begin gezegd dat hij er in wordt geluisd. Daarover heeft hij ook verklaard in een gesprek met een informant.

De schuld is kennelijk makkelijk te leggen bij iemand met een strafrechtelijke verleden zoals verdachte dat heeft en die toch wel zijn mond houdt.

Subsidiair wordt betoogd dat áls de rechtbank van oordeel is dat verdachte een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, dat er onvoldoende bewijs is dat er opzet gericht was op de dood van de slachtoffers. [medeverdachte 2] heeft verklaard niet te hebben geweten dat er mensen verbleven in die kamer en er vanuit ging dat het een gemeenschappelijke ruimte was. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij die avond het pand heeft laten zien, maar niet verklaard dat hij het betreffende raam heeft aangewezen. Van de buitenkant was in ieder geval niet zichtbaar dat er mensen in die ruimte verbleven. Het raam is gekozen door [medeverdachte 2] die de steen naar binnen gooide. Verdachten konden op geen enkele wijze vermoeden dat er personen in die ruimte verbleven.

Er is geen sprake van het bewust aanvaarden van de kans dat personen in die ruimte aanwezig waren en dat deze personen zouden kunnen overlijden. Verdachten hebben onachtzaam gehandeld, maar van voorwaardelijke opzet was geen sprake.

Indien de rechtbank wel van oordeel is dat er sprake is van voorwaardelijke opzet dan is er geen sprake van voorbedachte raad. Uit het dossier volgt niet dat verdachte op enig punt heeft nagedacht over de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank dient in deze zaak meerdere vragen te beantwoorden.

  • -

    Is er sprake van opzet op de dood van de slachtoffers.

  • -

    Is er sprake van voorbedachte raad.

  • -

    Zijn verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] betrokken bij het plegen van de feiten.

  • -

    Is er sprake van medeplegen, uitlokking of medeplichtigheid en zo ja, waaruit bestaat dat dan.

Om deze vragen te kunnen beantwoorden is het van belang de aanloop naar de feiten in kaart te brengen. In het dossier zijn meerdere mutaties en processen verbaal opgenomen die betrekking hebben op voorvallen in de periode van de maand augustus tot en met 3 september, waarvan, door onder andere verdachte [medeverdachte 1] melding is gedaan bij de politie. De politie is meermalen na een melding ter plaatse gekomen in de [straat 1] . Bij de meldingen werd aangegeven dat een aantal personen ’s nachts rond de woning van [medeverdachte 1] zouden lopen. Hij heeft daarbij aangegeven een keer een persoon te hebben achtervolgd en dat die persoon het pand aan de [adres 2] te Velp naar binnen ging.8

Op 3 september 2014 is door [getuige 3] aangifte gedaan van vernieling van zijn auto.9

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij op de hoogte was van de problemen die er speelden en dat het volgens [medeverdachte 1] om Polen zou gaan die bij zijn woning zouden rondhangen. [medeverdachte 1] was daar gestrest over. [getuige 3] was naar [medeverdachte 1] gekomen om hem te helpen door in de buurt rond te kijken en te waken.10

In een proces-verbaal van bevindingen wordt weergegeven dat verbalisanten rond 04.00 na de melding van de hiervoor genoemde vernieling van [getuige 3] ter plaatse zijn in de [straat 1] . Op aanwijzingen van buurtbewoners, waarbij werd geroepen: “Dat is ‘m. Die moet je hebben” is een inzittende van een voertuig gecontroleerd. Die inzittende was [slachtoffer 1] . [medeverdachte 1] was ook aanwezig en heeft aan de politieagenten aangegeven dat die persoon (rechtbank: [slachtoffer 1] ) degene was die steeds over de schutting bij zijn woning zou kijken en de woning in de gaten zou houden. Later werd door hem meermalen aangegeven dat de man samen met een vrouw in de kamer van het “Polenpand” aan de [straat 2] woonde die direct grenst aan de [straat 2] en dat deze man en vrouw de afgelopen weken zijn woning aflegden, meermalen bij hem in de tuin stonden en over zijn schutting keken.

Ook werd door hem gezegd dat hij bang was dat ze hem een keer zouden overvallen en hij vroeg of hij moest gaan wachten totdat er iemand een pistool op zijn hoofd zou zetten. [medeverdachte 1] zei meermalen dat hij daar niet op ging wachten en maakte op de verbalisanten een zeer gestreste en bijna paranoïde indruk gedurende de avond.11

Getuige [getuige 1], de partner van [medeverdachte 1] , heeft in het verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat ze [medeverdachte 1] nog nooit zo had gezien. Hij was heel erg bang geworden, gebruikte drugs en sliep ’s nachts niet meer door alles wat er rondom de woning gebeurde. De politie was zeker viermaal gebeld, maar kond niets doen. [verdachte] en [medeverdachte 2] waren op de hoogte van de problemen die er speelden en ook dat de politie niets kon doen.12

[medeverdachte 1] heeft in zijn verhoor als getuige op 9 september 2014 verklaard dat hij anderhalve week voor de brand rond 03.00 ‘s nachts zijn bus voor de woning van de Polen (rb: [adres 2] ) had geparkeerd, recht voor het raam waar later de brand was geweest. De bewoner die hij vaker onder rare omstandigheden bij zijn woning had gezien opende de gordijnen en gebaarde dat hij weg moest gaan. Even later kwam de man door een ruit naar buiten en is hij weggereden. Hij heeft verder verklaard dat hij in een gesprek met een agent in de nacht van 2 op 3 september 2014, na de vernieling van de auto, heeft gezegd: “Als het zo niet lukt, dan los ik het zelf wel op”.13

Hij heeft verklaard erg bang te zijn geworden doordat er ’s nachts steeds mensen rond zijn huis liepen. Hij heeft een aantal personen, waaronder [medeverdachte 2] en [verdachte] , gevraagd om ’s avonds bij hem te blijven of om daarmee in de buurt op straat een soort patrouilles te lopen in de hoop mensen te betrappen.

Er zijn, ná het incident waarbij de auto van [getuige 3] is vernield, meerdere Whatsapp berichten door [medeverdachte 1] verzonden:.

  • -

    3 september te 10.10 uur: “ik ben vanaf nu de enigste die er een eind aan kan maken”.

  • -

    3 september 16.03: “ga dit vandaag nog rechtzetten mijn gezin loopt gevaar en nu ze ook 1 van mijn vrienden hebben aangevallen wordt het voor mij duidelijk dat zei niet zomaar even komen kijken en wat ik al dacht klopt allemaal deze jongens zijn echt gevaarlijk hun doelwit is vaak kansloos en niet bewust.alleen ze hadden geen rekening gehouden met iemand als ik die alles eraan doet om zijn gezin te beschermen en mijn dorp mijn thuis en me vrienden nooit zal verlaten ik rust niet eerder dan wanneer ik ze heb (…) ik vecht tot het eind (…)

  • -

    4 september 00.11 uur: “Haal [medeverdachte 2] zo op gaan we even op jacht”.14

[medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat hij in de nacht van 3 op 4 september samen met [verdachte] in zijn bus [medeverdachte 2] heeft opgehaald. Samen met [medeverdachte 2] en [verdachte] is [medeverdachte 1] eerst naar het Golden Tulip hotel in Velp gereden waar ook Polen zouden verblijven en vervolgens langs de woning aan de [adres 2] .15

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij in de nacht van 3 op 4 september 2014 omstreeks 0.1.51 een bus heeft gezien waarin 3 personen zaten.16

In zijn verklaring bij de rechter-commissaris17 heeft [medeverdachte 1] verklaard dat

  • -

    [verdachte] en [medeverdachte 2] op de hoogte waren van de problemen met betrekking tot de mensen die rond zijn woning rondhingen,

  • -

    [verdachte] precies wist wie volgens hem betrokken waren,

  • -

    [verdachte] voorafgaand aan de brand zeker driemaal bij hem thuis is geweest,

  • -

    er op de avond van de brand in de bus over verschillende oplossingen met betrekking tot het ‘Polenpand’ is gesproken,

  • -

    [verdachte] iets wilde ondernemen en toen hij wegging heeft gezegd dat de bom naar binnen zou gaan,

  • -

    naderhand [medeverdachte 2] en [verdachte] bij hem zijn gekomen en [verdachte] vertelde hoe hij de brandbom had gegooid.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard twee personen te hebben gezien net na het moment dat de brandbom werd gegooid en daarbij verklaard die twee personen te hebben herkend als [verdachte] en [medeverdachte 2] . Hij heeft ook verklaard dat hij (zelf) op beelden is te zien die zijn gemaakt kort na het ontstaan van de brand en die zijn vertoond op TV Gelderland.18

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat ze de nacht van de brand om 02.10 uur wakker werd toen ze hoorde dat mensen op straat een beetje ruzie maakten en vermoedde dat het uit de richting van het “Polenpand” kwam. Zij kon niet verstaan wat er gezegd werd, maar wel dat vloeiend Nederlands werd gesproken. Zij hoorde deze twee stemmen en later ook toen er glas werd gebroken en kort daarna het brandalarm afging. Zij hoorde 30 seconden later

dezelfde stem zeggen: “laat me los, ik heb het niet gedaan”.19

[betrokkene] heeft verklaard dat hij aan [medeverdachte 1] heeft gevraagd wat [medeverdachte 2] en [verdachte] gingen doen en dat [medeverdachte 1] en toen zei dat ze iets met het Poolse huis en een brandbom zouden doen. Naderhand zijn [medeverdachte 2] en [verdachte] samen teruggekomen naar de woning aan de [straat 1] en zeiden ze dat het Poolse huis in brand stond20

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat ongeveer 2 weken voor het incident [medeverdachte 1] bij hem is geweest en vertelde dat hij problemen had, omdat hij twee goudstaven had gevonden. [medeverdachte 2] is toen meerdere avonden met [medeverdachte 1] meegegaan in verband met de beveiliging van zijn huis. [medeverdachte 1] had staan posten bij de [straat 2] en had daar mensen herkend die bij zijn huis rondhingen. In de nacht van 3 op 4 september heeft [medeverdachte 1] hem samen met [verdachte] met de bus opgehaald. Met de bus zijn ze eerst naar het Tulip hotel gereden waar ook Polen zouden wonen en daarna naar de [straat 2] . Allen dachten dat de dreiging die [medeverdachte 1] ervoer van de Polen kwam. [medeverdachte 1] wilde verhaal gaan halen, hij had daartoe een mes bij zich. Omdat er mogelijk bij de mensen in het ‘Polenpand’ ook wapens waren, heeft hij er vanaf gezien het mes te gebruiken. Alle drie dachten ze dat er mensen in het pand aan de [straat 2] waren. [medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat [verdachte] in de bus zei dat ze ook een brandbom naar binnen konden gooien om ze af te schrikken, zodat ze op zouden houden. Toen kwam ter sprake dat [medeverdachte 2] de steen naar binnen zou gooien en [verdachte] de brandbom. Het plan was de bom door het gat te gooien. [medeverdachte 1] vond dat geen goed idee. Nadat [medeverdachte 1] thuis was afgezet is [medeverdachte 2] met [verdachte] naar diens woning gegaan en samen hebben ze een brandbom gemaakt. Daarbij is een fles gevuld met benzine afkomstig uit de bromfiets van [verdachte] . In de fles is een stuk stof gedaan. Samen zijn ze toen met de bromfiets naar de [straat 2] gegaan en naar het pand gelopen. Ze moesten nog even schuilen aangezien er een auto voorbijreed. [medeverdachte 2] heeft vervolgens de steen door de ruit gegooid. Hij heeft verklaard dat hij meende dat de kamer aan de straatzijde een gemeenschappelijke ruimte was. Toen hij daarna geschreeuw uit het pand hoorde heeft hij naar [verdachte] geroepen de brandbom niet te gooien. Daarna heeft [verdachte] de brandbom naar binnen gegooid.21

[verdachte] heeft de feiten ontkend. Hij heeft aanvankelijk bij de politie verklaard dat hij in het geheel niet bij [medeverdachte 1] is geweest, aangezien hij die avond in café [café] was geweest tot sluitingstijd van 02.00 uur en geholpen heeft bij het afsluiten van de kroeg.

Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat [verdachte] die avond tot sluitingstijd is gebleven. Bij het afsluiten stond [verdachte] buiten te bellen.22

Uit onderzoek bij het beveiligingsbedrijf [bedrijf] is duidelijk geworden dat het alarm van het café [café] op 4 september om 00.32 is aangezet.23

Met het vaste nummer van [naam] (de moeder van [medeverdachte 1] ) is op 4 september om 00.31 gebeld met het mobiele telefoon van [verdachte] .24

Ter terechtzitting op 28 oktober 2015 heeft [verdachte] verklaard alleen zijn brommer te hebben uitgeleend aan [medeverdachte 1] en dat hij de dag erop begreep dat de benzine uit zijn brommer was gebruikt bij de bom, omdat de tank bijna leeg was toen hij de brommer terugkreeg.

Hij heeft verder verklaard dat hij het alibi van het café alleen heeft gegeven omdat hij het gevoel had er te worden ingeluisd. Zijn brommer was immers gebruikt en hierdoor zou hij snel langere tijd vastzitten.25

De rechtbank concludeert dat [verdachte] aanvankelijk heeft gelogen over zijn alibi en zijn verklaring heeft aangepast.

Gelet op wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de verklaring van [medeverdachte 2] , de verklaring van [medeverdachte 1] , de herkenning door getuige [getuige 1] en het liegen over zijn alibi acht de rechtbank de verklaring van [verdachte] niet geloofwaardig. De rechtbank heeft de overtuiging dat [verdachte] de brandbom door de ruit in het pand heeft gegooid.

Medeplegen

De rechtbank heeft de overtuiging dat [medeverdachte 2] en [verdachte] de feiten tezamen en in vereniging hebben gepleegd. Ze komt tot die overtuiging door het volgende:

In de bus is door de verdachten gesproken over het maken van de brandbom. Nadien hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] samen in de woning van [verdachte] de brandbom vervaardigd met benzine afkomstig uit de bromfiets van [verdachte] . Ze zijn vervolgens samen naar het pand aan de [straat 2] gereden. Daar heeft [medeverdachte 2] als eerste de steen door de ruit gegooid. De rechtbank concludeert dat het gooien van de steen door de ruit nodig was om er zeker van te zijn dat de brandbom in het pand kon worden gegooid.

De rol van [medeverdachte 1]

De rechtbank concludeert dat bij [medeverdachte 1] het idee is ontstaan dat [slachtoffer 1] en mogelijk anderen, de woning van verdachte in de gaten hielden. Hij is hierdoor bang geworden en heeft ter bescherming meerdere vrienden en kennissen, waaronder [medeverdachte 2] en [verdachte] , om zich heen verzameld en hen verteld over de problemen. Hij wist in welke kamer van het pand [slachtoffer 1] verbleef. Hij heeft de nacht voorafgaande aan de brand aan de politie aangegeven de problemen zelf wel op te lossen. De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 1] een sfeer van onverdraagzaamheid heeft gecreëerd in de richting van [slachtoffer 1] , althans mensen die in het ‘Polenpand’ woonden. Verder blijkt voor de rechtbank dat [medeverdachte 1] de problemen zelf wilde oplossen, omdat de politie niets voor hem kon doen.

In de nacht van 3 op 4 september heeft hij een WhatsApp bericht verstuurd waarin staat dat er zo op jacht wordt gegaan. Hij is korte tijd voorafgaand aan de brand samen met [verdachte] en [medeverdachte 2] langs het pand aan de [straat 2] gereden. Ze zijn langs dit pand gereden om dit [verdachte] aan te wijzen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] dacht dat alleen de mensen waar hij, [medeverdachte 1] , last van had, daar woonden. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben [verdachte] gezegd dat er meer mensen woonden, wel zo’n 10 of 20.26 In de bus is het gooien van de brandbom ter sprake gekomen. Toen [medeverdachte 2] en [verdachte] [medeverdachte 1] bij de woning van zijn moeder hadden afgezet heeft [verdachte] gezegd dat de bom naar binnen zou gaan.

De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 1] wist dat het plan was om een brandbom in het pand aan de [straat 2] te gooien en vervolgens niets tegen de uitvoering van dat plan heeft ondernomen of daarvan afstand heeft genomen.

De rechtbank is er van overtuigd dat door de gedragingen van [medeverdachte 1] uiteindelijk de brandbom in het pand is gegooid. Verder is de rechtbank er ook van overtuigd dat zonder de gedragingen van [medeverdachte 1] de brandbom niet was gegooid. [medeverdachte 1] was de initiator en de rechtbank concludeert dan ook dat [medeverdachte 1] , door het samenstel van zijn gedragingen, [medeverdachte 2] en [verdachte] heeft uitgelokt tot het oplossen van ‘het probleem Polenpand dan wel [slachtoffer 1] en niet heeft ingegrepen toen of verhinderd dat dat plan werd uitgevoerd door het gooien van een brandbom in dat pand.

Opzet op de dood

Het staat vast dat na het gooien van de brandbom er brand is ontstaan in de kamer waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verbleven en het letsel bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is ontstaan. Door het gooien van een steen door een ruit en vervolgens daarna door dat ontstane gat gooien van een brandbom concludeert de rechtbank dat de opzet van verdachten gericht is geweest op tot stand brengen van een brand in dat pand. Verdachten wisten dat er veel mensen in het pand woonden en het is een feit van algemene bekendheid dat een brand in een woning kan leiden tot dodelijke slachtoffers. Daarmee hebben verdachten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door de ontstane brand één of meer aanwezige personen in de woning dodelijk zouden worden getroffen. De rechtbank concludeert hiermee dat er bij [medeverdachte 2] en [verdachte] sprake was van voorwaardelijke opzet op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Voorbedachte raad

De rechtbank concludeert dat er sprake is van voorbedachte raad. In de bus is het maken van de brandbom ter sprake gekomen. [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn daarna naar de woning van [verdachte] gegaan en hebben daar de brandbom gemaakt. Vervolgens zijn ze met de bromfiets van [verdachte] naar de woning aan de [straat 2] gegaan en zijn naar het pand gelopen. Ze hebben nog gewacht, aangezien er een auto langsreed. Gelet op bovenstaande is er vanaf het moment van het maken van het plan voor het gooien van de brandbom en de uitvoering daarvan sprake geweest van een reeks momenten waarop beslissingen zijn genomen. De rechtbank concludeert dat elke beslissing die werd genomen gericht is geweest op de uitvoering van het plan.

Gelet op bovenstaande is er naar de mening van de rechtbank sprake van voorbedachte raad.

[medeverdachte 2] heeft gedetailleerd verklaard over de feiten en zijn betrokkenheid daarbij. Hij belast zichzelf in zijn verklaring en zijn verklaring wordt ondersteund door de waarneming van getuige [getuige 1] . De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte 2] afgelegd bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting daarom geloofwaardig en betrouwbaar.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 3 op 4 september 2014 te Velp, gemeente Rheden, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven te beroven,

zich (op een scooter/bromfiets) heeft begeven naar de woning/verblijfplaats ( [adres 2]

[adres 2] ) van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] ,

waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) -conform tevoren gemaakte afspraak- een steen, althans een dergelijk voorwerp, en/of een molotov-cocktail/brandbom, althans een dergelijk -brandbaar- voorwerp, door een ruit van die woning naar binnen hebben/heeft

gegooid,

waarbij/waarna die steen of dat voorwerp en/of die molotov-cocktail/brandbom of dat -brandbaar- voorwerp zijn/is beland op het bed, waarop die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] lag(en) (te slapen), althans in de kamer/ruimte waarin die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] zich bevond(en), tengevolge waarvan brand is ontstaan in die woning, zulks terwijl verdachte en/of

verdachtes mededader(s) wist(en) dat die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of een

of meer (andere) personen zich in de kamer/ruimte bevond(en) waar die steen of

dat voorwerp en/of die molotov-cocktail/brandbom of dat -brandbaar- voorwerp

door die ruit naar binnen werd(en) gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de nacht van 3 op 4 september 2014 te Velp, gemeente Rheden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s)

zich (op een scooter/bromfiets) hebben/heeft begeven naar de woning/verblijfplaats ( [adres 2] ) van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) personen en/of (vervolgens) -conform tevoren gemaakte afspraak- een steen, althans een dergelijk voorwerp, en/of een molotov-cocktail/brandbom, althans een dergelijk -brandbaar- voorwerp, door een ruit van die woning naar binnen hebben/heeft gegooid, waarbij/waarna die steen of dat voorwerp en/of die molotov-cocktail/brandbom of dat -brandbaar- voorwerp zijn/is beland op het bed, waarop die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] lag(en) (te slapen), althans in de kamer/ruimte waarin die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] zich bevond(en),

tengevolge waarvan brand is ontstaan in die woning, zulks terwijl vedachte en/of hun/zijn mededader(s) wist(en) dat die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) personen zich in de kamer/ruimte bevond(en) waar die steen of dat voorwerp en/of die molotov-cocktail/brandbom of dat -brandbaar- voorwerp door die ruit naar binnen werd(en) gegooid in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen),

tengevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning aanwezige perso(o)n(en), te weten die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of een of meer andere personen, in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was,

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van een poging tot moord, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Verder heeft zij gevorderd dat aan verdachte de TBS-maatregel met dwangverpleging wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht, indien de rechtbank het tenlastegelegde bewezen acht, bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Betoogd wordt dat de informatie uit de rapportages onvoldoende aanleiding geven om tot het opleggen van de TBS-maatregel met dwangverpleging over te gaan.

Na onderzoek wordt in het PBC-rapport van 8 augustus 2013 het herhalingsgevaar voor geweldsdelicten laag ingeschat. Verder is de persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken in de loop der jaren milder geworden. De rapporteurs kunnen geen oordeel vormen over de toerekeningsvatbaarheid.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 22 september 2015;

- een Pro Justitia rapportage, opgesteld door [deskundige 1] , psychiater, gedateerd 22 januari 2015;

- een verlengingsadvies voorwaardelijk beëindigende dwangverpleging van Reclassering Nederland, gedateerd 9 februari 2015;

- een Pro Justitia rapportage, opgesteld door drs. [deskundige 2] , GZ-psycholoog, gedateerd 14 april 2015;

- een Pro Justitia rapportage, opgesteld door [deskundige 3] , psychiater, en [deskundige 4] , GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht, gedateerd 23 oktober 2015.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gruwelijke poging tot moord van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door middel van brandstichting. In de nacht van 3 op 4 september 2014 haalt [medeverdachte 1] samen met [verdachte] , [medeverdachte 2] thuis op met de bus. In de bus wordt het plan bedacht om de bewoners van het pand aan de [adres 2] (“Polenpand”) af te schrikken, zodat [medeverdachte 1] niet langer lastiggevallen wordt. Dit plan houdt in dat [medeverdachte 2] een steen door een van de ruiten van het pand zal gooien en dat [verdachte] daarna een brandbom door hetzelfde gat naar binnen zal gooien. Kort daarna wordt de brandbom bij [verdachte] thuis gemaakt en wordt volgens plan gehandeld. In de kamer van het pand waar de steen en de brandbom naar binnen worden gegooid, liggen op dat moment [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] nietsvermoedend in bed te slapen. In een paar minuten tijd wordt hen op gruwelijke wijze een toekomst, zoals zij die zelf voor ogen hadden, ontnomen.

Zowel poging tot moord als opzettelijke brandstichting met levensgevaar behoren tot de meest ernstige misdrijven in het Nederlandse strafstelsel. Dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de aanslag op hun leven hebben overleefd is niet te danken aan verdachte, maar aan (veelvuldig) medisch ingrijpen. Verdachte heeft door zijn laakbare handelen bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onherstelbaar leed toegebracht.

Als gevolg van de brand is 78,5% van de totale huidoppervlakte van [slachtoffer 1] verbrand, waarvan 41% tweedegraads en 37,5% derdegraads. Verder heeft hij licht inhalatieletsel opgelopen en is sprake van blijvende beschadiging van de zenuwen in beide onderbenen, voeten en rechterhand. Kenmerkend voor de ernst van de verwondingen van [slachtoffer 1] is dat de artsen van het Brandwondencentrum omstreeks 9 september 2014 moreel beraad wilden houden over de voorzetting van de behandeling en de draaiboeken voor het overbrengen van het lichaam van [slachtoffer 1] naar Slowakije al klaar lagen. Hij is 104 dagen in het Brandwondencentrum opgenomen geweest, waarvan 70 dagen op de afdeling Intensive Care. Hij heeft 15 operaties in het Brandwondencentrum ondergaan. Hij is twee keer gereanimeerd. Daarna is hij nog eens 233 dagen in het RMC Groot Klimmendaal opgenomen geweest.

[slachtoffer 1] zal voor altijd de littekens op zijn benen, armen en andere lichaamsdelen zien en hij zal iedere dag met de beperkingen worden geconfronteerd. Hij is niet meer in staat om te wandelen, hard te lopen, langdurig te staan, te hurken, te kruipen, zwaardere voorwerpen te tillen, fijne bewegingen met zijn dominante rechterhand te maken en kracht te zetten met zijn armen. Daarbij komt nog de constante pijn en jeuk. Hij is vanwege het letsel en de beperkingen in grote mate afhankelijk geworden van de hulp van derden. Hij kan onder andere de huishoudelijke taken niet meer zelfstandig verrichten. Iedere dag heeft hij verzorging nodig. Hij zal zijn voeten blijvend moeten laten verzorgen. De klachten en beperkingen zijn blijvend; er zal geen verbetering meer optreden. Hij is dus voor de rest van zijn leven gehandicapt. Als gevolg van de brand is hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt geworden, kan hij zijn hobby als sportvisser niet meer uitoefenen en is hij in een sociaal isolement geraakt.

Als gevolg van de brand is bij [slachtoffer 2] - die ten tijde van het incident pas enkele dagen in Nederland verbleef - 55,2% van de totale huidoppervlakte verbrand, waarvan 25,7% tweedegraads en 29,5% derdegraads. Verder heeft zij hypertensie van beide pinken, een licht inhalatieletsel en een posttraumatische stressstoornis met een reactieve depressieve stoornis opgelopen. [slachtoffer 2] is 95 dagen in verschillende ziekenhuizen in Nederland en Slowakije opgenomen geweest. Zij heeft in Nederland 8 operaties ondergaan. Zij staat nog steeds bij meerdere specialisten onder behandeling en zal nog meerdere operaties moeten ondergaan. [slachtoffer 2] draagt over het gehele lichaam elastische drukkleding. Haar hele lichaam doet pijn en jeukt. Zij is niet in staat de meest eenvoudige handelingen met haar handen te verrichten. Verder is zij bij het lopen beperkt door de pijn aan de onderkant van beide voeten. Het dragen van schoenen zorgt al voor klachten en zij is niet in staat om te hurken of te bukken. Het ergste vindt zij dat de brand zichtbare (littekens) en hoorbare (verzwaarde stem) sporen heeft achtergelaten en haar psychische klachten. [slachtoffer 2] heeft hulp nodig bij onder meer de huishoudelijke taken, de werkzaamheden in, aan en/of rond de woning en de verzorging van de kinderen. Tot op heden is zij vanwege de brand niet in staat om te werken. Het is nog maar de vraag of zij ooit op de arbeidsmarkt zal kunnen terugkeren.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het bewezenverklaarde zowel voor verdachte als zijn medeverdachten in beginsel een forse gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren passend is.

De rechtbank rekent verdachte zwaar aan dat hij geen verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen en dat hij geen berouw voor zijn daden heeft getoond.

Uit het strafblad volgt dat verdachte al eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld. Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 11 mei 2005 is verdachte voor doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden en een TBS-maatregel met voorwaarden. Bij beslissing van 25 juli 2008 is deze maatregel omgezet in een TBS-maatregel met dwangverpleging. Op 13 december 2013 is de dwangverpleging onder voorwaarden beëindigd. Desondanks is verdachte weer in de fout gegaan. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om van haar uitgangspunt af te wijken.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of naast een gevangenisstraf opnieuw een TBS-maatregel met dwangverpleging noodzakelijk is.

Voor de feiten kan - gezien het strafmaximum bij deze feiten (artikel 37a eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht) - een TBS-maatregel worden opgelegd. Verder dient tijdens de feiten sprake te zijn geweest van en stoornis.

Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum volgt dat er bij verdachte (al jaren) sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken en cannabismisbruik. Ten tijde van de feiten was deze stoornis ook aanwezig. Door het Pieter Baan Centrum kan gelet op de ontkennende houding van verdachte niet worden aangegeven in hoeverre de stoornis van invloed is geweest op zijn gedrag en keuzes bij de tenlastegelegde feiten. De rechtbank is gelet op ernst en langdurigheid van de stoornis van oordeel dat de feiten verdachte in ieder geval verminderd kunnen worden toegerekend.

Vervolgens ligt de vraag ter beantwoording voor of – ter bescherming van de maatschappij – een TBS-maatregel met dwangverpleging aan verdachte moet worden opgelegd.

De rapporteurs achten zich – zoals overwogen door de houding van verdachte – niet in staat om een advies over de kans op herhaling en over de eventuele inhoud van een behandeling te geven. De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de rapportage volgt dat verdachte bekend is met sterke impulsieve reacties en agressief gedrag. Zoals hiervoor is gebleken, is verdachte al eerder voor geweldsmisdrijven veroordeeld. Verder heeft hij zich binnen een jaar na de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging schuldig heeft gemaakt aan deze nieuwe en zeer ernstige feiten.

Verder blijkt uit de rapportage dat verdachte zich tijdens het onderzoek in het Pieter Baan Centrum ook agressief heeft gedragen door een groepsleider uit te dagen en heeft geprobeerd deze aan te vallen.

Gelet op al dit voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een groot herhalingsgevaar dat samenhangt met zijn problematiek. De rechtbank acht het niet verantwoord dat verdachte zonder dat dit gevaar in belangrijke mate is weggenomen terugkeert in de maatschappij. Naar het oordeel van de rechtbank is het verkleinen van de kans op herhaling en het realiseren van hulpverlening alleen mogelijk binnen een zeer fors juridisch kader waarbij verdachte voor zijn problematiek behandeld wordt. Op grond van alle omstandigheden, waaronder de ernst van de stoornis van verdachte en de ernst van deze feiten, ziet de rechtbank geen mogelijkheid voor een ‘milder’ behandeltraject.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, mede gezien de ernst van de begane feiten en wat in de rapportages is overwogen, de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. De rechtbank is verder van oordeel dat het herhalingsgevaar zodanig is dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eisen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd. Nu het verder gaat om feiten die een krenking zijn van de lichamelijke integriteit van een of meer personen is de duur van de TBS-maatregel niet beperkt.

Gelet op al wat hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank ter afdoening van de onderhavige zaak, naast de TBS-maatregel met dwangverpleging, een gevangenisstraf de duur van 14 jaren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, op zijn plaats.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de bewezenverklaarde feiten. Daartoe zijn door de raadsman van de benadeelde partijen bij de voegingsformulieren voorlopig schaderapporten gevoegd met 39 respectievelijk 24 bijlagen. Gevorderd worden bedragen van € 1.010.223,90 door A. [slachtoffer 1] en € 930.066,50 door [slachtoffer 2] .

De vordering van A. [slachtoffer 1] (€ 1.010.223,90)

Nr.

Schadepost

Verschenen schade

Toekomstige schade

Extra bedrag

Totaal

1

Materiële schade

€ 12.000

-

-

€ 12.000

2

Telefoon- en portokosten

€ 1.000

-

€ 10.000

€ 11.000

3

Reiskosten

€ 323,80

-

€ 25.000

€ 25.323,80

4

Medische kosten

€ 281

€ 3.584

€ 50.000

€ 53.865

5

Ziekenhuisdaggeldvergoeding

€ 6.174

-

€ 10.000

€ 16.174

6

Hulpmiddelen

€ 5.380

€ 15.030

€ 50.000

€ 70.410

7

Verzorgingskosten

-

€ 60.329

€ 100.000

€ 160.329

8

Pedicure

€ 140

€ 11.173

€ 5.000

€ 16.313

9

Verlies tatoeages

€ 15.000

-

-

€ 15.000

10

Huur nieuwe woning

€ 2.244,90

€ 124.242

€ 30.000

€ 156.486,90

11

Huishoudelijke hulp

€ 160

€ 44.561

€ 20.000

€ 64.721

12

Verlies zelfwerkzaamheid

€ 49,88

€ 4.630

€ 25.000

€ 29.679,88

13

Verlies verdienvermogen

€ 755,09

€ 87.980,11

€ 50.000

€ 138.735,20

14

Smartengeld

€ 225.000

-

-

€ 225.000

15

Buitengerechtelijke kosten

€ 186,12

-

€ 15.000

€ 15.186,12

16

Wettelijke rente

PM

PM

PM

PM

Totaal

€ 268.694,79

€ 351.529,11

€ 390.000

€ 1.010.223,90

De vordering van [slachtoffer 2] (€ 930.066,50)

Nr.

Schadepost

Verschenen schade

Toekomstige schade

Extra bedrag

Totaal

1

Materiële schade

€ 500

-

-

€ 500

2

Telefoon- en portokosten

€ 100

-

€ 250

€ 350

3

Reiskosten

€ 739,30

-

€ 20.000

€ 20.739,30

4

Medische kosten

€ 750

-

€ 200.000

€ 200.780

5

Ziekenhuisdaggeldvergoeding

€ 2.240

-

€ 10.000

€ 12.240

6

Hulpmiddelen

-

-

€ 25.000

€ 25.000

7

Verzorgingskosten

€ 11.943,75

€ 33.808

€ 100.000

€ 145.751,75

8

Huishoudelijke hulp

€ 2.657

€ 4.280

€ 50.000

€ 56.937

9

Verlies zelfwerkzaamheid

€ 285

€ 1.412

€ 25.000

€ 26.697

10

Verlies verdienvermogen

€ 776,40

€ 16.288

€ 250.000

€ 267.064,40

11

Smartengeld

€ 157.775

-

-

€ 157.775

12

Medische informatie

€ 93,05

-

€ 15.000

€ 15.093,05

13

Kosten overnachting

€ 139

-

€ 1.000

€ 1.139

14

Wettelijke rente

PM

PM

PM

PM

Totaal

€ 178.028,50

€ 55.788

€ 696.250

€ 930.066,50

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van [slachtoffer 1]

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van deze benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 486.450,90 vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat het bepalen van de schade zoals genoemd onder het kopje ‘Extra bedrag’ een onevenredige belasting voor het strafproces vormt. Verder zijn de posten

hulpmiddelen (post 6), verzorgingskosten (post 7), pedicure (post 8), het verlies van tatoeages (post 9) en huishoudelijke hulp (post 11) onvoldoende onderbouwd. De overige bedragen die genoemd zijn onder de kopjes ‘Verschenen schade’ en ‘Toekomstige schade’ lijken alleszins redelijk.

Ten aanzien van [slachtoffer 2]

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van deze benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 233.816,50 vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor het overige

niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard.

De officier van justitie is van mening dat de bedragen die genoemd zijn onder de kopjes ‘Verschenen schade’ en ‘Toekomstige schade’ toegewezen dienen te worden, nu deze bedragen - ondanks dat niet alle posten van concrete onderbouwing zijn voorzien - alleszins redelijk zijn. Het bepalen van de schade zoals genoemd onder het kopje ‘Extra bedrag’ vormt een onevenredige belasting voor het strafproces.

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging verzocht om de vorderingen van de benadeelde partijen af te wijzen. Verder heeft de verdediging naar voren gebracht dat de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen, al gelet op de omvang en complexiteit van de daartoe overgelegde schaderapporten, een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert.

Verder is door de verdediging in de verschillende zaken (ook tegen de medeverdachten) nog het volgende ingebracht.

Ten aanzien van [slachtoffer 1]

Met betrekking tot de materiële schade heeft de verdediging verzocht om de vordering af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering te verklaren.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de posten 1, 2, 4, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 niet dan wel onvoldoende zijn onderbouwd, waarbij eventueel nader onderzoek een onevenredige belasting is voor het strafproces. Bovendien geldt ten aanzien van de posten 3, 4, 6 en 7 dat die onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) vallen.

Met betrekking tot het verlies van verdienvermogen (post 13) is gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat het niet verlengen van het contract rechtstreeks verband houdt met de strafbare feiten. Ten aanzien van de posten 3, 4, 7, 11, 12 en 13 wordt opgemerkt dat [slachtoffer 1] zich al op 23 juni 2014 arbeidsongeschikt had gemeld als gevolg van hartproblemen waarvoor hij een medische ingreep moest ondergaan. Er zou nader onderzoek gedaan moeten worden naar de impact van deze al bestaande klachten op de genoemde posten. Verder dienen de schadeposten onder het kopje ‘Extra bedrag’ te worden afgewezen.

Met betrekking tot de immateriële schade heeft de verdediging matiging van het bedrag verzocht. Het soortgelijke geval waarnaar de raadsman van de benadeelde partij heeft verwezen, acht de raadsman van de verdediging niet gelijk. Verder kan niet zonder meer worden aangenomen dat het Hof in het arrest een rechtsregel heeft geformuleerd.

Tot slot verzoekt de verdediging om, voor zover het opleggen van schadevergoedingsmaatregel aan verdachte samengaat met het opleggen van de TBS-maatregel, de vervangende hechtenis in geval van een toewijzing van de vordering op één dag te stellen.

Ten aanzien van [slachtoffer 2]

Met betrekking tot de materiële schade heeft de verdediging verzocht om de vordering af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering te verklaren.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de posten 1, 2, 4 en 6 niet dan wel onvoldoende zijn onderbouwd.

Met betrekking tot de posten 3, 5, 7 en 8 is een beroep gedaan op de Nederlandse forfaitaire regelingen en rechtspraak, terwijl [slachtoffer 2] in oktober 2014 al naar Slowakije is overgebracht alwaar een groot deel van behandeling en herstel heeft plaatsgevonden. De bedragen die in de richtlijnen genoemd worden zijn op de Nederlandse standaard gebaseerd. Die gelden niet onverkort in de Slowaakse situatie. Daarvoor is onderzoek nodig, wat een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert.

Post 9 (verlies verdienvermogen; de rechtbank leest aldus post 10) dient te vervallen, omdat het handhavingsverdrag bepaalt dat [slachtoffer 2] bij het voortduren van arbeidsongeschiktheid een uitkering, die hoger is dan zij in Slowakije had kunnen verdienen, zal blijven ontvangen. Voorts is gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat het niet verlengen van een arbeidscontract rechtstreeks verband houdt met de strafbare feiten.

Met betrekking tot de immateriële schade heeft de verdediging matiging van het bedrag verzocht. Het soortgelijke geval waarnaar de raadsman van de benadeelde partij heeft verwezen, acht de raadsman van de verdediging niet gelijk. Verder kan niet zonder meer worden aangenomen dat het Hof in het arrest een rechtsregel heeft geformuleerd.

Tot slot verzoekt de verdediging om, voor zover het opleggen van schadevergoedingsmaatregel aan verdachte samengaat met het opleggen van de TBS-maatregel, de vervangende hechtenis in geval van een toewijzing van de vordering op één dag te stellen.

Beoordeling door de rechtbank

Algemene verweren met betrekking tot beide vorderingen:

De rechtbank verwerpt, onder verwijzing naar de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten: het medeplegen van tweemaal poging moord en het medeplegen van brandstichting met levensgevaar, het primaire standpunt van de verdediging. Evenmin wordt de verdediging in diens standpunt gevolgd dat de vorderingen reeds vanwege diens omvang en/of complexiteit niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van

€ 396.062,29 ( [slachtoffer 1] ) en € 226.041,50 ( [slachtoffer 2] ) schade hebben geleden. Dit zal hieronder per schadepost worden toegelicht. Voor deze schade is verdachte op grond van het voorgaande naar burgerlijk recht aansprakelijk. In zoverre is de vordering voor toewijzing vatbaar, inclusief de daarover gevorderde wettelijke rente met ingang van de hieronder nader te bepalen data. Met betrekking tot een aantal schadeposten zal een ingangsdatum (hieronder aangegeven met een *) worden bepaald die in het midden ligt van de periode waarin die schadeposten zijn ontstaan.

Ten aanzien van [slachtoffer 1]

Algemene verweren

Wmo

Ten aanzien van verschillende posten van de vorderingen van benadeelde partijen heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de kosten onder de Wmo vallen. De rechtbank volgt dit verweer niet. De rechtbank is van oordeel dat het de benadeelde partijen vrijstaat om schade veroorzaakt door verdachtes strafrechtelijke handelen op hem te verhalen. Gelet op de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:776) is dit de aangewezen weg voor schadeloosstelling, omdat de eigen verantwoordelijkheid van burgers een grote rol speelt in de Wmo. Enkel voor die gevallen die door de burgers onmogelijk zelf kunnen worden geregeld, behoort de overheid (middels de Wmo) verantwoordelijkheid te nemen. De rechtbank verwerpt daarmee dit verweer.

Hartklachten

Evenmin wordt de verdediging gevolgd in diens verweer dat de eerdere medische klachten (het hartfalen) van [slachtoffer 1] wellicht van invloed kan zijn op (de hoogte van) verschillende posten van zijn vordering. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 31 juli 2015 (bijlage 26 van het voorlopig schaderapport) volgt weliswaar dat [slachtoffer 1] zich op 23 juni 2014 arbeidsongeschikt meldde en dat hij is uitgevallen met hartproblematiek waarvoor hij een medische ingreep moest ondergaan. Echter, uit hetzelfde rapport volgt vervolgens dat uit medische gegevens en uit huidig onderzoek blijkt dat [slachtoffer 1] door de brandwonden dusdanig blijvend letsel heeft opgelopen dat hij in grote mate voor de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) afhankelijk is geworden. Een en ander wordt ondersteund door de verklaring van de leidinggevende van [slachtoffer 1] , dat hij na zijn hartinfarct weer aan het werk was gegaan, en de verklaring van [slachtoffer 1] zelf, dat hij 3 september 2014 vroeg naar bed was gegaan, omdat hij de volgende dag weer moest gaan werken. Op grond van het voorgaande verwerpt de rechtbank ook dit verweer van de verdediging.

Per post

1. Materiële schade

Gelet op de aard van de bewezenverklaarde handelingen, in het bijzonder het in brand (laten) steken van de woning van de benadeelde partij, is naar het oordeel van de rechtbank op grond van de stukken en de toelichting ter terechtzitting komen vast te staan dat de door hem genoemde eigendommen door de brand verloren zijn gegaan. Verder is naar het oordeel van de rechtbank op grond van de stukken en de toelichting ter terechtzitting komen vast te staan

dat hij als gevolg van het handelen van verdachte noodzakelijkerwijs kosten heeft moeten maken voor het (laten) opknappen en inrichten van zijn nieuwe huurwoning.

Nu de schadeposten naar het oordeel van de rechtbank redelijk voorkomen en voorshands in redelijkheid kunnen worden bepaald, is zij van oordeel dat deze schadeposten geen onevenredige belasting vormen voor het strafproces en dient het volledige bedrag van

€ 12.000 te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 4 september 2014.

2. Telefoon- en portokosten

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en de toelichting ter terechtzitting is komen vast te staan dat ten gevolge van het bewezenverklaarde en ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid in dat verband kosten zijn gemaakt ter hoogte van het gevorderde bedrag. Dat (een deel van) die communicatie binnen de bestaande bundel van de benadeelde partij kan zijn verricht en/of per digitale post doet hieraan niet af, zodat het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Het bedrag van € 1.000 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 8 april 2015*.

3. Reiskosten

Tegen de hoogte van de gevorderde reiskosten is verder geen inhoudelijk verweer gevoerd.

Nu de schadepost naar het oordeel van de rechtbank verder voldoende is onderbouwd en redelijk voorkomt, is zij van oordeel dat deze schadepost kan worden toegewezen.

Het bedrag van € 323,80 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 28 mei 2015*.

4. Medische kosten

De ziektekostenverzekering heeft de medische kosten tot op heden vrijwel volledig vergoed. Voor de aanschaf van voorlopige orthopedische schoenen heeft hij een bedrag van € 140,50 moeten voldoen. Deze schoenen draagt hij elke dag.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en de toelichting ter terechtzitting is komen vast te staan dat dat hij toe is aan zijn tweede paar schoenen en dat een paar schoenen maximaal twee jaar meegaat. De rechtbank acht, gelet op het door het bewezenverklaarde handelen ontstane blijvend letsel aan de voeten van de benadeelde partij, de gevorderde verschenen schade van € 281 alsook de toekomstige schade van € 3.584 voor orthopedische schoenen daarom voldoende onderbouwd en redelijk. Dit geldt te meer nu ook

een sterftekanscorrectie in de schadeberekening is verwerkt.

Het bedrag van € 3.865 zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 281 per 31 juli 2015*.

5. Ziekenhuisdaggeldvergoeding

Tegen de hoogte van de gevorderde ziekenhuisdaggeldvergoeding is geen inhoudelijk verweer gevoerd. Nu de schadepost naar het oordeel van de rechtbank verder voldoende is onderbouwd en redelijk voorkomt, is zij van oordeel dat deze schadepost kan worden toegewezen.

Het bedrag van € 6.174 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 20 februari 2015*.

6. Hulpmiddelen

Vanwege het door het bewezenverklaarde handelen zal benadeelde partij nooit meer normaal kunnen lopen en zal hij de rest van zijn leven op het gebruik van een scootmobiel (buitenshuis) en een rolstoel (binnenshuis) zijn aangewezen. In augustus 2015 heeft hij een scootmobiel tot zijn beschikking gekregen. Toewijsbaar is de eigen bijdrage voor de maanden augustus 2015 tot en met november 2015, te weten (4 x € 20 =) € 80. Hoewel de benadeelde partij verdachte (ingevolge voornoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep) dient aan te spreken tot de betaling van de kosten van aanschaf van de scootmobiel en de rolstoel, stelt de rechtbank vast dat hij al een scootmobiel en rolstoel heeft toegewezen gekregen. Aangezien niet is gebleken – maar ook niet valt uit te sluiten – dat deze eerste verstrekking zal worden teruggedraaid, zal de rechtbank de aanschafkosten voor de scootmobiel (€ 5.000) en rolstoel (€ 300) – nu nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren – niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en de toelichting ter terechtzitting met betrekking tot onder meer de levensduur van een scootmobiel de toekomstige schade voor de aanschaf van deze hulpmiddelen (€ 15.030) voldoende is onderbouwd en redelijk is.

De rechtbank zal daarom een bedrag van € 16.110 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 80 per 16 september 2015*.

7. Verzorgingskosten

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde verzorgingskosten onvoldoende concreet zijn. Uit de stukken volgt dat het op dit moment onduidelijk is of er kosten aan de verzorging verbonden zullen gaan zijn. Daarom is de rechtbank, met de verdediging, van oordeel dat het behandelen van deze schadepost een te zware belasting oplevert voor het strafproces en de benadeelde partij voor deze post dan ook niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

8. Pedicure

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en de toelichting ter terechtzitting is komen vast te staan dat het gaat om blijvend letsel aan de voeten van de benadeelde partij met kosten van € 35 per maandelijkse behandeling, de gevorderde verschenen schade van € 140 en de toekomstige schade van € 11.173 aan pedicurebehandelingen voldoende zijn onderbouwd en redelijk zijn.

Een bedrag van € 11.313 zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 140 per 16 september 2015*.

9. Verlies tatoeages

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en de toelichting ter terechtzitting is komen vast te staan dat de tatoeages (die hem € 1.954,29 hebben gekost) door zijn letsel als gevolg van het strafrechtelijke handelen van verdachte niet langer zichtbaar zijn. De stelling dat met het verloren gaan van de tatoeages een kunstwerk ter waarde van € 15.000 verloren is gegaan acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd en voor zover gesteld wordt dat met het verlies van de tatoeage een kunstwerk moet worden vergoed, is die stelling onjuist omdat een tattoo daarvoor te persoonlijk is. Nu nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren, dient de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Een bedrag van € 1.954,29 zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 4 september 2014.

10. Huur nieuwe woning

Na het ontslag uit het RMC Groot Klimmendaal heeft de benadeelde partij op 8 augustus 2015 een huurwoning van woningcorporatie Vivare betrokken. Hierdoor dient hij maandelijks huur te betalen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en de toelichting ter terechtzitting is komen vast te staan dat er sprake is van schade als gevolg van het bewezenverklaarde handelen.

Als redelijke termijn dat benadeelde partij zou blijven wonen en werken zoals hij voor de brand deed, gaat de rechtbank uit van 10 jaar. De daarbij behorende schade begroot de rechtbank in redelijkheid op een bedrag van € 5.000. Nu nader onderzoek tot een onevenredige belasting van het strafproces zou leiden, wordt de benadeelde partij bij deze post voor het overige

niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.

Een bedrag van € 5.000 zal aldus worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 2.244,90 per 16 september 2015*.

Deze post wordt voor het overige niet ontvankelijk verklaard.

11. Huishoudelijke hulp

Vanwege het opgelopen letsel als gevolg van de brand staat vast dat benadeelde partij niet meer in staat is om huishoudelijke taken zelfstandig te verrichten. In verband met zijn beperkingen heeft hij een hulp ingeschakeld. Deze hulp is vanaf augustus viermaal langs geweest en kostte hem € 40 per keer, dus in totaal € 160. Deze kosten acht de rechtbank voldoende onderbouwd en redelijk en derhalve toewijsbaar.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en de toelichting ter terechtzitting is komen vast te staan dat de beperkingen blijvend zijn. Zij acht de toekomstige schade, ook voor de toekomst voorspelbaar, op dit onderdeel eveneens voldoende onderbouwd en redelijk.

De rechtbank zal daarom een bedrag van € 44.721 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 160 per 16 september 2015*.

12. Verlies zelfwerkzaamheid

Tegen de hoogte van het gevorderde bedrag is geen inhoudelijk verweer gevoerd.

Het bedrag aan (verschenen en toekomstige) schade tot het bedrag van € 4.679,88, wat de rechtbank voldoende onderbouwd en ook zonder meer redelijk acht, zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 49,88 per 16 september 2015*.

13. Verlies verdienvermogen

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en de toelichting ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de brand en het daarbij opgelopen letsel volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is geraakt. Een verbetering van de functionele mogelijkheden is uitgesloten en een heronderzoek is blijkens de stukken niet aan de orde. Hij zal tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd op zijn IVA-uitkering aangewezen zijn. Daarmee verwerpt zij het verweer dat er geen sprake zou zijn van een causaal verband.

Dat maakt dat het verschil tussen het hypothetische inkomen zonder het bewezenverklaarde feit en het feitelijke inkomen sindsdien, doorberekend tot en met november 2015, als verlies van verdienvermogen voor vergoeding in aanmerking komt. Datzelfde geldt voor de gevorderde toekomstige schade in de daaropvolgende periode tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de gevorderde schade voldoende onderbouwd en redelijk en zal zij de verschenen en toekomstige schade tot een bedrag van € 88.735,20 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 755,09 per 8 april 2015*.

14. Smartengeld

Gevorderd is een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 225.000, onder verwijzing naar het letsel en de fysieke en psychische (deels: blijvende) gevolgen van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van rechtspraak van de Hoge Raad bij de naar billijkheid toe te kennen immateriële schadevergoeding moet worden aangesloten bij wat Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen (met inachtneming geldontwaarding), rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, zoals de aard en de ernst van de (letsel)schade, de aard en de ernst van de gevolgen en de aard en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, de mate van gederfde levensvreugde en de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde. Er mag gekeken worden naar wat buitenlandse rechters toewijzen, maar dat is niet doorslaggevend.

Het geweldsmisdrijf dat de benadeelde partij is overkomen, heeft een zeer grote impact gehad op zijn leven. Hij heeft zeer ernstig en blijvend fysiek letsel opgelopen. Hij zal iedere dag de littekens op zijn benen, armen en andere lichaamsdelen zien en hij zal iedere dag met de beperkingen worden geconfronteerd, pijn lijden en jeuk hebben. Hij is niet meer in staat om onder meer te wandelen, hard te lopen, langdurig te staan, te hurken, te kruipen, zwaardere voorwerpen te tillen en kracht te zetten met zijn armen. De inspannings- en warmtetolerantie zijn verminderd. Hij is vanwege het letsel en de beperkingen in grote mate afhankelijk geworden van de hulp van derden. Hij is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt geraakt. Voldoende aannemelijk is, op grond van de overgelegde stukken, dat hij ook op psychisch vlak problemen ondervindt. De rechtbank zal bij de bepaling van de omvang van het smartengeld dan ook rekening houden met de gestelde – en op grond van het toegebrachte letsel en de gruwelijke gevolgen van wat verdachte en zijn mededader/-uitlokker hebben aangericht de te verwachten– psychische klachten.

Op grond van wat op dit moment bekend is over het aan de benadeelde partij aangedane leed en in vergelijking het aangehaalde arrest van het gerechtshof ‘s-Gravenhage, zal de rechtbank het smartengeld naar billijkheid begroten op een bedrag van € 200.000. De wettelijke rente hierover is verschuldigd met ingang van 4 september 2014.

15. Buitengerechtelijke kosten

Tegen dit onderdeel van de vordering is geen inhoudelijk verweer gevoerd. Nu de schadepost naar het oordeel van de rechtbank verder voldoende is onderbouwd en redelijk voorkomt, is zij van oordeel dat deze schadepost kan worden toegewezen.

Het bedrag van € 186,12 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per datum dat de kosten zijn gemaakt: over een bedrag van € 93,05 per 16 april 2015 en over een bedrag van € 93,09 per 1 mei 2015.

Voor het overige zal de benadeelde partij in zijn vordering met betrekking tot de gevorderde extra bedragen bij alle posten niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat nader onderzoek tot een onevenredige belasting van het strafproces zou leiden.

Ten aanzien van [slachtoffer 2]

Algemeen verweer

Nu het bewezenverklaarde handelen van verdachte in Nederland heeft plaatsgevonden, is

de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer 2] met betrekking tot de door haar gevorderde schade een beroep kan doen op de Nederlandse forfaitaire regelingen en rechtspraak. Dat [slachtoffer 2] in oktober 2014 al naar Slowakije is overgebracht alwaar een groot deel van behandeling en herstel heeft plaatsgevonden, doet daar niet aan af. Het verweer op dit punt zal daarom worden verworpen.

Per post

1. Materiële schade

Gelet op de aard van de bewezenverklaarde handelingen, in het bijzonder het in brand (laten) steken van de woning van de benadeelde partij, is naar het oordeel van de rechtbank op grond van de stukken en de toelichting ter terechtzitting komen vast te staan dat de bezittingen verloren zijn gegaan en zij voor haar (opgelopen) zeer gevoelige huid en de uitgebreide littekens nieuwe losse kleding en ruime schoenen heeft moeten kopen.

Het volledige bedrag aan materiële schade van € 500 – nu deze schade voldoende is onderbouwd en redelijk voorkomt – zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 4 september 2014.

2. Telefoon- en portokosten

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en de toelichting ter terechtzitting is komen vast te staan dat in verband met tele- en schriftelijke communicatie ten gevolge van het bewezenverklaarde en ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid in dat verband kosten zijn gemaakt ter hoogte van het gevorderde bedrag.

Het bedrag van € 100 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 8 april 2015*.

3. Reiskosten

Tegen de hoogte van de gevorderde reiskosten is geen inhoudelijk verweer gevoerd. Nu de schadepost naar het oordeel van de rechtbank verder voldoende is onderbouwd en redelijk voorkomt, is zij van oordeel dat deze schadepost kan worden toegewezen.

Het bedrag van € 739,30 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 10 mei 2015*.

4. Medische kosten

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en de toelichting ter terechtzitting is komen vast te staan dat de kosten van de medicijnen in Slowakije voor rekening van de benadeelde partij zijn gekomen. Gelet op het door het bewezenverklaarde handelen ontstane letsel van de benadeelde partij, acht de rechtbank de gevorderde verschenen schade van € 780 voor medicijnen voldoende onderbouwd en redelijk.

Het bedrag van € 780 zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 1 juni 2015*.

5. Ziekenhuisdaggeldvergoeding

Tegen de hoogte van de gevorderde ziekenhuisdaggeldvergoeding is geen inhoudelijk verweer gevoerd. Nu de schadepost naar het oordeel van de rechtbank verder voldoende is onderbouwd en redelijk voorkomt, is zij van oordeel dat deze schadepost kan worden toegewezen.

Het bedrag van € 2.240 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 28 maart 2015*.

6. Hulpmiddelen

Er zijn geen bedragen aan verschenen en toekomstige schade gevorderd.

7. Verzorgingskosten

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en de toelichting ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij zwaar lichamelijk letsel aan de bewezenverklaarde feiten heeft overgehouden en intensieve verzorging nodig heeft gehad. De verzorgingskosten

(€ 11.943,75) zijn daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.

Aangezien niet is betwist dat benadeelde partij ook in de toekomst nog intensieve verzorging nodig zal hebben, is de rechtbank, mede gezien de aard en het ernst van het letsel, verder van oordeel dat het bedrag van € 33.808 aan toekomstige schade ook toewijsbaar is.

Het bedrag van € 45.751,75 zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 11.943,75 per 8 april 2015*.

8. Huishoudelijke hulp

Tegen de hoogte van deze schadepost is geen inhoudelijk verweer gevoerd.

Het bedrag aan (verschenen en toekomstige) schade tot het bedrag van € 6.937, wat de rechtbank voldoende onderbouwd en redelijk acht, zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 2.657 per 1 mei 2015*.

9. Verlies zelfwerkzaamheid

Tegen de hoogte van het gevorderde bedrag is geen inhoudelijk verweer gevoerd.

Het bedrag aan (verschenen en toekomstige) schade tot het bedrag van € 1.697, wat de rechtbank ook voldoende onderbouwd en redelijk acht, zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 285 per 1 mei 2015*.

10. Verlies verdienvermogen

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en de toelichting ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde feit letsel heeft opgelopen waardoor zij met ingang van 4 september 2014 arbeidsongeschikt is geworden en om die reden ook geen gebruik meer is gemaakt van haar diensten in het kader van haar uitzendovereenkomst. Gelet op het voorgaande verwerpt zij het verweer dat er geen sprake zou zijn van een causaal verband. Verder is zij van oordeel – uitgaande van goede en kwade kansen – dat voldoende is komen vast te staan dat na ommekomst van de uitzendovereenkomst deze zou zijn voortgezet en/of benadeelde partij na ommekomst daarvan verdiensten in uitzend- of loondienstverband van gelijke omvang zou hebben genoten als vóór 4 september 2014. Daardoor komt het verschil tussen het hypothetische inkomen van de benadeelde partij zonder het bewezenverklaarde feit en haar feitelijke inkomen sindsdien, doorberekend tot en met november 2014 (einde tijdelijke dienstverband), als verlies van verdienvermogen voor vergoeding in aanmerking. Datzelfde geldt voor de gevorderde toekomstige schade in de daaropvolgende periode tot eind 2020, aangezien in redelijkheid is ingeschat dat het herstel- en revalidatietraject ten minste vijf jaar zal duren.

De stelling van de verdediging dat de benadeelde partij mogelijk een hoger bedrag aan WIA/ZW-uitkering zou krijgen dan dat zij in Slowakije had kunnen verdienen verwerpt de rechtbank, nu dit niet nader is onderbouwd. De rechtbank zal de verschenen en toekomstige schade tot een bedrag van € 17.064,40 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente over

€ 776,40 per 17 oktober 2014*.

11. Smartengeld

Gevorderd is een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 157.775, onder verwijzing naar dezelfde arresten als bij [slachtoffer 1] . De rechtbank gaat bij de beoordeling van de naar billijkheid toe te kennen immateriële schadevergoeding uit van de reeds hiervoor aangehaalde uitgangspunten.

Het geweldsmisdrijf dat de benadeelde partij is overkomen, heeft een zeer grote impact gehad op haar leven. Zij heeft – net als [slachtoffer 1] – zeer ernstig en blijvend fysiek letsel opgelopen. Zij heeft opnieuw moeten leren lopen. Sinds de brand kan zij haar beide handen niet meer goed gebruiken, is zij slechts in staat om – met veel rust en moeite – korte afstanden te lopen, is haar gehoor en zicht achteruitgegaan en heeft zij op haar hele rug, het overgrote deel van haar armen en benen en haar gelaat ontsierende littekens. De inspannings- en warmtetolerantie zijn verminderd. Daarbij komt nog de aanhoudende pijn en jeuk. Zij heeft nog steeds bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen, de huishoudelijke taken, de werkzaamheden in, aan en rond de woning en de verzorging van de kinderen ondersteuning nodig. Als gevolg van de brand is zij arbeidsongeschikt geraakt en het is de vraag of zij nog op de arbeidsmarkt zal terugkeren. Gebleken is dat zij door de brand ook op psychisch vlak problemen heeft opgelopen. Er wordt gesproken van een posttraumatische stressstoornis met een reactieve depressieve episode.

Op grond van wat op dit moment bekend is over het aan de benadeelde partij aangedane leed en in vergelijking het aangehaalde arrest van het gerechtshof ‘s-Gravenhage, zal de rechtbank het smartengeld naar billijkheid begroten op een bedrag aan smartengeld van

€ 150.000. De wettelijke rente hierover is verschuldigd met ingang van 4 september 2014.

12. Medische informatie

Tegen dit onderdeel van de vordering is geen inhoudelijk verweer gevoerd.

Het bedrag van € 93,05 is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en redelijk. Dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 22 juni 2015.

13. Kosten overnachting

Tegen dit onderdeel van de vordering is geen inhoudelijk verweer gevoerd.

Het bedrag van € 139 is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en redelijk. Dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 27 oktober 2015.

Voor het overige zal de benadeelde partij in zijn vordering met betrekking tot de gevorderde extra bedragen bij alle posten niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat nader onderzoek tot een onevenredige belasting van het strafproces zou leiden.

Algemeen

De verdachte is met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk voor de door de benadeelde partij geleden schade, met dien verstande dat verdachte niet meer tot vergoeding aan de benadeelde partij gehouden is indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader(s) is of wordt voldaan.

Gelet op al het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte en zijn mededader(s) op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen. De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De rechtbank bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal bij verdachte 365 dagen hechtenis, waarvan 230 dagen ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] en 135 dagen ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] , zal kunnen worden toegepast. De rechtbank ziet in tegenstelling tot de verdediging geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken en de vervangende hechtenis tot één dag te beperken.

Het verweer van de verdediging dat het opleggen van schadevergoedingsmaatregel aan verdachte niet samengaat met het opleggen van de TBS-maatregel, volgt de rechtbank niet. Bij wet van 26 juni 2013 (Stb 2013, 278), op 1 januari 2014 in werking getreden (Stb. 2013, 336), is artikel 36f, eerste lid, Sr immers gewijzigd in dier voege dat ook indien een (TBS-)maatregel aan verdachte wordt opgelegd, hem de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd. Nu de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd na datum inwerkingtreding, kan aan verdachte – naast het opleggen van de TBS-maatregel – ook de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de hiervoor genoemde data.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 24c, 36f, 37a, 37b, 45, 47, 55, 57, 157, 289 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering [en voorlopige hechtenis] doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

veroordeelt verdachte ten aanzien van feiten 1 en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 396.062,29 (driehonderdzesennegentigduizend en tweeënzestig euro en negenentwintig eurocent), (te weten € 196.062,29 (honderdzesennegentigduizend en tweeënzestig euro en negenentwintig eurocent) aan materiële schade en € 200.000,- (tweehonderdduizend euro) aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum die bij de afzonderlijke posten in het overzicht van Bijlage I is vermeld tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 396.062,29 (driehonderdzesennegentigduizend en tweeënzestig euro en negenentwintig eurocent) (te weten €196.062,29 (honderdzesennegentigduizend en tweeënzestig euro en negenentwintig eurocent) aan materiële schade en € 200.000,- (tweehonderdduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum die bij de afzonderlijke posten in het overzicht van Bijlage I is vermeld tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 230 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

veroordeelt verdachte ten aanzien van feiten 1 en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2]van een bedrag van in totaal € 226.041,40 (tweehonderdzesentwintigduizend en eenenveertig euro en 40 eurocent) (te weten € 76.041,40 (zesenzeventigduizend en eenenveertig euro en veertig eurocent) aan materiële schade en € 150.000,- (honderdvijftigduizend euro) aan immateriële schade,) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum die bij de afzonderlijke posten in het overzicht van Bijlage I is vermeld tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € € 226.041,40 (tweehonderdzesentwintigduizend en eenenveertig euro en 40 eurocent) (te weten € 76.041,40 (zesenzeventigduizend en eenenveertig euro en veertig eurocent) aan materiële schade en € 150.000,- (honderdvijftigduizend euro) aan immateriële schade,) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum die bij de afzonderlijke posten in het overzicht van Bijlage I is vermeld tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 135 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. M.F. Gielissen en mr. H.H.M. van Dijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. de Munnik en mr. M.G. Enderink, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 november 2015.

Bijlage I

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van

€ 396.062,29 ( [slachtoffer 1] ) en € 226.041,50 ( [slachtoffer 2] ) schade hebben geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. In zoverre is de vordering is voor toewijzing vatbaar, inclusief de daarover gevorderde wettelijke rente met ingang van de hieronder te noemen data. Met betrekking tot een aantal schadeposten zal een ingangsdatum worden bepaald die ongeveer in het midden ligt van de periode waarin die schadeposten zijn verschenen.

Ten aanzien van [slachtoffer 1]

1. Materiële schade

€ 12.000, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 4 september 2014.

2. Telefoon- en portokosten

€ 1.000, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 8 april 2015*.

3. Reiskosten

€ 323,80, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 28 mei 2015*.

4. Medische kosten

€ 3.865, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 281 per 31 juli 2015*.

5. Ziekenhuisdaggeldvergoeding

€ 6.174, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 20 februari 2015*.

6. Hulpmiddelen

€ 16.110, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 80 per 16 september 2015*.

8. Pedicure

€ 11.313, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 140 per 16 september 2015*.

9. Verlies tatoeages

€ 1.954,29, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 4 september 2014.

10. Huur nieuwe woning

€ 5.000, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 2.244,90 per 16 september 2015*.

11. Huishoudelijke hulp

€ 44.721, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 160 per 16 september 2015*.

12. Verlies zelfwerkzaamheid

€ 4.679,88, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 49,88 per 16 september 2015*.

13. Verlies verdienvermogen

€ 88.735,20, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 755,09 per 8 april 2015*.

14. Smartengeld

€ 200.000. De wettelijke rente hierover is verschuldigd met ingang van 4 september 2014.

15. Buitengerechtelijke kosten

€ 186,12, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per datum dat de kosten zijn gemaakt: over een bedrag van € 93,05 per 16 april 2015 en over een bedrag van € 93,07 per 1 mei 2015.

Ten aanzien van [slachtoffer 2]

1. Materiële schade

€ 500, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 4 september 2014.

2. Telefoon- en portokosten

€ 100, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 8 april 2015*.

3. Reiskosten

€ 739,30, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 10 mei 2015*.

4. Medische kosten

€ 780, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 1 juni 2015*.

5. Ziekenhuisdaggeldvergoeding

€ 2.240, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 28 maart 2015*.

7. Verzorgingskosten

€ 45.751,75 te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 11.943,75 per 8 april 2015*.

8. Huishoudelijke hulp

€ 6.937, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 1 mei 2015*.

9. Verlies zelfwerkzaamheid

van € 1.697, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 285 per 1 mei 2015*.

10. Verlies verdienvermogen

17.064,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 776,40 per 17 oktober 2014*.

11. Smartengeld

€ 150.000. De wettelijke rente hierover is verschuldigd met ingang van 4 september 2014.

12. Medische informatie

€ 93,05, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 22 juni 2015.

13. Kosten overnachting

€ 139, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 27 oktober 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, TGO Helsinki, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 07TGO14002, procesverbaalnummer 2014094158 (TGO Helsinki), gesloten op 7 april 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van uitluisteren van geluidsfragmenten meldkamer, p. 1095-1097.

3 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , p. 1114 en proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] , p.1145.

4 Proces-verbaal van forensisch sporenonderzoek, p. 2683.

5 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 2681-2687.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] , p. 1154-1156 en Herschattingsformulier Rode Kruis ziekenhuis, p. 1159.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] , p. 1127-1129 en Geneeskundige verklaring, p. 1125.

8 Mutatie rapport, p. 1520, mutatie rapport, p. 1531, mutatie rapport, p. 1532,

9 Proces-verbaal van aangifte van vernieling door [getuige 3] , p. 1514-1515

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 1570

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1516-1517

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris dd. 21 september 2014.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] , p. 1539-1540 en 1542.

14 Proces-verbaal van uitlezen telefoon [medeverdachte 1] , p. 1889, 1890.

15 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 28 oktober 2015.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 1425 ev.

17 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris dd. 28 september 2015.

18 Verklaring van getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris dd. 21 september 2015.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 1348, 1349.

20 Proces-verbaal van verhoor [betrokkene] , p. 169-171.

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 6] bij de rechter-commissaris dd. 29 september 2015.

22 Proces-verbaal van getuige [getuige 6] , p. 2496 ev.

23 Proces-verbaal van bevindingen, p. 2500 en 2502.

24 Proces-verbaal analyse telecom, p. 2023.

25 Verklaring verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 28 oktober 2015.

26 Proces-verbaal van bevindingen p. 227.