Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6889

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-11-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4174
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2017:3648, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het besluit van de raad van de gemeente van 24 maart 1923, waarbij aan [G] het recht is verleend om elektriciteitsleidingen te hebben, aan te brengen en te houden in gronden van de gemeente, staat in de weg aan de heffing van precariobelasting. De gemeente is niet bevoegd om op te treden tegen de aanwezigheid van de onderhavige elektriciteitsleidingen, hetgeen naar de strekking van artikel 228 van de Gemeentewet tot gevolg heeft dat geen precariobelasting kan worden geheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2773
V-N Vandaag 2015/2431
Belastingblad 2016/9
mr. dr. G. Groenewegen annotatie in NTFR 2015/3142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/4174

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 12 november 2015

in de zaak tussen

[X] N.V., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hattem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2014 een aanslag (aanslagnummer [000] ) precariobelasting opgelegd van € 453.420.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 mei 2014 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij faxbericht van 24 juni 2014, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2015. Namens eiseres zijn verschenen mr. [gemachtigde] , mr. [A] , [B] en [C] . Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , mr. [D] en [E] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is eigenaar van elektriciteitsleidingen in de gemeente Hattem (hierna: de gemeente). Deze leidingen bevinden zich deels in grond die eigendom is van de gemeente. [F] N.V., enig aandeelhouder van eiseres, is netbeheerder van de elektriciteitsleidingen.

2. Tot 27 maart 1984 vond de exploitatie van elektriciteitsleidingen in het grondgebied van de gemeente plaats door NV [G] (hierna: [G] ). Eiseres is als gevolg van diverse naamswijzigingen en fusies rechtsopvolger van [G] .

3. Bij besluit van de raad van de gemeente van 16 oktober 1922, no.8/526, is aan [G] de vergunning verleend tot het leggen van een kabel in de Westzijde van de [A-straat 1] . Bij dit besluit heeft de raad het college van burgemeester en wethouders gemachtigd om aan [G] zo nodig onder genoemde voorwaarden toestemming te verlenen tot het leggen van kabels in meerdere wegen en straten van de gemeente.

4. In de brief van [G] aan burgemeester en wethouders van 5 maart 1923 is het volgende opgenomen:

“In verband met Uw mededeeling aan onzen Ingenieur [H] , waaruit bleek, dat door den Raad Uwer Gemeente wel is besloten om ƒ 2000.- beschikbaar te stellen voor den bouw van het transformatorhuisje bij het villapark, doch nog geen beslissing is genomen in zake de door ons gevraagde vergunning, voor het hebben en houden van kabels enz. als omschreven in het aan U overhandigde concept-raadsbesluit, heb ik de eer, U te berichten, dat wij het op hoogen prijs zullen stellen, indien de Raad zich in bovengenoemde kwestie alsnog wil uitspreken. Voorshands ligt het niet in onze bedoeling met de werkzaamheden te beginnen, voordat een beslissing van den Raad gevallen is.”

5. Bij brief van 22 maart 1923 hebben burgemeester en wethouders een voorstel aan de raad gedaan, waarin het volgende is opgenomen:

“Blijkens bijgaande missive maakt de N.V. [G] te [Q] bezwaar om met het verdere leggen van een kabel door de gemeente te beginnen, voordat is ingetrokken het raadsbesluit dd. 16 October 1922 no.8/526, waarvan een afschrift hiernevens gaat en een besluit is genomen als in concept hierbij is gevoegd.

Waar het gewenscht is én in het belang van degenen die een aansluiting voor electrisch licht begeeren én in dat der vele werkloozen dat er spoedig voortgang wordt gemaakt met de kabellegging stellen wij U voor onder intrekking van Uw besluit dd 16 October 1922 no.8/526 te nemen een besluit als in ontwerp hierbij gaat.”

6. Bij besluit van de raad van de gemeente van 24 maart 1923, no.5/93, is, voor zover thans van belang, het volgende bepaald:

“1e.in te trekken ons besluit dd 16 October 1922 no.8/526;

2e.aan de N.V. [G] te [Q] hem kosteloos het recht te verleenen,werken tot geleiding, transformeering verdeeling en levering van electriciteit of daarmede in verband staande beveiligings- en ondersteuningswerken te hebben,aan te brengen, in stand te houden,te wijzigen en te verwijderen,in,op,aan,door of boven gemeentelijke gronden,wegen wateren en andere eigendommen der gemeente, zulks onder voorwaarde,dat de Vennootschap voornoemd:

a.omtrent de uitvoering dier werken,alsmede omtrent het tijdstip der uitvoering met Burgemeester en Wethouders overleg pleegt;

b.zich verplicht na het verrichten van deze werkzaamheden het geroerde op hare kosten zooveel mogelijk weer in den toestand terug te brengen van vóór de uitvoering van die werkzaamheden.”

7. In de gemeente geldt voor het jaar 2014 de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2014 (hierna: de Verordening). De Verordening luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

Artikel 1 Aard van de heffing en belastbaar feit

Onder de naam ‘precariobelasting’ wordt een directe belasting geheven voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond, voor de openbare dienst bestemd.

Artikel 2 Belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.”

8. Op grond van de Tarieventabel, behorende bij de Verordening bedraagt het tarief voor het hebben van buizen, kabels, draden of leidingen € 2,20 per strekkende meter, per jaar.

Geschil

9. In geschil is of de aanslag precariobelasting terecht en naar het juiste bedrag aan eiseres is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil:

- of het besluit van 24 maart 1923 dan wel een gedoogplicht van de gemeente in de weg staat aan de heffing van precariobelasting;

- of het tarief onevenredig en/of willekeurig is;

- of in strijd is gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;

- of recht bestaat op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Beoordeling van het geschil

10. Niet in geschil is dat eiseres eigenaar is van het elektriciteitsnetwerk in de gemeente en als zodanig voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft. Eiseres stelt echter dat de gemeente een gedoogplicht heeft ten aanzien van het elektriciteitsnetwerk, hetgeen aan heffing in de weg zou staan. Eiseres beroept zich daarbij op het besluit van 24 maart 1923.

11. De rechtbank stelt voorop dat eiseres er in haar stellingen van uitgaat dat de bij besluit van 24 maart 1923 aan [G] verleende rechten op partijen zijn overgegaan, in die zin dat partijen aan het besluit zijn gebonden en eiseres de rechten van [G] heeft verworven. Verweerder heeft dit uitgangspunt van eiseres niet bestreden. Integendeel, ook verweerder gaat in zijn bestrijding van de verschillende stellingen van eiseres, waarin een beroep wordt gedaan op de inhoud van het besluit, ervan uit dat dit besluit de rechtsverhouding tussen de gemeente en eiseres (mede) bepaalt. Verweerder geeft alleen aan de inhoud van dat besluit een andere uitleg. De rechtbank sluit bij de gezamenlijke opvatting van partijen aan, nu deze geen blijk geeft van een onjuist juridisch uitgangspunt en de gebleken feiten en omstandigheden, onder meer met betrekking tot de plaatsgevonden naamswijzigingen en fusies, geen aanleiding geven voor een andere conclusie.

12. Het hierboven onder 6. aangehaalde besluit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gelezen dan dat daarbij -kort samengevat- aan [G] het recht is verleend om elektriciteitsleidingen te hebben, aan te brengen en te houden in gronden van de gemeente. De stelling van verweerder dat het besluit enkel ziet op de aanleg en het aangelegd houden van kabels, leidingen en/of buizen in de gemeentegrond, volgt de rechtbank niet, aangezien ook het recht tot het hebben van deze kabels, leidingen en/of buizen uitdrukkelijk in het besluit is genoemd. In hetgeen is opgenomen in de punten a. en b. onder 2. van het besluit ziet de rechtbank geen aanleiding om het besluit beperkter uit te leggen.

13. Het vorenstaande heeft naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg dat de gemeente niet bevoegd is om op te treden tegen de aanwezigheid van de onderhavige elektriciteitsleidingen. Wanneer de bevoegdheid tot optreden ontbreekt, kan geen precariobelasting worden geheven. Naar de strekking van artikel 228 van de Gemeentewet kan precariobelasting namelijk alleen worden geheven indien de gemeente het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond veroorlooft of toestaat, in die zin dat de gemeente de aanwezigheid van die voorwerpen gedoogt ondanks het feit dat zij rechtens bevoegd is daartegen op te treden. Bij het ontbreken van zodanige bevoegdheid is derhalve geen sprake van gedogen (veroorloven/toestaan) en kan geen precariobelasting worden geheven (Hoge Raad 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3437).

14. De vraag of de gemeente zich in het besluit heeft verbonden ter zake van de aanwezigheid van leidingen in haar toebehorende grond geen vergoeding in welke vorm ook te heffen, doet dan niet ter zake (vgl. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1999).

15. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en de uitspraak op bezwaar en de aanslag precariobelasting te worden vernietigd.

16. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.224 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 244, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de aanslag precariobelasting;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.224;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 328 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzitter, mr. J.M.W. van de Sande en mr. R.A. Eskes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 12 november 2015

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.