Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6884

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
28-12-2015
Zaaknummer
C/05/283034 / HZ ZA 15-179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. EEX-Verordening (herschikt). Rechtbank bevoegd om kennis te nemen van vordering in vrijwaring o.g.v. artikel 8 lid 2 EEX. Geen misbruik van recht. Gevorderde verklaring voor recht is geen vordering in vrijwaring. Uit de ontvankelijkheid van een dergelijke bijkomende vordering in de vrijwaringszaak (om redenen van doelmatigheid) vloeit niet de bevoegdheid van de aangezochte rechter op grond van artikel 8 lid 2 EEX voort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/283034 / HZ ZA 15-179

Vonnis in incident van 11 november 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SABA DINXPERLO B.V.,

gevestigd te Dinxperlo,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. D.J.J. Folgering te 's-Hertogenbosch,

tegen

de vennootschap naar Belgisch recht

KANEKA BELGIUM N.V.,

gevestigd te Westerlo-Oevel,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. P.J. de Jong Schouwenburg te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Saba en Kaneka genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten in het incident

2.1.

Saba houdt zich bezig met het produceren van lijmen en kitten voor de bouw en de industrie. Zij produceert een kit, SabaCaulk, die onder meer gebruikt wordt voor het afdichten van naden en randen in teakhouten dekken van jachten. In deze SabaCaulk wordt het bindmiddel MS Polymer verwerkt. Saba betrekt MS Polymer bij het Belgische bedrijf Mitsui & Co Benelux S.A. (hierna: Mitsui). Kaneka is de producent van de door Mitsui aan Saba geleverde MS Polymer. Tussen Saba en Kaneka bestond en bestaat geen contractuele rechtsverhouding, maar wel een samenwerking op technisch gebied.

2.2.

Kaneka heeft de samenstelling van de door haar in het verkeer gebrachte MS Polymer met ingang van april 2011 gewijzigd. In de zomer van 2013 werd Saba geconfronteerd met klachten over de door haar geproduceerde SabaCaulk, die er – kort gezegd – op neerkomen dat de SabaCaulk (voortijdig) degradeert indien deze gedurende langere tijd wordt blootgesteld aan hoge temperaturen en/of zonlicht.

2.3.

In de procedure bij deze rechtbank met zaak/rolnummer 279165 HZZA 15-82 (hierna: de hoofdzaak), vordert de heer [naam] (hierna: [naam] ) op grond van de artikelen 6:162 en 6:185 e.v. Burgerlijk Wetboek (BW) de veroordeling van Saba tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van € 56.401,62, alsmede haar veroordeling in de proceskosten en nakosten. Bij vonnis van 2 september 2015 in de hoofdzaak is deze vordering toegewezen. [naam] legde aan zijn vordering ten grondslag dat de door Saba in het verkeer gebrachte SabaCaulk gebrekkig is gebleken en schade heeft toegebracht aan het aan hem toebehorende jacht.

3 Het geschil

3.1.

Saba vordert in de onderhavige vrijwaringszaak dat de rechtbank

I. zal verklaren voor recht dat Kaneka jegens Saba onrechtmatig heeft gehandeld door bij de wijziging van de samenstelling van de door haar geproduceerde en verhandelde MS Polymer niet de zorg te betrachten die van haar als producent van het halffabriacaat verwacht mocht worden;

II. Kaneka zal veroordelen tot voldoening aan Saba van al datgene waartoe Saba in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld;

III. Kaneka zal veroordelen tot vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, nader op te maken bij staat;

IV. Kaneka zal veroordelen tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.339,01 vermeerderd met rente,

met veroordeling van Kaneka in de proceskosten inclusief nakosten, vermeerderd met rente.

3.2.

Kaneka Belgium N.V. vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Saba Dinxperlo B.V. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Bij de beoordeling van de incidentele vordering wordt vooropgesteld dat de bevoegdheid van de rechtbank in de onderhavige (vrijwarings)zaak dient te worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (de zogenoemde herschikte EEX-Verordening, hierna ook: EEX), nu partijen zijn gevestigd in respectievelijk Nederland en België en de vordering binnen het materiële en temporele toepassingsgebied van de (herschikte) EEX-Verordening valt.

4.2.

Volgens de hoofdregel van artikel 4 lid 1 EEX moeten zij die – zoals Kaneka – woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Op grond van artikel 8 aanhef en lid 2 EEX kan deze persoon in geval van een vordering tot vrijwaring ook worden opgeroepen voor het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is gemaakt, tenzij de vorderingen slechts zijn ingesteld om hem te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter die in zijn zaak bevoegd zou zijn. Saba heeft zich in de dagvaarding op het standpunt gesteld dat, aangezien sprake is van een vrijwaringszaak, de bevoegdheid van de rechtbank in de onderhavige zaak kan worden gebaseerd op de in artikel 8 lid 2 EEX neergelegde alternatieve bevoegdheidsregeling. Kaneka heeft aan haar vordering tot onbevoegdverklaring primair ten grondslag gelegd dat sprake is van schending van artikel 8 lid 2 EEX (bedoeld zal zijn dat de in dat artikellid met “tenzij” aangeduide uitzondering zich voordoet), aangezien de vordering in de hoofdzaak uitsluitend is ingesteld met het doel om Kaneka te onttrekken aan de bevoegdheid van haar “eigen” (Belgische) rechter en daarmee aan de toepasselijkheid van haar “eigen” recht, waarbij zij een samenspanning tussen Saba en [naam] vermoedt. Kaneka voert daartoe aan dat Saba in de hoofdzaak geen serieus verweer heeft gevoerd en dat partijen in die procedure hebben afgezien van re- en dupliek. Tevens wijst zij erop dat de door Saba in vrijwaring ingestelde vordering veel meer omvat dan alleen het geschil met [naam] , nu Saba niet alleen, zoals voor de hand zou hebben gelegen, vordert dat Kaneka veroordeeld wordt aan Saba te vergoeden hetgeen Saba aan [naam] moet voldoen, maar meer in het algemeen een verklaring voor recht heeft gevorderd en bovendien de omvangrijke onderzoekskosten die bij wege van kosten tot vaststelling van schade en aansprakelijkheid worden gevorderd niet (uitsluitend) betrekking hebben op het geschil met [naam] . Onder het mom van een eis in vrijwaring tegen Kaneka tracht Saba dan ook bevoegdheid te creëren in Nederland om het geschil met Kaneka in zijn totaliteit (naar Nederlands recht) te doen beslechten, hetgeen misbruik van recht oplevert, aldus Kaneka. Saba heeft gemotiveerd betwist dat de vorderingen in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak uitsluitend zijn ingesteld om Kaneka aan de bevoegdheid van de Belgische rechter te onttrekken.

4.3.

Vast staat dat deze rechtbank bevoegd is ten aanzien van de in de hoofdzaak voorliggende vordering van [naam] op Saba, zodat krachtens artikel 8 lid 2 EEX in beginsel tevens bevoegdheid bestaat om kennis te nemen van een door Saba jegens Kaneka ingestelde vordering tot vrijwaring. Dat de door Kaneka bedoelde “tenzij-uitzondering” op deze regel zich voordoet, omdat de vordering in de hoofdzaak met geen ander doel is ingesteld dan om Kaneka te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter die de

EEX-Verordening haar toekent, is door Kaneka onvoldoende onderbouwd. Deze uitzondering ziet op misbruik van recht, en daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Dat [naam] recht en belang had om Saba in rechte te betrekken is in de hoofdzaak reeds komen vast te staan en volgt ook uit het feit dat – zoals door Kaneka niet althans onvoldoende gemotiveerd is betwist – Saba niet bereid was de schade van [naam] in der minne aan hem te vergoeden, maar het daartoe heeft proberen te leiden dat Kaneka de schade rechtstreeks aan [naam] zou vergoeden. Dat met de procedure in de hoofdzaak geen enkel ander doel gediend was dan het creëren van bevoegdheid van deze rechtbank om de vordering van Saba op Kaneka te beoordelen is dan ook niet komen vast te staan. Hieraan doet niet af dat Saba in de hoofdzaak slechts beperkt verweer heeft gevoerd en dat partijen in die procedure hebben afgezien van een comparitie en van re- en dupliek. Saba heeft immers aannemelijk gemaakt dat zij, gelet op de uitslag van de door haar inmiddels verrichte onderzoeken, meende redelijkerwijs geen andere verweren te kunnen aanvoeren dan de verweren die zij bij conclusie van antwoord heeft aangevoerd. In de gegeven omstandigheden is, zelfs indien de in de hoofdzaak gevoerde verweren in feite zouden neerkomen op een referte, zoals Kaneka stelt, geen sprake van misbruik van recht dat aan toepassing van de alternatieve bevoegdheidsregel van artikel 8 lid 2 EEX in de weg staat (vgl. HR 20 september 2002, NJ 2005, 40).

4.4.

Subsidiair heeft Kaneka zich op het standpunt gesteld dat de Belgische rechter bevoegd is op grond van de in de algemene voorwaarden van Mitsui opgenomen forumkeuze, die Kaneka meent in de onderhavige zaak aan Saba te kunnen tegenwerpen. Kaneka stelt daartoe dat zij in deze procedure in feite wordt aangesproken ter zake van non-conformiteit van het geleverde en daarmee als het ware in de plaats treedt van Mitsui, één van de oorspronkelijke partijen bij de forumkeuze. Zij verwijst in dat verband naar het arrest van het Hof van Justitie van (thans) de Europese Unie (HvJ) van 16 maart 1999 in zaak

C-159/97 Castelletti / Trumpy, NJ 2001, 116. Saba heeft onder meer gemotiveerd betwist dat ten aanzien van de gestelde forumkeuze sprake is van de door artikel 25 lid 1 EEX vereiste wilsovereenstemming tussen haar en Kaneka (evenals tussen Kaneka en Mitsui). Voorts voert zij onder meer aan dat haar vorderingen zijn gebaseerd op onrechtmatige daad en niets van doen hebben met de contractuele verhouding tussen Kaneka en Mitsui, zodat van een situatie waarin Kaneka in de plaats van Mitsui zou zijn getreden geen sprake is. Deze verweren van Saba treffen doel. Krachtens vaste jurisprudentie van (onder meer) het HvJ is voor een geldige forumkeuze in de zin van artikel 25 EEX vereist dat daaromtrent tussen partijen wilsovereenstemming bestaat (zie o.m. HvJEG 20 februari 1997, zaak

C-106/95 MSG/Gravières Rhénanes, Jur. 1997, p. I-911, NJ 1998, 565). Door Kaneka zijn geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat tussen haar en Saba sprake is geweest van wilsovereenstemming ten aanzien van de door haar gestelde forumkeuze. Reeds daarom kan haar beroep op de forumkeuzebepaling uit de algemene voorwaarden van Mitsui niet slagen. Kaneka wordt dan ook niet gevolgd in haar redenering dat zij ten aanzien van die forumkeuze in de plaats is getreden van Mitsui; dat zulks het geval zou zijn volgt overigens ook geenszins uit het door haar aangehaalde arrest Castelletti / Trumpy.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank op grond van artikel 8 lid 2 EEX bevoegd is om van de vordering in deze procedure kennis te nemen, voor zover het een vordering tot vrijwaring betreft. Kaneka heeft evenwel terecht aangevoerd dat alleen de hiervoor onder 3.1.II. weergegeven vordering een vordering tot vrijwaring betreft. Hoewel de vorderingen tot vergoeding van kosten tot vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid en tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (voor zover zij alleen het geschil met [naam] betreffen) kunnen worden beschouwd als daarmee samenhangende nevenvorderingen ten aanzien waarvan artikel 8 lid 2 EEX eveneens bevoegdheid creëert, geldt dit niet voor de onder 3.1.I. gevorderde verklaring voor recht. Niet alleen kan deze vordering niet worden aangemerkt als vordering tot vrijwaring in de zin van artikel 8 lid 2 EEX, maar hij is dermate algemeen geformuleerd dat hij veel meer omvat dan uitsluitend het geschil met [naam] , nog daargelaten dat moet worden betwijfeld dat Saba bij deze vordering (naast de vordering tot vrijwaring een afzonderlijk) belang heeft voor zover deze mede de schadeclaim van [naam] betreft. Ten aanzien van de vordering onder 3.1.I. kan de bevoegdheid van de rechtbank dan ook niet worden gegrond op

artikel 8 lid 2 EEX. Hieraan doet niet af dat in een vrijwaringszaak in beginsel om redenen van doelmatigheid ook andere vorderingen dan vorderingen tot vrijwaring kunnen worden ingesteld (vgl. o.m. Hof Amsterdam 18 augustus 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AV0160), nu uit de ontvankelijkheid ten aanzien van dergelijke bijkomende vorderingen in een vrijwaringszaak nog niet de bevoegdheid van de aangezochte rechter op grond van

artikel 8 lid 2 EEX voortvloeit (vgl. Rb Overijssel 2 oktober 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:3023).

4.6.

Nu de bevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht, en ten aanzien van de vordering onder 3.1.III. voor zover niet gerelateerd aan het geschil met [naam] , niet kan worden gebaseerd op de alternatieve bevoegdheidsregel van artikel 8 lid 2 EEX, ligt de vraag voor of deze vorderingen op (een) andere gronden tot de (alternatieve) bevoegdheid van de rechtbank behoort. In dat verband is relevant dat krachtens artikel 7 lid 2 EEX een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad (ook) kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Krachtens vaste jurisprudentie van het HvJ kan dit zowel de plaats zijn waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan (“Handlungsort”) als de plaats waar de schade is ingetreden (“Erfolgsort”) (vgl. o.m. HvJ 30 november 1976 in zaak 21/76 (“Franse Kalimijnen”), NJ 1977, 494 en HvJ 16 juli 2009 in zaak C-189/08 Zuid-Chemie / Philippo’s Mineralenfabriek, NJ 2011/349).

4.7.

Saba heeft zich bij conclusie van antwoord in het incident op het standpunt gesteld dat de bevoegdheid van de rechtbank (ook) kan worden gebaseerd op artikel 7 lid 2 EEX, nu de vorderingen in de onderhavige vrijwaringszaak zijn gebaseerd op aansprakelijkheid op grond van onrechtmatig daad. Zij voert daartoe, onder verwijzing naar onder meer het hiervoor aangehaalde arrest Zuid-Chemie van het HvJ, kort gezegd aan dat de plaats waar de schade is ingetreden in het onderhavige geval is gelegen in Nederland, omdat de door Kaneka vervaardigde gebrekkige grondstof in de fabriek van Saba in Dinxperlo is verwerkt tot SabaCaulk. Ook voor zover het onrechtmatig handelen van Kaneka (mede) heeft bestaan in de schending van een zorgplicht, door het doen van mededelingen met betrekking tot de gewijzigde samenstelling van MS Polymer zonder vooraf deugdelijk onderzoek te verrichten, is de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan gelegen in Nederland omdat de geruststellende mededelingen tijdens bijeenkomsten in Nederland zijn gedaan, aldus Saba. Kaneka heeft op deze pas bij antwoord in het incident ingenomen stellingen en de ter onderbouwing daarvan aangevoerde feiten nog niet kunnen reageren. Zij zal in de gelegenheid worden gesteld dit bij akte alsnog te doen. De door Kaneka (desgewenst) te nemen akte dient zich te beperken tot een reactie met betrekking tot de door Saba gestelde (alternatieve) bevoegdheid op grond van artikel 7 lid 2 EEX ten aanzien van (alleen) de vorderingen onder 3.1.I. en 3.1.III en de in dat verband door Saba gestelde feiten. Uiteenzettingen die dit voorgeschreven onderwerp van de akte te buiten gaan, zullen door de rechtbank buiten beschouwing worden gelaten.

4.8.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen op 25 november 2015 voor het nemen van een akte door Kaneka met de hiervoor onder 4.6. bedoelde inhoud,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in de vrijwaringszaak

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2015.

EB/St