Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6881

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
06-11-2015
Zaaknummer
4270204
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststellen relatieve bevoegdheid aan de hand van art. 438a lid 1 Rv.

Uit wetsgeschiedenis blijkt niet waarom de kantonrechter niet (meer) in voornoemd artikel is opgenomen

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 262
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 438a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2016/29 met annotatie van Mr. P.M. Vos
NJF 2015/523
RBP 2016/12

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 4270204 \ AZ VERZ 15-14 \ 701 \ 456 rd

uitspraak van 6 oktober 2015

beschikking

in de zaak van

[verzoekende partij]

wonende te [woonplaats] (Turkije)

verzoekende partij

gemachtigde mr. H.B. Azar

toevoegingsnummer [nummer]

en

de rechtspersoon naar publiek recht Gemeente Nijmegen

zetelend te Nijmegen

verwerende partij

gemachtigde mr. S.G. Blasweiler

Partijen worden hierna [verzoekende partij] en de gemeente genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 30 juni 2015 met producties

- het verweerschrift

- de namens [verzoekende partij] verzonden brieven van respectievelijk 5 augustus 2015 (twee maal) en 17 augustus 2015, alle met producties

- de mondelinge behandeling van 15 september 2015.

2 De feiten

2.1.

[verzoekende partij] ontvangt sinds 1 september 2014 van de Sociale Verzekeringsbank (verder: SVB) een AOW-pensioen en een AIO-aanvulling ingevolgde de Wet Werk en Bijstand.

2.2.

De gemeente heeft met ingang van 1 januari 2015 onder de SVB te Leiden executoriaal derdenbeslag op het AOW-pensioen van [verzoekende partij] doen leggen, waarbij de gehele netto uitkering inclusief vakantiegeld is ingehouden. Er is geen beslagvrije voet in acht genomen.

2.3.

Op 2 april 2015 heeft [verzoekende partij] de gemeente verzocht het beslag op zijn AOW-uitkering op te heffen en de geïncasseerde bedragen terug te boeken. De gemeente heeft op
7 april 2015 bericht niet tot opheffing van het beslag te zullen overgaan.

2.4.

Op 24 april 2015 heeft [verzoekende partij] de gemeente gedagvaard om op 8 mei 015 bij de Voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland te verschijnen. Zijn vordering tot opheffing van het gelegde beslag c.q. schorsing van de executie, op straffe van een dwangsom, is bij vonnis van 13 mei 2015 afgewezen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekende partij] verzoekt de kantorrechter bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te bepalen dat bij het beslag op de AOW uitkering met ingang van 1 januari 2015 de beslagvrije voet toegepast moet worden;

  2. te bepalen dat niet de gehele netto AOW uitkering maar € 0,00 onder het beslag valt en dat dit in moet gaan vanaf de datum dat er beslag is gelegd, te weten op 1 januari 2015;

  3. te bepalen dat de gemeente met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2015 tot heden de ten onrechte geïncasseerde bedragen terug dient te boeken naar [verzoekende partij] met daarop de wettelijke rente;

  4. e gemeente te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[verzoekende partij] baseert zijn verzoek, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende – zakelijk weergegeven – stellingen.

Hij is primair van mening dat de gemeente onrechtmatig jegens hem handelt door beslag te leggen op zijn AOW-uitkering en vakantiegeld, zonder daarbij de beslagvrije voet vast te stellen.

Subsidiair voert hij aan dat beslaglegging achterwege had dienen te blijven en meer subsidiair betwist hij dat hij brieven van de gemeente heeft ontvangen, die betrekking zouden hebben op de openstaande vordering welke de gemeente op hem heeft.

3.3.

De gemeente voert gemotiveerd verweer waarop, voor zover voor de beslissing van belang, hieronder bij de beoordeling zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Als verweer met de verste strekking voert de gemeente aan dat de kantonrechter van de Rechtbank Gelderland, locatie Nijmegen, relatief onbevoegd is om over het verzoek van [verzoekende partij] te oordelen. Zij voert daartoe aan dat, nu [verzoekende partij] niet woonachtig is in Nederland maar in Turkije, ingevolge art. 438a Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (verder: Rv), de kantonrechter in wiens rechtsgebied het beslag wordt gelegd bevoegd is van het verzoek kennis te nemen. Nu de SVB te Leiden het AOW-pensioen en de AIO-uitkering verzorgt en uitbetaalt aan uitkeringsgerechtigden die in Turkije woonachtig zijn, is de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag, locatie Leiden, bevoegd van het verzoek kennis te nemen.

[verzoekende partij] heeft dit uitdrukkelijk bestreden, zich daarbij baserend op het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 april 2012 (ECLI:NL:SHSHE:2012:BV8989), met name op wat is overwogen in r.o. 3.3.4.

De kantonrechter moet dus eerst beslissen op het onbevoegdheidsverweer van de gemeente. Hij overweegt daartoe als volgt.

4.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 475e Rv is de kantonrechter absoluut bevoegd om kennis te nemen van verzoeken gestoeld op dat artikel.

4.3.

De relatieve bevoegdheid moet worden vastgesteld aan de hand van de bijzondere regeling van artikel 438a lid 1 Rv, welke bepaling een uitzondering vormt op de hoofdregel die is neergelegd in artikel 262 Rv. De kantonrechter acht hiervoor redengevend dat het thans in artikel 438a lid 1 Rv bepaalde, voorheen in artikel 429c lid 12 Rv (oud) stond, zij het dat waar nu in de bepaling “de voorzieningenrechter” staat, in de oude bepaling “de president van de rechtbank of de kantonrechter” stond.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever de bepaling heeft willen overbrengen naar “een meer geëigende plaats”. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet waarom de kantonrechter niet (meer) is opgenomen in artikel 438a lid 1 Rv en evenmin dat de wetgever heeft beoogd de relatieve bevoegdheidsregel in zaken gestoeld op artikel 475e Rv te willen wijzigen. Een en ander vormt voor de kantonrechter aanleiding om te veronderstellen dat de relatieve bevoegdheid moet worden vastgesteld aan de hand van het bepaalde in artikel 438a lid 1 Rv. Op grond van dat artikel moet de kantonrechter vaststellen waar de executie plaatsvindt. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat in dit geval Leiden, de plaats waar de SVB
– onweersproken – het AOW-pensioen en de AIO-uitkering verzorgt en uitbetaalt aan uitkeringsgerechtigden die in Turkije woonachtig zijn, zoals in casu het geval is (zie ook: ECLI:NL:RBDHA:2013:17499).

4.4.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het verweer met de verste strekking slaagt. Niet de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Nijmegen, is bevoegd van dit verzoek kennis te nemen, maar de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, locatie Leiden. Het verzoek zal ter verdere afdoening naar die kantonrechter worden verwezen.

4.5.

Gelet op het vorenstaande behoeft op de overige stellingen en standpunten van partijen thans niet te worden beslist.

5 De beslissing

De kantonrechter,

5.1.

verklaart zich onbevoegd van het verzoek kennis te nemen;

5.2.

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Den Haag, locatie Leiden.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. P.J. Wiegman en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2015.