Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6869

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-11-2015
Datum publicatie
06-11-2015
Zaaknummer
05/840022-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 178 dagen voorwaardelijk en een werkstraf voor de duur van 40 uren wegens poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840022-15

Datum uitspraak : 6 november 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] , wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] .

Raadsman: B.J. Sanders, advocaat te Zutphen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 mei 2015, 3 juli 2015 en 23 oktober 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 04 januari 2015 te [woonplaats 2] , gemeente Oost Gelre, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]

[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, (terwijl die [slachtoffer] en

verdachte samen op een bed lagen) onverhoeds een uit elkaar getrokken (nylon)

douchespons, althans een stuk kunststof vezel, om de nek en/of hals van die

[slachtoffer] heeft gedraaid en/of (vervolgens) met kracht heeft dichtgetrokken,

althans met kracht heeft aangetrokken, en/of dichtgetrokken en/of aangetrokken

heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 04 januari 2015 te [woonplaats 2] , gemeente Oost Gelre, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn

levensgezel [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen (terwijl die [slachtoffer] en verdachte samen op een bed lagen) onverhoeds

een uit elkaar getrokken (nylon) douchespons, althans een stuk kunststof

vezel, om de nek en/of hals van die [slachtoffer] heeft gedraaid en/of (vervolgens)

met kracht heeft dichtgetrokken, althans met kracht heeft aangetrokken, en/of

dichtgetrokken en/of aangetrokken heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 04 januari 2015 te [woonplaats 2] , gemeente Oost Gelre, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door (terwijl die

[slachtoffer] en verdachte samen op een bed lagen) onverhoeds een uit elkaar

getrokken (nylon) douchespons, althans een stuk kunststof vezel, om de nek

en/of hals van die [slachtoffer] te draaien en/of (vervolgens) met kracht dicht te

trekken, althans met kracht aan te trekken, en/of dichtgetrokken en/of

aangetrokken te houden.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 4 januari 2015 te [woonplaats 2] in de gemeente Oost Gelre, terwijl hij en [slachtoffer] samen op een bed lagen, een uit elkaar getrokken nylon douchespons om de nek en hals van die [slachtoffer] gedraaid, aangetrokken en aangetrokken gehouden.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde feit. Hij heeft daartoe gesteld dat door verdachtes handelen sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . De hals, met daarin het strottenhoofd en slagaders, is een kwetsbaar gebied. Door een uitgetrokken nylon spons met kracht rond de hals dicht te trekken, kan zwaar lichamelijk letsel ontstaan. Verdachte heeft deze aanmerkelijke kans volgens de officier van justitie aanvaard. Hij heeft in dit kader gewezen op de verklaring van getuige [getuige] , de zoon van [slachtoffer] , die heeft verklaard dat verdachte pas stopte toen hij, [getuige] , de kamer binnenkwam.

Volgens de officier van justitie was er geen sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] , nu verdachte het sjaaltje niet langer dan enkele seconden heeft aangetrokken. Om die reden dient verdachte vrijgesproken te worden van het primair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft allereerst gesteld dat de verklaring van getuige [getuige] onvoldoende betrouwbaar is om aan te nemen dat zijn cliënt niet uit eigen beweging de uitgetrokken nylon spons heeft losgetrokken. [getuige] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de cliënt van de raadsman een touw of band om de nek van aangeefster hield, hetgeen niet overeenkomt met de uitgetrokken nylon douchespons. Om die reden heeft de raadsman de rechtbank verzocht de verklaring van getuige [getuige] uit te sluiten van het bewijs.

Voorts heeft de raadsman ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Zijn cliënt ontkent ‘een wurgpoging’ te hebben gedaan. Volgens de raadsman bevat het dossier daarbij onvoldoende aanwijzingen om te kunnen spreken van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] , nu medische informatie ontbreekt en het onduidelijk is hoe lang en met hoeveel kracht haar keel is dichtgedrukt. Ook heeft [slachtoffer] haar bewustzijn niet verloren en was op het moment van aangifte geen uiterlijk waarneembaar letsel.
De raadsman is daarnaast van mening dat het tenlastegelegde niet kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Het aantrekken van – in dit geval – een nylon spons om de keel, zal doorgaans met zodanige kracht en/of duur geschieden, dat de dood van het slachtoffer erop volgt. Is dat niet het geval, dan blijft het letsel beperkt tot oppervlakkige striemen.

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal allereerst ingaan op het door de raadsman gevoerde verweer tot bewijsuitsluiting van de verklaring van getuige [getuige] , waarna zij zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak.

Met betrekking tot het gevoerde verweer tot bewijsuitsluiting overweegt de rechtbank als volgt. Het tenlastegelegde handelen vond plaats in een nachtelijk uur, rond 05:15 uur. [getuige] heeft verklaard dat hij wakker werd door ruzie tussen verdachte en zijn moeder, [slachtoffer] , dat hij [slachtoffer] hoorde krijsen en dat hij daarom haar slaapkamerdeur opende. De kamer was donker, maar door het licht op de gang kon hij zien dat verdachte een touw of band om de nek van [slachtoffer] vast had en dat hij dat rond haar hals strak dicht trok. Gegeven deze omstandigheden, waarbij het begrijpelijk is dat [getuige] (zoals hij ook zelf heeft verklaard) is geschrokken, acht de rechtbank het niet opmerkelijk dat hij op dat moment niet exact kon duiden waarmee de hals van [slachtoffer] door verdachte werd dichtgetrokken. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige] . Temeer niet, nu [getuige] nog in hetzelfde verhoor heeft verklaard dat hij de hem getoonde uitgetrokken douchespons herkende als het touw of de band waarmee verdachte de nek en hals van [slachtoffer] heeft dichtgetrokken. De verklaring van [getuige] zal niet worden uitgesloten van het bewijs. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet de intentie had om [slachtoffer] te doden, maar dat hij probeerde af te dwingen dat zij een – eerder afgelegde – valse verklaring zou intrekken. Hij ontkent aldus opzet te hebben gehad op de dood van [slachtoffer] .
Om tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde te komen, is echter voldoende dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] . Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de dood van [slachtoffer] – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De rechtbank overweegt in dit kader als volgt.


Het is een feit van algemene bekendheid dat de hals, met daarin vitale lichaamsdelen zoals halsslagaders, het strottenhoofd en de luchtpijp, een zeer kwetsbaar gebied van het menselijk lichaam is. Het afsluiten of dichtdrukken van de hals of keel, in dit geval met een uitgetrokken nylon douchespons, kan leiden tot het afdichten van de luchtpijp en (indien dit met kracht gebeurt: acuut) tot het kneuzen of breken van het strottenhoofd en daarmee tot verstikking. Verstikking kan een directe oorzaak zijn voor het intreden van de dood. Ook het afsluiten van halsslagaders, wat een gevolg kan zijn van het dichtdrukken of beknellen van de hals, kan leiden tot de dood. De rechtbank is gelet hierop, anders dan de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat door verdachtes handelen sprake was van aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] . Het feit dat het aantrekken van de douchespons volgens verdachte en aangeefster [slachtoffer] niet langer dan enkele seconden heeft geduurd3 en het feit dat [slachtoffer] haar bewustzijn niet heeft verloren, doen niet af aan de omstandigheid dat verdachtes handelen had kunnen leiden tot het intreden van de dood.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Zij overweegt in dat kader het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij is gestopt met het aantrekken van de douchespons, nadat hij [slachtoffer] een rochelend geluid hoorde maken.4 Voorts heeft verdachte verklaard dat hij al uit zichzelf is gestopt voordat de zoon van [slachtoffer] , getuige [getuige] , binnenkwam en wilde hij op dat moment de spons van de hals van [slachtoffer] verwijderen.

Getuige [getuige] heeft echter verklaard dat hij de slaapkamer van [slachtoffer] binnenkwam en zag dat verdachte een touw of band om de nek van [slachtoffer] vast had en hij dat rond haar hals strak dicht trok. [getuige] hoorde [slachtoffer] een rochelend geluid maken. Pas toen [getuige] richting verdachte riep, schrok verdachte en liet hij het touw of de band los (opmerking rechtbank: zoals eerder verwoord heeft [getuige] de uitgetrokken nylon douchespons herkend als zijnde het touw of de band waarmee de hals van [slachtoffer] werd dichtgetrokken).5 De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [getuige] en zal deze volgen.

De voormelde gang van zaken laat naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid geen andere gevolgtrekking toe dan dat verdachte, handelend als hiervoor omschreven, welbewust de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] heeft aanvaard. Daarbij dient te worden opgemerkt dat, al zou verdachte al zijn gestopt met het aantrekken van de douchespons voordat [getuige] de slaapkamer binnenkwam, [slachtoffer] op dat moment zoals verdachte zelf verklaart al een rochelend geluid maakte, hetgeen er al op duidt dat zij geen of onvoldoende lucht kreeg.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake meer kan zijn van vrijwillige terugtred (hetgeen overigens ook niet expliciet is bepleit) en gesteld kan worden dat verdachtes handelen naar zijn uiterlijke verschijningsvorm moet worden aangemerkt als te zijn gericht op voltooiing van het voorgenomen misdrijf.

Of de striemen in de hals van [slachtoffer] zoals gesteld door verdachte zijn ontstaan bij het losstrekken van de douchespons of tijdens het aantrekken daarvan, is gelet op het voorgaande dan ook niet relevant.

Aldus is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 04 januari 2015 te [woonplaats 2] , gemeente Oost Gelre, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]

[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, (terwijl die [slachtoffer] en

verdachte samen op een bed lagen) onverhoeds een uit elkaar getrokken (nylon)

douchespons, althans een stuk kunststof vezel, om de nek en/of hals van die

[slachtoffer] heeft gedraaid en/of (vervolgens) met kracht heeft dichtgetrokken,

althans met kracht heeft aangetrokken, en/of dichtgetrokken en/of aangetrokken

heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde:

Poging tot doodslag.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. A. Reah, heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen, met aftrek, een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast is de officier van mening dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden moeten worden opgelegd, te weten: een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, ambulante woonbegeleiding, een locatieverbod voor de woning van aangeefster aan [adres 2] te [woonplaats 2] en een contactverbod met aangeefster, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

De officier van justitie ziet geen reden om een klinische behandeling als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk strafdeel te koppelen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is, met verwijzing naar het rapport van psychiater dr. [naam 1] , van mening dat aan zijn cliënt geen onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf moet worden opgelegd. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het meer subsidiair tenlastegelegde, acht de raadsman een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden op zijn plaats. Nu dr. [naam 1] verwacht dat de situatie van zijn cliënt over een jaar gestabiliseerd is, is de raadsman van mening dat een proeftijd van drie jaren te lang is. Zijn cliënt is bereid om zich aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te houden, maar de raadsman verzoekt de rechtbank geen klinische behandeling als bijzondere voorwaarde te bepalen.

Nu de reclassering heeft beschreven dat er contra-indicaties zijn voor het verrichten van een werkstraf, is de raadsman verrast door de eis van de officier van justitie. Hij verzoekt de rechtbank de gevorderde werkstraf te matigen, indien zij voor deze strafmodaliteit kiest.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 1 juni 2015;

- een beknopt advies van Reclassering Nederland, d.d. 8 januari 2015;

- een reclasseringsadvies van Tactus Verslavingszorg d.d. 3 april 2015;

- een Pro Justitia rapport d.d. 4 maart 2015, opgemaakt door [naam 2] ,

psychiater;

- een Pro Justitia rapport d.d. 5 oktober 2015, opgemaakt door dr. [naam 1] ,

psychiater.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Dat is een zeer ernstig vergrijp. Dankzij het handelen van verdachte heeft aangeefster [slachtoffer] , met wie verdachte op dat moment een relatie had, zowel ten tijde van het delict als daarna zeer nare gevolgen ondervonden. Naast dat zij in de periode na het delict daarvan fysieke gevolgen heeft ervaren, kent zij tot op dit moment angstgevoelens om verdachte onder ogen te komen. Ook is de 15-jarige zoon van aangeefster door toedoen van verdachte geconfronteerd met de bewezenverklaarde, schokkende, gebeurtenissen. Verdachte heeft laakbaar gehandeld en de rechtbank neemt hem dit kwalijk.

In het voornoemde psychiatrische rapport van 5 oktober 2015 staat beschreven dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde leed aan een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens in de vorm van een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) en een psychotische stoornis NAO, dan wel een schizotypische persoonlijkheid. Verdachte was daardoor sterk verminderd tot verminderd in staat om zelf keuzes te maken en om zijn gedrag onder controle te krijgen. Volgens de rapporteur is de weging tussen beide gradaties van toerekeningsvatbaarheid in dit geval moeilijk. Uitgaande van een driepuntsschaal wordt geconcludeerd tot een verminderde toerekeningsvatbaarheid, terwijl op basis van de vijfpuntsschaal tot een sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid wordt geconcludeerd. Geconcludeerd wordt eveneens dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde evenwel voldoende inzicht had in de wederrechtelijkheid van zijn handelen.
De rechtbank is van oordeel dat, wat ook zij van de verschillende methodes (driepuntschaal dan wel vijfpuntsschaal), vaststaat dat ten tijde van het bewezenverklaarde bij verdachte sprake was van een zekere vorm van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Bij het bepalen van de straf zal zij hiermee rekening houden.

Verdachte gebruikte in het verleden alcoholhoudende drank en verdovende middelen. Naar eigen zeggen van verdachte was dit ten tijde van het bewezenverklaarde ook het geval. Ter terechtzitting is gehoord als deskundige dhr. [naam 3] , reclasseringsmedewerker. Hij heeft verklaard dat verdachte wordt behandeld voor de PTSS en dat er op dit moment geen aanwijzingen zijn van alcohol- en/of drugsgebruik door verdachte. Verdachte heeft aangegeven gebaat te zijn bij de behandelingen.

Hoewel de ernst van de feiten een forse onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf rechtvaardigt, zou een dergelijke straf het ingezette traject van voor verdachte benodigde behandelingen doorkruisen. De rechtbank acht dat onwenselijk. Mede gelet op hetgeen is overwogen omtrent de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zal de rechtbank hem dan ook geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.
De reclassering heeft in het verleden gerapporteerd dat verdachte wegens psychische of psychiatrische problematiek niet in staat is om een werkstraf naar behoren te verrichten. De rechtbank ziet echter gelet op hetgeen ter terechtzitting is gebleken, geen aanleiding om aan te nemen dat verdachte daartoe ook op dit moment niet in staat is. De rechtbank zal verdachte een werkstraf opleggen, maar zal bij het bepalen van de duur daarvan rekening houden met verdachtes persoonlijke omstandigheden. De rechtbank is daarnaast, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, evenwel van oordeel dat een forse stok achter de deur in de vorm van een voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf, passend en geboden is. Zij zal de nader te noemen door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan dit voorwaardelijk strafdeel koppelen. Ook zal de rechtbank verdachte een locatieverbod ten aanzien van de woning van aangeefster opleggen, zoals door de officier van justitie is gevorderd. De proeftijd zal worden bepaald op 3 jaren nu, hoewel dr. [naam 1] heeft gerapporteerd dat verwacht wordt dat de situatie van verdachte over een jaar gestabiliseerd is, de heer [naam 3] ter terechtzitting heeft aangegeven dat een langere periode van controle op verdachtes situatie gewenst is.

Nu op dit moment geen aanwijzingen zijn voor alcohol- en/of drugsgebruik door verdachte, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een(voorwaardelijke) klinische behandeling als bijzondere voorwaarde.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 950,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, te weten € 950,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de uitspraak die door de benadeelde partij wordt gebruikt ter onderbouwing van haar vordering, niet ziet op een gelijksoortige zaak, nu in de onderhavige zaak volgens de raadsman geen sprake is van poging tot doodslag of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast is het door de benadeelde partij gestelde fysieke letsel niet medisch onderbouwd.
Gezien de financieel kwetsbare positie van zijn cliënt, heeft de raadsman de rechtbank verzocht geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden die niet uit vermogensschade bestaat. Verdachte is hiervoor naar burgerlijk recht aansprakelijk. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan en de rechtbank acht vergoeding van de gevorderde schade billijk.

De vordering is voor toewijzing vatbaar.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 4 januari 2015.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij(en).

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22b, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen;

bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 178 (honderdachtenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

- de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

Meldplicht

- zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet melden bij Tactus Reclassering, momenteel op het adres Balinkesstraat 4 te Winterswijk, waar veroordeelde reeds in een reclasseringstoezicht loopt met als doel zich te houden aan de meldplicht en de afspraken en de aanwijzingen met de reclassering, zolang en zo frequent de reclassering dit noodzakelijk acht;

Behandelverplichting – ambulante behandeling

- wordt verplicht om zich te laten behandelen voor zijn psychische/psychiatrische problemen bij GGNet of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

Ambulante woonbegeleiding

- wordt verplicht tot medewerking aan begeleiding in zijn thuissituatie zolang en zo frequent de reclassering dit nodig acht;

Contactverbod

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – zonder vooraf overleg en zonder toestemming van de reclassering contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] en wonende te [woonplaats 2] aan [adres 2] , [postcode], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

Locatieverbod

- gedurende de proeftijd niet zal bevinden binnen een straal van 500 meter van [adres 2] , [postcode] te [woonplaats 2] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde voorts tot:

 een werkstraf gedurende 40 (veertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De rechtbank:

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 950,-- (negenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 950,-- (negenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 19 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. mr. J.B.J. Driessen (voorzitter), mr. C. Kleinrensink en
mr. W.F. Roelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 november 2015.

mr. W.F. Roelink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 4] van de politie Oost Nederland, district Achterhoek, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015006129, gesloten op 7 januari 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 23 oktober 2015 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 6 januari 2015, p. 36 en p. 37, midden en het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 4, vierde alinea.

3 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 4, onderaan de vierde alinea en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 37, midden.

4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 23 oktober 2015.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 12, zesde alinea en p. 13, bovenaan.