Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6840

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
AWB 14/3791, 14/3792, 14/3793 en 14/3805
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Geuremissie mestdrooginstallatie op onjuiste wijze betrokken bij de berekening van de geurbelasting van de inrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/3791, 14/3792, 14/3793 en 14/3805

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

1. Stichting Leefbaar Halle Heidete Halle, en Vereniging Natuurmonumenten (eenheid Winterswijk), te Winterswijk, en 15 anderen, te [woonplaats] , eisers 1,

(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof);

2. [eiser 2] , eiser 2,

(gemachtigde: mr. W. Krijger);

3. [eisers 3] , eisers 3,

(gemachtigde: mr. J.C.M. Damming);

4. [eisers 4] , eisers 4,

(gemachtigde: mr. drs. E.D.M. Knegt),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [V.o.f.] (gemachtigde: mr. C.E. van Staveren).

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan, het oprichten van een legpluimveebedrijf, het bouwen van bouwwerken, het uitvoeren van werken en het maken van een uitweg op het perceel kadastraal bekend [aanduiding perceel] (hierna: het perceel).

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 9 maart 2015 heeft verweerder het verweerschrift aangevuld en een aanvullende motivering van het bestreden besluit overgelegd.

Bij brief van 22 juli 2015 hebben eisers 4 nadere stukken overgelegd.

Bij brief van 30 juli 2015 zijn de standpunten van eisers 1 nader toegelicht.

Bij brief van 17 augustus 2015 heeft verweerder daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. Genoemde eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden, met uitzondering van mr. J.C.M. Damming, met bericht van verhindering. Eisers 4 zijn voorts vergezeld door mw. A. Snik, directeur van PRA Odournet BV. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mw. G.H. Knoef, alsmede R.W.A. te Plate en P. Bovenmarsch, werkzaam bij de Omgevingsdienst Achterhoek, A.C. Barten, werkzaam bij Sain milieuadvies, D.J. Boverhof en mw. P. Boverhof, werkzaam bij WIK adviesgroep en G.J. Jolink. Namens derde-partij zijn [namen] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Overwegingen

Het project

1. Het project waarvoor de omgevingsvergunning is verleend voorziet in de realisering van een legpluimveebedrijf met twee etagestallen waarin 30.000 opfokhennen en 90.000 leghennen gehouden kunnen worden, een mestdrogingsinstallatie en een bedrijfswoning.

Belanghebbenden

2. Gelet op de aard en de omvang van het te realiseren pluimveebedrijf, kunnen alle omwonende eisers daarvan naar het oordeel van de rechtbank ruimtelijke gevolgen en milieugevolgen ondervinden en zijn zij in zoverre aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op hun statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden zijn de Stichting Leefbaar Halle Heide (hierna: de Stichting) en de Vereniging Natuurmonumenten (eenheid Winterswijk) (hierna: de Vereniging) aan te merken als belanghebbenden, in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb.

Toetsingskader

3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 1°, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten van een inrichting.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 3°, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, niettemin worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge artikel 2.14, derde lid, gelezen in verbinding met het eerste lid, kan de omgevingsvergunning voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

3.1

Omdat het bestreden besluit zowel het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan mogelijk maakt als het oprichten van een pluimvee-inrichting, dient verweerder de milieugevolgen van het bedrijf zowel bij de beoordeling of de inrichting mag worden opgericht als bij de (ruimtelijke) beoordeling of mag worden afgeweken van het bestemmingsplan, in ogenschouw te nemen. De milieugevolgen van het bedrijf kunnen immers ook gevolg hebben voor de ruimtelijk-planologische aanvaardbaarheid van het bedrijf. In deze uitspraak wordt eerst beoordeeld of verweerder de vergunning heeft mogen verlenen voor het oprichten van een inrichting en daarna of verweerder vergunning heeft mogen verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan.

Het oprichten van de inrichting

Volksgezondheid en fijnstof

4. Eisers betogen dat het in werking zijn van de inrichting nadelige gevolgen oplevert voor de volksgezondheid. Door de hoeveelheid fijnstof en zoönose die de inrichting verspreidt, wordt het leefmilieu nadelig beïnvloed. Daartoe voeren eisers aan dat in het advies van de GGD Noord- en Oost Gelderland (hierna: de GGD) ter zake, ontoereikend is onderbouwd waarom is afgeweken van de door de GGD Nederland, in navolging van de Gezondheidsraad, geadviseerde afstand tussen intensieve veehouderijen en woningen van ten minste 250 m. Voorts gaat de GGD in dat advies ten onrechte uit van de aanwezigheid van een burgerwoning en een agrarische bedrijfswoning op een afstand van 220 m. De woningen aan de [twee adressen] staan volgens eisers immers op een afstand van 135 m van het pluimveebedrijf. De signaalwaarde voor nadelige gevolgen voor de volksgezondheid van 6 OU/m³ geurbelasting wordt in ieder geval bij de woningen aan de [opsomming meerdere adressen] overschreden.

4.1.

Indien door het in werking zijn van een inrichting nadelige gevolgen voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze, gelet op artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, gelezen in verbinding met de artikelen 1.1, tweede lid, en artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat de woningen aan de [twee adressen] op ten minste 205 m van het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting zijn gelegen. Terecht is de GGD hierbij uitgegaan van de afstand van de woningen tot aan het emissiepunt en niet, waar eisers kennelijk vanuit zijn gegaan, van de afstand van de meest nabije stal tot de woningen aan de [twee adressen] van ongeveer 135 m. Niet de afstand van woning tot stal is hier bij het oprichten van de inrichting immers bepalend, maar de afstand van emissiepunt tot woning. In zoverre is de GGD bij zijn nadere advies van 3 juli 2014 van de juiste afstand uitgegaan.

Voorop staat dat uit het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde luchtkwaliteitsonderzoeksrapport blijkt dat voor fijnstof (PM10) wordt voldaan aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in dit geval een specifiek op deze inrichting toegesneden advies van de GGD heeft laten opstellen. Eisers hebben dit advies bestreden door te wijzen op algemene richtlijnen. Nu in het advies van de GGD gemotiveerd is gesteld waarom in dit geval van de algemene richtlijnen van 250 m en 6 OU/m3 kan worden afgeweken en eisers verder geen op dit bedrijf toegesneden advies over de volksgezondheidsaspecten hebben ingebracht, heeft verweerder van dat advies mogen uitgaan. Voor zover eisers stellen dat de afstand van 250 m de minimale afstand is die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in een aantal uitspraken heeft vereist, is de rechtbank van oordeel dat deze uitspraken geen betrekking hebben op een vergunning voor het oprichten van een inrichting doch op de ruimtelijk planologische afweging. Deze uitspraken zijn aldus niet van belang bij de vraag of ter plaatse een inrichting mag worden opgericht.

Het betoog slaagt niet.

Geur

5. Eisers betogen dat niet aan de geurnormen kan worden voldaan. Daartoe voeren zij aan dat bij de geurberekening ten onrechte de geuremissie van de mestdrooginstallatie niet is betrokken. Eisers 1 verwijzen in dit verband naar het door hen overgelegde rapport van PRA Odournet BV (hierna: Odournet) van 13 augustus 2013, aangevuld bij rapport van 26 juni 2014. Verder is de woning aan de [twee adressen] volgens eisers ten onrechte niet als burgerwoning aangemerkt en niet als twee verschillende woningen in de berekeningen betrokken. Bovendien is de uitgevoerde berekening volgens eisers onjuist, omdat de ingevoerde coördinaten van de stallen onnauwkeurig zijn in die zin dat sprake is van afwijkingen van tientallen meters.

5.1.

Volgens verweerder moet de nageschakelde techniek van de mestdrooginstallatie worden gezien als onderdeel van het huisvestingssysteem. In de bijlage bij de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn geen emissiefactoren opgenomen voor nageschakelde technieken. Daarom moet volgens verweerder bij de berekening van de geuremissie slechts uitgegaan worden van de geuremissiefactor van het huisvestingssysteem. Herberekening met de juiste coördinaten van de stal leidt niet tot overschrijding van de geurnormen. Dat geen afzonderlijke coördinaten voor de woningen [twee adressen] zijn ingevoerd, leidt blijkens de herberekening niet tot de conclusie dat de vergunning op dit onderdeel niet vergunbaar is. De woning aan de [adres 1] maakt deel uit van een andere veehouderij en is aldus een bedrijfswoning en geen burgerwoning. Voldaan wordt aan de daarvoor geldende vaste afstandseis van 50 m, aldus verweerder.

5.2.

Ten aanzien van de status van de woning aan de [adres 1] hebben eisers 1 en 4 met de bij brief van 22 juli 2015 overgelegde uitvoerige en concrete schriftelijke verklaringen van een groot aantal getuigen, waarvan de meesten al vóór 1964 in de directe omgeving van de [adres 1] woonden, alsmede de bij die brief overgelegde aanvullende stukken, aannemelijk gemaakt dat de woning aan de [adres 1] vanaf omstreeks 1964 feitelijk onafgebroken wordt gebruikt als burgerwoning. De enkele omstandigheid dat de woning aan de [adres 1] pas vanaf 1995 een afzonderlijk huisnummer heeft, maakt dat niet anders, omdat het feitelijk gebruik in dit geval bepalend is. Dat is verzocht om de woning aan de [adres 1] te bestemmen als een zogenoemde plattelandswoning, maakt dat om dezelfde reden evenmin anders. Verweerder is er bij de beoordeling van de vraag wat de status is van de woning aan de [adres 1] dan ook ten onrechte van uitgegaan dat deze woning pas vanaf 1995 als burgerwoning wordt gebruikt. In zoverre heeft het bestreden besluit een gebrek.

Het betoog slaagt.

Nu de betrokken overgangsrechtelijke bepalingen uit de relevante bestemmingsplannen niet in het dossier zitten, stelt de rechtbank verweerder in de gelegenheid nader te beoordelen of de woning aan de [adres 1] krachtens het gebruiksovergangsrecht bij het bestemmingsplan als burgerwoning moet worden aangemerkt en, als dat het geval is, wat dat voor gevolgen heeft voor de milieutechnische en ruimtelijk planologische aanvaardbaarheid van het bestreden besluit.

5.3.

Wat betreft de vraag op welke wijze de geuremissie van de mestdrooginstallatie bij de berekening van de geurbelasting moet worden betrokken, neemt de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4081, als uitgangspunt. Uit die uitspraak maakt de rechtbank op dat de geuremissie vanwege een mestverwerkingsinstallatie niet per definitie is verdisconteerd in de voor het toegepaste huisvestingssysteem vastgestelde emissiefactor. Dus de redenering van verweerder dat niet afzonderlijk rekening dient te worden gehouden met de geuremissie van de mestdrooginstallatie omdat deze onderdeel uitmaakt van het huisvestingssysteem en aldus per definitie in de voor dat systeem relevante emissiefactor is betrokken, is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. Nu in dit geval bij de geuremissie van het stalsysteem geen rekening is gehouden met de geuremissie van de mestdrooginstallatie, heeft verweerder aldus ten onrechte deze emissie niet bij haar beoordeling betrokken, Dat in de geurberekening met V-stacks met de geurbelasting van de mestdrooginstallatie geen rekening kan worden gehouden, omdat ter zake geen geuremissiefactor kan worden ingevoerd, maakt dit niet anders. Voor het bepalen van die geurbelasting kan naar het oordeel van de rechtbank bijvoorbeeld aansluiting worden gezocht bij het beoordelingskader van de Wet en de Regeling ammoniak en veehouderij. Ter zitting is door mw. A. Snik van Odournet bevestigd dat analoge toepassing van de factor voor ammoniakemissie voor de mestdrooginstallatie als nageschakelde techniek, met een zekere extra marge, een aanvaardbaar kader kan zijn voor beoordeling van de geurbelasting van de mestdrooginstallatie. Het bestreden besluit kent daarom ook in zoverre een gebrek. Met de eerst ter zitting door verweerder gedane mededeling dat inmiddels met analoge toepassing van de factor voor ammoniakemissie als nageschakelde techniek een nadere berekening is uitgevoerd en hieruit volgt dat de geurbelasting nog steeds aanvaardbaar is, kan dit gebrek thans niet worden geheeld, reeds omdat deze berekening vooralsnog niet controleerbaar is.

Het betoog slaagt.

Verweerder dient aldus alsnog een berekening in te brengen van geurbelasting van de inrichting, rekening houdende met de geuremissie van de mestdrooginstallatie.

Geluid

6. Eisers betogen dat een verlaging van de vergunde geluidwaarden tot onder de richtwaarden in dit geval aangewezen is. Voorts plaatsen zij vraagtekens bij de juistheid van de geluidberekeningen, onder meer voor de koelventilatoren van de stallen in de nachtperiode. Daartoe voeren zij aan dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het onderzoek van Duindam Klimaatadvies (hierna: Duindam), niet overeenkomen met de feitelijke klimatologische situatie. Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen eisers naar de door eisers 2 overgelegde tegenrapportage van De Roever omgevingsadvies (hierna: De Roever). Uit die rapportage is af te leiden dat in 10 tot 20 nachten per jaar het ventilatiedebiet meer dan 20% van de geïnstalleerde capaciteit aan koelventilatoren zal bedragen, waarvan het rapport van Duindam uitgaat. Voorts is volgens eisers 2 ten onrechte geen rekening gehouden met het tonale geluid van gierende ventilatoren. Volgens eisers is onvoldoende aannemelijk dat met de volgens de commissie MER benodigde uitbreiding van ventilatoren, draaiend op vol toerental, aan de geluidnormen kan worden voldaan.

6.1.

Verweerder heeft hiertegen aangevoerd dat eisers en De Roever er ten onrechte van uitgaan dat in de rapportage van Duindam is gerekend met een ventilatiebehoefte van 20%. Uit de in bijlage 2 opgenomen analyse blijkt dat dit slechts een deel van de nacht het geval is. De ventilatoren die voor de woning aan de [adres 2] de maatgevende bron zijn, zijn volgens de berekening van Duindam in de hele nachtperiode meer dan 70% in werking. Niet duidelijk is hoe in de rapportage van De Roever het aantal dagen met een hoger temperatuurverloop is bepaald en waar het verwachte temperatuurverloop op is gebaseerd en waarom dit representatief zou zijn voor het pluimveebedrijf. Bij ventilatiebehoefte spelen meer factoren dan alleen nachttemperatuur. Volgens de rapportage van Duindam is er ook minder ventilatiebehoefte bij snelle afkoeling en wordt bij extreme temperaturen niet meer gestuurd op 20 graden Celsius in de stal. Aannemelijk is dat het ventilatieverloop als door Duindam aangehouden ook bij extreme temperaturen een goede benadering van de werkelijkheid is.

6.2.

Vergunning onder de richtwaarden, zoals eisers beogen, kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet worden gevergd. De rechtbank heeft in wat eisers hebben aangevoerd voorts geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder zich niet op grond van de geluidsrapportage van Sain milieuadvies (hierna: Sain) op het standpunt heeft mogen stellen dat het geluid van de ventilatoren geen tonaal karakter heeft. De rechtbank heeft ook verder in wat eisers, met verwijzing naar de tegenrapportage van De Roever, hebben aangevoerd, geen aanknopingspunten gevonden om de rapportage van Duindam en de daarop gebaseerde geluidsrapportage van Sain onjuist of onvolledig te achten. Daarbij betrekt de rechtbank dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat van verkeerde uitgangspunten is uitgegaan wat betreft de klimatologische omstandigheden ter plaatse, in het bijzonder de temperatuur binnen en buiten de stal, alsmede het verschil hiertussen en de mate van koeling die dat vergt. De rechtbank heeft in wat eisers in dit verband hebben aangevoerd, voorts geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de vergunning niet naleefbaar is.

Het betoog slaagt niet.

Stofhinder

7. Eisers 1 betogen dat ten onrechte niet is voorzien in een voorschrift ter voorkoming van stofhinder, in verband met openingen in de mestopslag.

7.1.

Volgens verweerder zijn aanvullende voorschriften ter voorkoming van stofhinder niet nodig.

7.2.

Uit de rapporten bij de aanvraag alsmede de overige stukken uit het dossier blijkt niet dat sprake zal zijn van een zodanige stofhinder vanwege de mestopslag dat specifieke voorschriften ter ondervanging noodzakelijk zijn.

Het betoog slaagt niet.

Opslag kadavers

8. Eisers 1 betogen dat overlast vanwege opslag van kadavers onvoldoende is ondervangen in de in paragraaf 3.3 van de vergunning opgenomen voorschriften.

8.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de opslag van kadavers verder toereikend en uitputtend is geregeld in algemene regels ingevolge de Destructiewet.

8.2.

De rechtbank heeft in wat eisers 1 hebben aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om het standpunt van verweerder onjuist te achten. Niet valt immers zonder meer in te zien dat de in de Destructiewet neergelegde regeling onvoldoende is.

Het betoog slaagt niet.

Natura 2000

9. Eisers betogen dat het in werking hebben van de inrichting zal leiden tot een onaanvaardbare ammoniakdepositie op de nabij gelegen Natura 2000 gebieden Stelkampsveld in de gemeente Berkelland en Korenburgerveen in de gemeente Winterswijk.

9.1.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de ammoniakdepositie is berekend op de randen van de dichtstbijzijnde natuurgebieden en per habitat is beoordeeld. Daarbij is per gebied uitgegaan van de “laagste” vergunningen. In feite heeft derde-partij, uitgaande van de laatste jurisprudentie, 1785 kg teveel aan ammoniakrechten aangekocht, aldus verweerder. Voor de nieuwe locatie is door gedeputeerde staten van Gelderland op 21 januari 2013 ook een, thans onherroepelijke, vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) verleend. Daarbij merkt verweerder op dat het pluimveebedrijf thans nog is gevestigd in de Ecologische hoofdstructuur en dat de natuurwinst door verplaatsing naar de nieuwe locatie 1500 tot 4000 mol per hectare per jaar lagere depositie bedraagt.

9.2.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

In navolging van de rechtspraak van de Afdeling over relativiteit in het kader van Natura 2000 gebieden, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:983, is de rechtbank van oordeel dat de belangen van omwonenden slechts verweven zijn met de algemene belangen die Natura 2000 regelgeving beoogt te beschermen indien deze Natura 2000 gebieden tot hun leefomgeving behoren.

9.3.

De rechtbank overweegt dat de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden op een afstand van meer dan 10 km van de percelen van omwonende eisers liggen. Daarom kan niet worden staande gehouden dat de belangen van deze eisers zodanig verweven zijn met het belang van bescherming van de betrokken natuurgebieden, dat de daartoe strekkende bepalingen om die reden ook ter bescherming van hun individuele belangen strekken. Voor deze omwonende eisers kan hetgeen in beroep ter zake is aangevoerd daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Wat betreft de Stichting geldt naar het oordeel van de rechtbank hetzelfde. De betrokken Natura 2000 gebieden liggen buiten haar statutaire en feitelijke werkgebied. Dat geldt ook voor de Vereniging, behoudens wat betreft het Korenburgerveen. De gronden voor zover deze betrekking hebben op dit gebied zal de rechtbank daarom bespreken. Daarbij is van belang dat dit geen Vogelrichtlijngebied is, maar uitsluitend een Habitatrichtlijngebied. Dat betekent dat de referentiedatum 7 december 2004 is, in plaats van 24 maart 2000 bij Vogelrichtlijngebieden.

9.4.

Anders dan de Vereniging betoogt heeft de rechtbank geen aanwijzingen dat de aangekochte ammoniakrechten voor andere bedrijven dan het thans in geding zijnde pluimveebedrijf zijn of worden gebruikt. Aldus acht de rechtbank de verbinding tussen de beëindiging van de salderingsbedrijven en de vestiging van het bedrijf van derde-partij voldoende gewaarborgd. De rechtbank heeft daarbij in wat de Vereniging heeft aangevoerd, geen aanknopingspunten gevonden om het in het bestreden besluit in het kader van de ruimtelijk planologische aanvaardbaarheid opgenomen vergunningvoorschrift E.2. met betrekking tot de beëindiging van het bedrijf van derde-partij aan de [adres 3] , onaanvaardbaar te achten.

9.5.

Tussen de Vereniging en verweerder is verder in geschil wat nu de laagst vergunde ammoniakemissie sinds de referentiedatum is. Wat betreft het Korenburgerveen, het enige gebied dat thans bespreking behoeft, is de referentiedatum 7 december 2004.

Wat betreft het bedrijf aan de [adres 3] blijkt uit het dossier dat dit bedrijf drie relevante vergunningen heeft gehad, een van 12 februari 1980, een van 2 april 2001 en een van 16 oktober 2007. Uit het rapport van WIK adviesgroep van 24 november 2014 volgt dat voor de beoordeling van de ammoniakemissie van het bedrijf aan de [adres 3] , voor de Habitatrichtlijngebieden, is uitgegaan van de vergunning van 16 oktober 2007. In het verweerschrift van 23 oktober 2014 stelt verweerder dat voor het bedrijf aan de [adres 3] is uitgegaan van de vergunning van 12 februari 1980. Omdat deze 1785,7 kg lager is dan de vergunning van 2 februari 2001, heeft derde-partij, aldus verweerder, in feite 1785 kg ammoniak teveel aangekocht. Niet wordt ingegaan op de stelling van de Vereniging dat de vergunning van 12 februari 1980 deels is vervallen, waardoor deze minder rechten geeft. Gelet op de referentiedatum van 7 december 2004 zijn naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de [adres 3] slechts van belang de vergunning van 2 april 2001, die gold op de referentiedatum en de vergunning van 16 oktober 2007. Ziet de rechtbank het goed dan wordt bij de laatstvermelde vergunning minder ammoniakemissie toegestaan dan bij de vergunning uit 2001. De WIK adviesgroep is daarom terecht uitgegaan van de vergunning van 16 oktober 2007. De vraag of de vergunning van 12 februari 1980 deels vervallen is, is voor deze beoordeling niet van belang. Daargelaten de verwarring die verweerder in het verweerschrift heeft geschapen, kan worden vastgesteld dat de WIK adviesgroep de juiste vergunning als uitgangspunt heeft genomen.

Echter, de rechtbank is met de Vereniging van oordeel dat verweerder bij het bedrijf aan de [adres 4] bij de berekening van de ammoniakemissie ten onrechte van een factor 3,5 in plaats van een factor van 2,5 voor 367 vleesvarkens is uitgegaan, gelet op de oppervlakte per dier. Uit de berekening van de Vereniging blijkt immers dat dit oppervlak minder dan 0,8 m2 per dier is. Het betoog van verweerder dat dit geen gevolgen heeft, omdat de vergunning aan de [adres 3] van 2 april 2001 ongeveer 1785 kg hoger is dan die van 12 februari 1980 en derde-partij aldus deze hoeveelheid aan ammoniak teveel heeft, wat daarvan op zichzelf ook zij, gaat, gelet op het voorgaande echter niet op, nu de vergunning uit 1980 van voor de referentiedatum van 7 december 2004 is en daarom geen relevante vergunning ter zake is. In zoverre heeft het besluit een gebrek.

Het betoog slaagt.

De rechtbank zal verweerder opdracht geven met de juiste factor een nieuwe berekening te maken van de ammoniakemissie teneinde te beoordelen of voor het Korenburgerveen geen verslechtering in ammoniakdepositie optreedt.

Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank erop dat op 1 juli 2015 de wet tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof), het Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof en de Regeling programmatische aanpak stikstof in werking zijn getreden. Verweerder dient, mede gelet op het overgangsrecht ter zake, te bezien of en in hoeverre deze wetswijziging van belang is voor het herstel van het gebrek.

Het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan

Omgevingsvergunning in plaats van bestemmingsplan

10. Eisers betogen dat de gemeenteraad op onaanvaardbare wijze buiten spel is gezet door het stillegging van de lopende bestemmingsplanprocedure in 2012 en verlening door verweerder van de thans bestreden omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan.

10.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bevoegdheid heeft in afwijking van het bestemmingsplan een project te vergunnen. Een verplichting om een project als hier aan de orde via een bestemmingsplan mogelijk te maken bestaat niet.

Het betoog slaagt niet.

Landschappelijke inpassing

11. Eisers betogen dat de landschappelijke inpassing niet voldoet aan de inpassingsprincipes van het LOG Halle-Heide, waar in paragraaf 3.4.2.1 van de ruimtelijke onderbouwing naar wordt verwezen.

11.1.

In deze stelling van eisers heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om de landschappelijke inpassing van het pluimveebedrijf onaanvaardbaar te achten.

Het betoog slaagt niet.

Geluidhinder wapenhandel en schietinrichting

12. Eiser 2 betoogt dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de gevolgen van het realiseren van de bedrijfswoning bij het nieuwe pluimveebedrijf voor de uitbreidingsmogelijkheden van zijn wapenhandel met schietinrichting.

12.1.

Van eiser 2 zijn geen concrete uitbreidingsplannen bekend. Alleen het schieten is een relevante geluidsbron van het bedrijf van eiser 2. De nieuwe, bij het bestreden besluit vergunde, bedrijfswoning vormt bij de huidige bedrijfsvoering van eiser 2 geen beperking voor zijn bedrijfsvoering, omdat de voor dit bedrijf meest beperkende woningen de woningen aan de [adres 5] en de [adres 6] zijn en blijven. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat ook als eiser 2 zijn bedrijfsvoering zou willen wijzigen, de nieuw vergunde bedrijfswoning niet de meest beperkende woning wordt. Dat zou alleen het geval kunnen zijn als het bedrijf van eiser 2 zou worden uitgebreid in de richting van de openbare weg en dat is uit oogpunt van veiligheid niet mogelijk. Gelet hierop heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de gevolgen van het realiseren van de bedrijfswoning bij het nieuwe pluimveebedrijf voor de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van eiser 2.

Het betoog slaagt niet.

Uitvoerbaarheid project

13. Eisers 1 betogen dat de uitvoerbaarheid van het project niet is gewaarborgd, omdat de noodzakelijke subsidie niet vast staat.

13.1.

In wat eisers hebben aangevoerd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het project. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de toegekende subsidie zal worden ingetrokken.

Het betoog slaagt niet.

Overige beroepsgronden

14. Zoals uit het toetsingskader volgt dient verweerder de milieugevolgen van de betrokken inrichting ook te betrekken bij de beoordeling of vestiging ter plaatse goede ruimtelijke ordening is. Nu uit het voorgaande volgt dat de milieugevolgen wat betreft geur nog niet juist in kaart zijn gebracht en de (overgangsrechtelijke)status van de woning aan de [adres 1] nog niet duidelijk is, kan de rechtbank niet beoordelen of verweerder de vestiging ter plaatse vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar heeft mogen achten. De betogen in dat kader over de locatiekeuze, de verkeersaantrekkende werking en het woon- en leefklimaat, waaronder de gezondheidsaspecten, kan de rechtbank daarom thans in het kader van de planologische aanvaarbaarheid nog niet beoordelen. Deze beoordeling zal de rechtbank daarom bewaren tot de einduitspraak.

Slotoverwegingen

15. Uit het voorgaande volg dat het bestreden besluit een aantal gebreken kent. Dit betreft de status van de [adres 1] , de geuremissie van de mestdrooginstallatie en de mate van ammoniakdepositie op het Korenburgerveen. De rechtbank stelt verweerder op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid deze gebreken te herstellen of te laten herstellen.

Verweerder dient aldus aan de hand van de overgangsrechtelijke bepalingen de status van de woning aan de [adres 1] te bepalen en de totale geurbelasting van de inrichting, inclusief de mestdrooginstallatie, te bepalen en aan de hand daarvan te beoordelen of het oprichten van de betrokken inrichting nog steeds kan worden vergund. Voorts dient verweerder deze nadere beoordeling te betrekken bij haar afweging of vestiging van het betrokken pluimveebedrijf ter plaatsen vanuit ruimtelijk oogpunt nog aanvaardbaar is. Ten slotte moet verweerder een nieuwe berekening maken van de ammoniakdepositie op het Korenburgerveen.

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen, mede gelet op de aard van de gebreken, op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

16. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen, moet hij dat, op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen, zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank, voor zover mogelijk, zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

17. Het verzoek van eisers om, indien in het bestreden besluit gebreken zouden zitten, in afwachting van de uitkomst van het geding, een voorlopige voorziening te treffen, wijst de rechtbank af. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de gebreken herstelbaar zijn.

18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzitter, mr. M. Groverman en mr. A.G.A. Nijmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Saedt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.