Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6828

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-11-2015
Datum publicatie
05-11-2015
Zaaknummer
05/740051-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot verrichten van buiten echt ontuchtige handelingen, die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, met jongen van 14 jaar; nietige dagvaarding ten aanzien van grooming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/740051-15

Datum uitspraak : 5 november 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] , wonende te [adres] , [woonplaats] .

Raadsman: mr. G. Altena, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 oktober 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 januari 2015 te Rheden, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen, ((mede) bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam), te plegen, met die [slachtoffer] heeft afgesproken om seksuele handelingen (pijpen en/of aftrekken en/of misschien neuken) (met elkaar) te (gaan) verrichten en/of

(daartoe) die [slachtoffer] op een afgesproken locatie heeft opgehaald en/of

(vervolgens) naar een natuurgebied is gereden en/of

(aldaar) met die [slachtoffer] achter in zijn, verdachtes, geparkeerde auto heeft plaatsgenomen en/of zijn, verdachtes, penis heeft ontbloot en/of

de penis van die [slachtoffer] heeft laten ontbloten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de periode van 19 januari 2015 tot en met 28 januari 2015 te Eerbeek, gemeente Brummen, en/of te Velp, gemeente Rheden, althans in Nederland, door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst (internet/WhatsApp) met een persoon van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , een

ontmoeting heeft voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen met die [slachtoffer] te plegen, terwijl hij (daarbij) enige handeling heeft ondernomen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, immers heeft hij, verdachte, met die [slachtoffer] concrete afspraken gemaakt om elkaar (op 28 januari 2015) te ontmoeten en/of (daarbij) seksuele handelingen te (gaan) verrichten en/of die [slachtoffer] met zijn, verdachtes, auto opgehaald en/of naar een natuurgebied

gereden;

2a. De geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 nietig dient te worden verklaard, aangezien de ontuchtige handelingen en de seksuele handelingen niet nader zijn omschreven.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het begrip “ontuchtige handelingen” onvoldoende feitelijk is in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en dat er in de tenlastelegging een nadere omschrijving moet worden gegeven van de feitelijke gedragingen. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit ook voor het begrip “seksuele handelingen”. Aangezien in het onder 2 tenlastegelegde feit van deze beide begrippen een nadere feitelijke omschrijving ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 onvoldoende feitelijk is en zal de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit nietig verklaren.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Begin januari 2015 heeft verdachte gereageerd op een contactadvertentie die [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), geboren op [geboortedatum 2] , had geplaatst op website [naam 1] . Verdachte en [slachtoffer] hebben vervolgens telefoonnummers uitgewisseld en zijn elkaar berichten gaan versturen via WhatsApp.2

Op 28 januari 2015 hebben verdachte en [slachtoffer] via WhatsApp afgesproken om elkaar later op die dag te ontmoeten bij de [naam 2] in Velp.3 Verdachte heeft [slachtoffer] daar met de auto opgehaald en samen zijn ze naar het bosgebied in Rheden gereden.4 Vervolgens zijn beiden achterin de auto gaan zitten en heeft [slachtoffer] zijn penis ontbloot. [slachtoffer] heeft zijn penis snel weer in zijn broek gedaan toen de politie eraan kwam.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging om met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen te plegen (artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr). Ten aanzien van deze ontuchtige handelingen betoogt de verdediging dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte zijn eigen penis had ontbloot of dat verdachte de penis van aangever heeft laten ontbloten. Daarnaast wijst de verdediging erop dat alleen de penis van aangever was ontbloot en dat het naar uiterlijke verschijningsvorm de verdachte was die aangever oraal zou gaan bevredigen. Die feitelijke gedragingen kunnen volgens de verdediging niet worden gekwalificeerd als zijnde gericht op de voltooiing van het delict van artikel 245 Sr, in het bijzonder het seksueel binnendringen van het lichaam van aangever door verdachte. De omstandigheid dat verdachte en aangever hadden afgesproken om elkaar oraal te bevredigen maakt dit volgens de verdediging niet anders. De verdediging heeft verzocht verdachte op dit punt vrij te spreken.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat artikel 245 Sr voor de strafbaarheid van ontuchtige handelingen geen onderscheid maakt tussen het geval dat het lichaam van de minderjarige wordt binnengedrongen en het geval dat het lichaam van een meerderjarige wordt binnengedrongen door een minderjarige. In zoverre is het niet van belang of aangever verdachte of verdachte aangever oraal wilde bevredigen.

Daarnaast overweegt de rechtbank over de feitelijke gang van zaken het volgende. Voorafgaand aan de ontmoeting op 28 januari 2015 hebben verdachte en [slachtoffer] via WhatsApp met elkaar gesproken. In die berichten staat het volgende:

Verdachte: ‘wat wil je doen’

[slachtoffer] : ‘zien we wel’

Verdachte: ‘pijp je’

[slachtoffer] : ‘ja, Miss neuken’

Verdachte: ‘in jou kontje’(…)

Verdachte: ‘maar neuk jij met of zonder condoom’

[slachtoffer] : ‘maakt mij nooit zoveel uit’ (…)

Verdachte: ‘mag ik jou neuken’

[slachtoffer] : ‘ja’ (…)

Verdachte: ‘jij mij misschien ook’ (…)

Verdachte: ‘begin jij te zuigen straks’(…)

[slachtoffer] : ‘als je dat wil’.6

Tijdens het verhoor bij de politie heeft verdachte bevestigd dat ze hadden afgesproken om elkaar te pijpen.7

De rechtbank overweegt dat verdachte ter verwezenlijking van deze plannen meerdere uitvoeringshandelingen heeft verricht; hij heeft [slachtoffer] opgehaald met de auto, samen zijn ze naar een afgelegen natuurgebied gereden en daar aangekomen zijn ze achterin de auto gaan zitten. Achterin de auto heeft [slachtoffer] zijn penis ontbloot en verdachte heeft dat laten gebeuren.

Gelet op het voorgaande en hetgeen hiervoor onder de feiten is weergegeven acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de penis van [slachtoffer] heeft laten ontbloten en dat het de bedoeling van verdachte en [slachtoffer] is geweest elkaar te pijpen en misschien te neuken, waarbij het niet tot een uitvoering is gekomen vanwege de komst van de politie. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat verdachte in de WhatsApp gesprekken vraagt of [slachtoffer] wel een makkelijke broek aantrekt, dat hijzelf een joggingbroek aan doet8 en dat verdachte inderdaad een joggingbroek droeg9. Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het voornemen had om ontuchtige handelingen te plegen met [slachtoffer] , mede bestaand uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 28 januari 2015 te Rheden, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen, ((mede) bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam), te plegen, met die [slachtoffer] heeft afgesproken om seksuele handelingen (pijpen en/of aftrekken en/of misschien neuken) (met elkaar) te (gaan) verrichten en/of

(daartoe) die [slachtoffer] op een afgesproken locatie heeft opgehaald en/of

(vervolgens) naar een natuurgebied is gereden en/of

(aldaar) met die [slachtoffer] achter in zijn, verdachtes, geparkeerde auto heeft plaatsgenomen en/of zijn, verdachtes, penis heeft ontbloot en/of

de penis van die [slachtoffer] heeft laten ontbloten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Poging tot het met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen te plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting en een medewerking aan controle van gegevensdragers, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat een voorwaardelijke gevangenisstraf, met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, een passende sanctie is. Daarbij wijst de verdediging erop dat alleen de poging tot ontucht als bedoeld in artikel 247 Sr kan worden bewezen en dat uit de pro justitia rapportage blijkt dat verdachte tijdens het plegen van dit delict als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Bij een voorwaardelijke strafoplegging, met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, kan verdachte worden behandeld voor zijn problematiek en kan hij zijn huidige werkzaamheden in het restaurant voortzetten.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 23 september 2015;

- een rapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 14 september 2015;

- een pro justitia rapport van drs. [naam 3] , gezondheidszorgpsycholoog, gedateerd 14 mei 2015.

Verdachte heeft met een jongen die destijds 14 jaar oud was, afgesproken met als doel elkaar te gaan pijpen en misschien gemeenschap met elkaar te hebben en is met deze jongen naar een afgelegen plek gereden waarna hij die jongen zijn penis heeft laten ontbloten. Verdachte had, als meerderjarige man en vanwege het grote leeftijdsverschil, zijn verantwoordelijkheid moeten kennen en het slachtoffer tegen zichzelf in bescherming moeten nemen. Met zijn gedrag heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij onvoldoende heeft beseft dat minderjarigen die worden betrokken bij ontuchtige handelingen, hierdoor psychische schade kunnen oplopen en kunnen worden belemmerd in het doormaken van een gezonde (seksuele) ontwikkeling. Dat het voorval impact heeft gehad op het slachtoffer, blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Daarnaast weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee dat hij eerder, in 2010, is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Na zijn veroordeling heeft verdachte, in het kader van het reclasseringstoezicht, een behandeltraject bij een forensisch psychiatrische polikliniek gevolgd.

In het rapport van de psycholoog is vermeld dat bij verdachte sprake is van een traumatische voorgeschiedenis, waardoor hechtingsproblematiek en scheefgroei in de persoonlijkheid en identiteit is ontstaan. De psycholoog adviseert als gevolg van de hechtingsproblemen en de narcistische persoonlijkheidspathologie, verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank verenigt zich met deze conclusie en het advies en maakt die tot de hare. In het najaar van 2014 heeft verdachte op eigen initiatief hulp gezocht bij een psychologenpraktijk omdat hij worstelde met zijn verleden. In het voorjaar van 2015 is verdachte verwezen naar de forensisch psychiatrische polikliniek [naam 4] . Sinds half augustus 2015 volgt verdachte een meerdaagse (groeps)zedenbehandeling. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard baat te hebben bij deze behandeling. Zowel door de psycholoog als de reclassering wordt geadviseerd om, ter verkleining van het recidiverisico, deze behandeling - in een verplicht kader - te continueren.

De rechtbank dient ook rekening te houden met het bepaalde in artikel 22b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op de ernst van de feiten en de overige omstandigheden zoals hierboven genoemd, acht de rechtbank de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van hierna te vermelden duur, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, passend en geboden. Daarnaast zal aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf worden opgelegd van de maximale duur. De voorwaardelijke straf dient ertoe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een dergelijk feit te begaan. Gelet op de inhoud van de psychologische rapportage en het reclasseringsrapport ziet de rechtbank aanleiding aan de voorwaardelijke straf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden. Omdat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor het handelen in strijd met artikel 245 Sr en destijds daarvoor al een behandeling heeft gehad, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en verbindt de rechtbank aan de voorwaardelijke straf een proeftijd van 5 jaar.

De door de verdediging bepleite straf, te weten een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van het bewezen verklaarde en de geconstateerde recidive. Omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan door de officier van justitie is geëist, volgt de rechtbank de officier van justitie niet in de strafeis.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.187,78. De vordering ziet voor een bedrag van € 1.150 op immateriële schade en voor een bedrag van € 37,78 op materiële schade (reiskosten).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij tot betaling van het bedrag van € 1.187,78 toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schadevergoeding moet worden afgewezen omdat behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Volgens de verdediging is niet helemaal duidelijk of het gedrag dat aangever na 28 januari 2015 is gaan vertonen in causaal verband staat met het delict dan wel hier rechtstreeks het gevolg van is geweest.

Beoordeling door de rechtbank

Gelet op hetgeen bewezen is verklaard alsmede de omstandigheid dat de vordering voor wat betreft de materiële schade niet is betwist, is de vordering voor wat betreft het materiële gedeelte voor toewijzing vatbaar.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat, gelet op hetgeen bewezen is verklaard en gelet op de inhoud van de vordering en de schriftelijke slachtofferverklaring, is komen vast te staan dat de benadeelde als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet zonder nader onderzoek de exacte omvang van de als gevolg van het bewezenverklaarde geleden immateriële schade vaststellen. Zij is echter van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 500,- aan schadevergoeding op zijn plaats is, zodat zij dit bedrag zal toewijzen aan de benadeelde.

Voor zover de vordering strekt tot vergoeding van een hoger bedrag wegens immateriële schade levert de behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 28 januari 2015.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22b, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 45 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart de dagvaarding nietig wat betreft het onder 2 tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen;

  • -

    bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 149 (honderdnegenenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op vijf jaren wordt bepaald;

  • -

    de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen 5 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de reclassering in zijn woonplaats/woonomgeving (in dit geval Reclassering Zutphen) en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd verplicht laat behandelen bij een instelling voor ambulante forensische psychiatrie, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. De behandeling zou zich moeten richten op duurzame preventie van seksueel grensoverschrijdend gedrag en betreft bij aanvang een dagbehandeling van 3 of 4 dagen per week;

- verplicht wordt om toegang te verschaffen tot zijn gegevensdragers, indien en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij hij zijn medewerking zal moeten verlenen aan het steekproefsgewijs checken van de gegevensdragers door de politie en/of de reclassering;

- geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

En voorts tot:

 een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

Heft op het - inmiddels geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag van € 537,38 (vijfhonderd zevenendertig euro en achtendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 537,38 (vijfhonderd zevenendertig euro en achtendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 10 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Noordraven (voorzitter), mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en mr. J.M.J.M. Doon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 november 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de politie Oost Nederland, dienst regionale recherche opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015048573, gesloten op 19 maart 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 38, 39.

3 Uitdraai van Whats Appgesprekken, p. 62 t/m 64.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 42, 43.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 43, 44 ; proces-verbaal van bevindingen p. 55, 56; de verklaring van verdachte ter zitting.

6 Uitdraai van WhatsApp-gesprekken, p. 62 t/m 64.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 83.

8 Uitdraai van WhatsApp gesprekken, p. 64

9 Het proces verbaal verhoor getuige [getuige] , p 44