Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6796

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-10-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
288321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Letselschade. Eiser stelt dat hij na het verkeersongeval als gevolg van pijnklachten zijn werkzaamheden als zelfstandige niet meer kan uitoefenen en dat hij daardoor schade lijdt, bestaande uit inkomensverlies. Hij vordert € 75.000. Op grond van deskundigenrapportage en overige medische informatie kan naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter (nog) niet worden aangenomen dat sprake is van alle door eiser genoemde klachten, noch dat die klachten het gevolg zijn van het ongeval. Vorderingen afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/288321 / KG ZA 15-412

Vonnis in kort geding van 2 oktober 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Arnhem,

eiser,

advocaat mr. C.W. Langereis te Arnhem,

tegen

de onderlinge waarborgmaatschappij

KLAVERBLAD ONDERLINGE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ U.A.,

gevestigd te Zoetermeer,

gedaagde,

advocaat mr. J. Streefkerk te Voorburg.

Partijen zullen hierna [eiser] en Klaverblad genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de op voorhand toegezonden producties 1 tot en met 9 van [eiser]

  • -

    de op voorhand toegezonden producties 1 tot en met 17 van Klaverblad

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van Klaverblad.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 12 februari 2014 betrokken geweest bij een verkeersongeval in Beuningen. [eiser] reed met ongeveer 50 km/uur op een voorrangsweg. De verzekerde van Klaverblad heeft bij het afslaan verzuimd aan [eiser] voorrang te verlenen. [eiser] is daardoor tegen de zijkant van de auto van de verzekerde van Klaverblad gebotst. [eiser] , die na het ongeval nog wel bij kennis was, had een hoofdwond opgelopen en hij klaagde over nekpijn rechts en tinteling van een paar tenen. Hij is door een ambulance naar de spoedeisende hulp van het Radboud UMC te Nijmegen vervoerd. Aldaar is zijn hoofdwond geplakt en zijn er een CT-scan en röntgenfoto’s gemaakt. Voorts zijn er nog een aantal onderzoeken verricht, waaronder een buikecho. Uit deze onderzoeken zijn geen afwijkingen naar voren gekomen. [eiser] mocht met pijnstilling de spoedeisende hulp verlaten.

2.2.

Voor het ongeval was [eiser] als zelfstandige werkzaam als commercieel duiker en verhuurde hij zichzelf als verpleegkundige. De verdeling duikwerkzaamheden/werkzaamheden als verpleegkundige was 50/50.

2.3.

Na het ongeval heeft [eiser] zich bij zijn huisarts gemeld met klachten bestaande uit forse hoofdpijnen, een pijnlijke nek, bewegingsbeperkingen in de nek, tintelingen en slapeloosheid. De huisarts heeft [eiser] in eerste instantie verwezen naar fysiotherapie.

2.4.

In een tussentijdse rapportage d.d. 22 maart 2014 van de behandeld fysiotherapeut aan de huisarts staat dat [eiser] pijn in de nek en het hoofd heeft. De beperkingen van de nek zijn beperkt, de asdruk is zeer pijnlijk, tillen met de armen zeer moeilijk en dingen van de grond pakken is zeer lastig.

2.5.

Omdat de klachten door de fysiotherapie niet snel verbeterden is [eiser] door de huisarts verwezen naar een neuroloog.

2.6.

Per e-mail van 26 maart 2014 heeft Klaverblad de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Tot medio 2014 heeft Klaverblad een bedrag van ongeveer € 30.000,00 aan voorschotten aan [eiser] uitgekeerd. Daarna zijn de betalingen gestopt.

2.7.

Medisch adviseur Rijntjes (aan de zijde van [eiser] ) meldt in zijn medisch advies van 15 september 2014 onder meer dat de neuroloog van [eiser] (Oostrom) op 12 mei 2014 diverse hernia’s heeft vastgesteld. Het ging om een dubbelzijdige hernia op niveau C4-C5 en een dubbelzijdige hernia op niveau C5-C6, en daarnaast een kleine hernia op lumbaal niveau L4-L5 (wortelcompressie) rechts. De hernia’s zijn volgen Rijntjes geen ongevalsgevolg. Wel kunnen deze hernia’s de klachten veroorzaken zoals genoemd door [eiser] . Volgens Rijntjes is het zeer moeilijk om in deze fase aan te geven welke klachten ongevalsgevolg zijn en welke niet. De heftige hoofdpijn en nekpijnklachten wil hij voorlopig wel als ongevalsgevolg beschouwen. Rijntjes stelt voor om een neurologische expertise te laten uitvoeren.

2.8.

Op 21 april 2015 heeft neuroloog dr. H.J.J.A. Bernsen (Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis) op gezamenlijk verzoek van [eiser] en Klaverblad [eiser] neurologisch onderzocht. Op 30 juni 2015 heeft dr. Bernsen zijn bevindingen op schrift gesteld. In het rapport is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

(…)

II Lichamelijk onderzoek

II.1 Algemeen lichamelijk onderzoek

(…) Er is een fysiologische stand van de wervelkolom, de rechter schouder staat iets hoger dan de linker schouder. Betrokkene geeft drukpijn aan in het trapeziusgebied beiderzijds, maar ook suboccipitaal. Er wordt een soepele schouder- en nekmusculatuur gepalpateerd. Bewegingen van de cervicale wervelkolom worden op verzoek in alle richtingen beperkt uitgevoerd met pijnaangifte in de ruime nekregio. Passief zijn er geen blokkades, maar wel weerstand bij bewegingen van de cervicale wervelkolom. (…).

(…)

V Beschouwing

Gezien het feit dat betrokkene met zijn hoofd tegen het dak aan is gekomen en een hoofdverwonding heeft opgelopen, heeft betrokkene ten gevolge van het ongeval op 12-02-2014 licht traumatisch hoofd/hersenletsel opgelopen. Betrokkene is daarbij niet buiten kennis geweest, hij heeft geen amnesie voort gebeuren, maar ontwikkelde wel ten gevolge van het ongeval posttraumatische hoofd- en nekpijnklachten. Daarbij heeft beeldvorming van de intracraniële structuren geen intracraniële afwijkingen laten zien waardoor de hoofdpijnklachten verklaard kunnen worden. MRI van de cervicale wervelkolom toonde enkele bulging discs, echter zonder klinische relevantie en met name geen aanwijzingen voor een myelopathie. Op de MRI van de hersenen worden geen afwijkingen gezien, met name geen posttraumatische afwijkingen, de MRI van de LWK toont zich slechts asymptomatische afwijkingen zonder klinische relevantie. Zowel bij het onderzoek in de behandelende sector als bij het huidige neurologisch onderzoek kunnen in overeenstemming hiermee geen aanwijzingen worden gevonden voor een centraal neurologisch substraat voor de hoofdpijnklachten van betrokkene en eveneens worden er geen aanwijzingen gevonden voor een cervicale myelopathie, een cervicaal radiculair syndroom, een plexus brachialis letsel of perifeer zenuwletsel waarmee de door betrokkene aangegeven nekpijnklachten neurologisch kunnen worden verklaard. Voor wat betreft de hoofdpijnklachten kan differentiaal diagnostisch wel worden gedacht aan een analgetica afhankelijke component hierbij en tevens is het van belang op te merken dat betrokkene bekend is met slaapapnoe problematiek en ook bruxisme. Ook hierdoor kan een klachtenonderhoudende werking uitgaan voor wat betreft de hoofdpijnklachten.

Betrokkene geeft aan dat hij na het ongeval ook last heeft gekregen van geheugenklachten, al voor dat hij Morfine gebruikte. De geheugenklachten zijn momenteel weer wat aan het verbeteren. Aangezien betrokkene bij het ongeval niet buiten kennis is geweest, er geen amnesie is voor het ongeval en bovendien er eveneens geen afwijkingen op de beeldvormende diagnostiek zijn vastgesteld, is het zeer waarschijnlijk dat de door betrokkene ondervonden en reeds verbeterde geheugenklachten secundair zijn aan de overige problematiek en niet berusten op structureel hersenletsel.

(…)

Diagnose

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Antwoord:

Op mijn vakgebied is sprake van een licht traumatisch hoofd/hersenletsel. In de differentiaal diagnose dient voor wat betreft de hoofdpijnklachten een analgetische afhankelijke component, slaapapnoe problematiek en bruxisme te worden overwogen.

Beperkingen

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

h. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA-guides, laatste druk) aangevuld met de eventuele richtlijnen van uw eigen beroepsvereniging?

Antwoord:

g. Op mijn vakgebied kunnen geen neurologische afwijkingen worden vastgesteld en derhalve kan ook niet gesproken worden van neurologisch bepaalde beperkingen.

h. Op grond van de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie kan niet worden gesproken van een percentage functieverlies bij posttraumatische hoofd- of nekpijnklachten zonder neurologisch substraat. Gaat men uit van de AMA-guides 6e editie dan kan volgens hoofdstuk 3, tabel 3-1 in geval van posttraumatische hoofdpijnklachten wel een percentage functiestoornis worden toegekend. Betrokkene scoort daarbij op de PDQ 117 en komst daarmee in de categorie van 2% terecht.

Medische eindsituatie

i. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

(…)

Antwoord:

i. Ik verwacht geen wezenlijke verbeteringen of verslechteringen meer in de huidige neurologische toestand van betrokkene.

(…)

2 Situatie zonder ongeval

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

(…)

Antwoord:

a. Voor zover mij bekend bestonden bij betrokkenen geen klachten of afwijkingen op mijn vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft.

(…)

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen?

(…)

Antwoord:

c. Aangezien hoofdpijnklachten ook in de niet-getraumatiseerde bevolking vrij vaak voorkomen kan niet worden uitgesloten dat ook in de situatie zonder ongeval betrokkene op enig moment hoofdpijnklachten had kunnen krijgen.

d. In de situatie zonder ongeval kan ik niet aangeven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de hoofdpijnklachten bij betrokkene dan aanwezig hadden kunnen zijn geweest.

e. In het algemeen worden hoofdpijnklachten niet veroorzaakt door structurele hersenafwijkingen en gaan derhalve doorgaans niet gepaard met neurologische beperkingen.

f. In de situatie zonder ongeval kan ik geen prognostische uitspraak doen voor de eventueel dan aanwezige hoofdpijnklachten bij betrokkene.

(…)

2.9.

[eiser] heeft een medisch adviseur, neuroloog Gelmers, verzocht een reactie te geven op het rapport van Bernsen. In zijn reactie stelt Gelmers dat de conclusies van het expertiserapport overgenomen kunnen worden voor de afwikkeling van de letselschade, met dien verstande dat de beperkingen nader dienen te worden vastgesteld in een verzekeringsgeneeskundig deskundigenonderzoek.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Klaverblad tot betaling van € 75.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling, kosten rechtens.

3.2.

Klaverblad voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van [eiser] .

4.2.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.3.

Aan zijn vordering legt [eiser] ten grondslag dat hij voor het ongeval kerngezond was en een goed inkomen genoot als zelfstandige. Als gevolg van het ongeval ondervindt hij forse hoofdpijnen, een pijnlijke nek, zich uitende in drukpijn van bovenaf, bewegingsbeperkingen in de nek en slapeloosheid. Deze klachten leiden ertoe dat hij zijn werkzaamheden niet meer kan uitoefenen en derhalve geen inkomen meer kan genereren en dus schade lijdt.

4.4.

Anders dan [eiser] betoogt, kan naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter in het rapport van Bernsen geen althans onvoldoende steun worden gevonden voor de stelling dát sprake is van de gestelde klachten en dat die klachten het gevolg zijn van het ongeval. Behoudens de hoofdpijnklachten, worden door Bernsen geen andere (door [eiser] genoemde) klachten vastgesteld. Wat betreft de hoofdpijnklachten geeft Bernsen aan dat die klachten ook zonder ongeval zouden kunnen bestaan althans door niet ongevalsgerelateerde factoren in stand worden gehouden. De voorzieningenrechter overweegt verder nog dat – hoewel Bernsen dit niet vaststelt – de eigen medisch adviseur van [eiser] de hernia’s die eerder zijn vastgesteld door neuroloog Oostrom ook als oorzaak aanwijst van de klachten van [eiser] , zij het niet van de hoofdpijn en nekklachten.

4.5.

Naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter kan op grond van het op gezamenlijk verzoek opgestelde en overigens door [eiser] niet bestreden rapport van Bernsen en de overige medische informatie (nog) niet worden aangenomen dat sprake is van alle door [eiser] genoemde klachten, noch dat die klachten het gevolg zijn van het ongeval. Hooguit zou bij deze stand van zaken van de hoofdpijnklachten nog aangenomen kunnen worden dat die mogelijk mede het gevolg zijn van het ongeval, maar tot welke beperkingen die klachten dan leiden is nog geenszins gebleken. Een beperkingenprofiel en een arbeidsdeskundige rapportage is niet voorhanden. Zoals ter zitting ook is besproken is denkbaar dat in een bodemprocedure zou kunnen komen vast te staan dat sprake is van niet-objectiveerbare doch reële, niet ingebeelde of voorgewende ongevalsgerelateerde klachten. Voor die aanname is thans echter onvoldoende (medische) onderbouwing voorhanden. De enkele stelling dat thans sprake is van klachten die voor het ongeval niet aanwezig waren, is daarvoor onvoldoende.

4.6.

Bij deze stand van zaken valt niet met voldoende zekerheid te voorzien of de rechter in de bodemprocedure zal komen tot toewijzing van schadevergoeding bovenop hetgeen reeds is bevoorschot. De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.7.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Klaverblad worden begroot op:

- griffierecht € 1.909,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.725,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Klaverblad tot op heden begroot op € 2.725,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2015.

Coll. MBR