Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6688

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-11-2015
Datum publicatie
02-11-2015
Zaaknummer
05/840994-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden wegens het mishandelen van zijn vriendin en vernieling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840994-15

Datum uitspraak : 2 november 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats]

thans gedetineerd te [verblijfplaats]

Raadsvrouw: mr. B.A.T. Brouwer, advocaat te Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 19 oktober 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 september 2015 te Harderwijk zijn levensgezel, althans een persoon te weten [slachtoffer] heeft mishandeld door

die [slachtoffer] (met kracht) in een hand te knijpen en/of (met kracht) bij de keel/nek

vast te pakken en/of vast te houden en/of de keel dicht te drukken en/of

dichtgedrukt te houden en/of door die [slachtoffer] (met kracht) op de grond te gooien

en/of te duwen en/of (vervolgens) (met kracht) tegen een zij, althans tegen

het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of tegen het (achter)hoofd te

stompen en/of te slaan.

2.

hij op of omstreeks 14 september 2015 te Harderwijk opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruit(en) (van een deur), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde feit. Zij heeft in dit kader gewezen op de verklaring van aangeefster [slachtoffer] , de verklaring van de dochter van aangeefster en de verklaring van verdachte zelf.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat niet alle tenlastegelegde handelingen kunnen worden bewezen. Volgens de raadsvrouw wordt de verklaring van aangeefster, inhoudende dat cliënt haar een klap op het achterhoofd heeft gegeven niet door de overige bewijsmiddelen ondersteund. Haar cliënt ontkent daarbij dat hij aangeefster bij de keel heeft gepakt en dat hij haar heeft geschopt. Volgens de raadsvrouw kan enkel een eenvoudige mishandeling worden bewezen, mede ervan uitgaande dat aangeefster is gevallen door toedoen van haar cliënt. De straf die door de officier van justitie is geëist, staat niet in verhouding tot dit feit.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde feit. Zij overweegt daartoe als volgt.

Aangeefster heeft aangifte gedaan van mishandeling door verdachte, gepleegd op 14 september 2015 (Opmerking rechtbank: in de aangifte staat ook genoemd ‘ maandag 17 september 2015’. In het licht van het strafdossier merkt de rechtbank dit aan als een kennelijke verschrijving ).2 Zij heeft verklaard dat verdachte haar hand heeft gepakt en daar hard in heeft geknepen. Haar hand kraakte en het deed pijn.3 Ook pakte verdachte haar bij haar keel.4 Nadat hij haar keel in de keuken had losgelaten, pakte verdachte aangeefster nogmaals bij haar keel en gooide haar met kracht in de woonkamer op de grond, waarna hij haar in haar zij schopte.5

De verklaring van aangeefster wordt op belangrijke punten ondersteund door de verklaring van de dochter van aangeefster. Zij heeft kort na het voorval verklaard dat zij aangeefster en verdachte hoorde schreeuwen en dat zij toen zij naar de keuken liep, zag dat verdachte aangeefster aanviel. Zij heeft gezien dat verdachte aangeefster met beide handen bij haar keel pakte en in de woonkamer op de grond gooide. Vervolgens heeft zij gezien dat verdachte aangeefster in haar zij schopte. Dit zag er hard uit.6

Voor wat betreft het knijpen in de hand, wordt de verklaring van aangeefster daarnaast ondersteund door de verklaring van verdachte. Ter terechtzitting heeft verdachte immers verklaard dat het klopt dat hij aangeefster bij haar hand heeft gepakt en dat het zou kunnen dat haar dit pijn heeft gedaan.7

Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster heel stevig heeft beetgepakt met één hand op een schouder en één hand in de nek van aangeefster, maar ontkent de overige tenlastegelegde handelingen. De rechtbank is gelet op de verklaring van aangeefster, die op belangrijke punten wordt ondersteund door de kort na het voorval afgelegde verklaring van haar dochter, evenwel van oordeel dat verdachte aangeefster ook bij de keel heeft gepakt en heeft vastgehouden, dat hij aangeefster met kracht op de grond heeft gegooid of geduwd en dat hij aangeefster met kracht in haar zij heeft geschopt.

Aangeefster en verdachte hadden ten tijde van het tenlastegelegde een affectieve relatie, hetgeen ook door verdachte wordt erkend.8

De rechtbank heeft aldus op grond van wettig bewijs de overtuiging bekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde.

Zij is evenwel van oordeel dat het dossier geen bewijsmiddelen bevat die de verklaring van aangeefster, inhoudende dat verdachte haar keel heeft dichtgedrukt en/of dichtgedrukt heeft gehouden, dan wel dat verdachte haar tegen het achterhoofd heeft geslagen en/of gestompt, ondersteunen. Om die reden zal verdachte ten aanzien van die handelingen worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 7, tweede alinea;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 36, vijfde alinea.

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 oktober 2015.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 14 september 2015 te Harderwijk zijn levensgezel, althans een persoon te weten [slachtoffer] heeft mishandeld door

die [slachtoffer] (met kracht) in een hand te knijpen en/of (met kracht) bij de keel/nek

vast te pakken en/of vast te houden en/of de keel dicht te drukken en/of

dichtgedrukt te houden en/of door die [slachtoffer] (met kracht) op de grond te gooien

en/of te duwen en/of (vervolgens) (met kracht) tegen een zij, althans tegen

het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of tegen het (achter)hoofd te

stompen en/of te slaan.

2.

hij op of omstreeks 14 september 2015 te Harderwijk opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruit(en) (van een deur), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. G. Steeghs, heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen volgens de officier van justitie de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, te weten: een meldplicht, een behandelverplichting gericht op de verslavingsproblematiek van verdachte, een behandelverplichting gericht op ambulante forensische zorg, een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en, indien de reclassering dit nodig acht, een opname in een zorginstelling in het kader van een korte klinische behandeling. Daarnaast heeft de officier van justitie een contactverbod met de kinderen van aangeefster gevorderd, nu aangeefster daarom heeft verzocht.

De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn strafeis rekening gehouden met het feit dat men zich juist in zijn of haar eigen huis veilig moet kunnen voelen. Voor aangeefster is dit niet het geval geweest. Daarnaast heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat de kinderen van aangeefster aanwezig waren in de woning waar het voorval plaatsvond. Mede gelet op de justitiële documentatie van verdachte is hij van oordeel dat een werkstraf een gepasseerd station is.

Volgens de officier van justitie is de zorgbehoefte van verdachte niet zo groot, dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om te onderzoeken of opname in de klinische verslavingszorg geïndiceerd is, zoals dat door de reclassering is geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

Indien een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd, heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de duur van het onvoorwaardelijke deel zoveel mogelijk te beperken. Er zijn geen bezwaren tegen een voorwaardelijk strafdeel, nu dat mogelijk maakt dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd.

Pas geleden heeft een overleg plaatsgevonden tussen verschillende (zorg)instanties die verdachte omringen. De conclusie was dat ten behoeve van haar cliënt meer maatregelen moeten worden getroffen. Slechts een geringe hoeveelheid alcohol heeft al een negatieve uitwerking op haar cliënt.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 5 oktober 2015;

- een advies van het Leger des Heils d.d. 14 oktober 2015.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van zogezegd ‘huiselijk geweld’. Hij heeft zijn vriendin mishandeld en heeft ruiten van de binnendeur van haar woning ingeslagen. Daarbij waren ook de kinderen van aangeefster aanwezig. Dat baart grote zorgen. Verdachtes’ handelen heeft zijn vriendin, als ook diens kinderen, grote schrik aangejaagd. Iedereen moet zich thuis immers veilig en vertrouwd kunnen voelen. Door het handelen van verdachte hebben aangeefster én haar kinderen zich niet zo kunnen voelen.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Verdachte heeft de in dat kader opgelegde werkstraf niet volbracht en heeft de vervangende hechtenis uitgezeten. Gelet hierop is het opleggen van een werkstraf in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank geen passende wijze van afdoening, dit nog afgezien van het bepaalde bij artikel 22b Sr. De rechtbank houdt evenwel ook rekening met het feit dat bij aangeefster sprake was van relatief gering letsel en de omstandigheid dat aangeefster te kennen heeft gegeven dat zij nog steeds toekomst ziet voor een affectieve relatie met verdachte.

Het advies van het Leger des Heils d.d. 14 oktober 2014 is geschreven in het kader van de – eveneens aanhangige – vorderingen na voorwaardelijke veroordeling. Beschreven is onder meer dat verdachte zijn problemen met alcohol en andere verdovende middelen bagatelliseert, hetgeen verandering van zijn situatie in de weg staat. Verdachte is gediagnosticeerd met een persoonlijkheidsproblematiek (borderline) en is verslavingsafhankelijk. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van ADHD, emotieregulatieproblematiek en heeft verdachte een beneden gemiddeld tot een gemiddeld intelligentieniveau. Verdachte is eerder ter detoxificatie opgenomen, maar al snel is gebleken dat het hem niet lukt om abstinent te blijven. Om die reden heeft de reclassering geadviseerd om de in het kader van de eerdere voorwaardelijke veroordelingen opgelegde bijzondere voorwaarden, aan te scherpen. Zoals hierna onder 7a nader zal worden gemotiveerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de eerder opgelegde voorwaardelijk opgelegde straffen slechts gedeeltelijk ten uitvoer te leggen of om de proeftijden daarvan te verlengen. De rechtbank ziet, mede gelet op hetgeen is beschreven in het reclasseringsrapport, echter wel reden om de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden te koppelen aan een voorwaardelijk strafdeel in de hoofdzaak, nu verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij slechts weinig alcohol nodig heeft om zichzelf niet meer in de hand te kunnen houden. Alcoholgebruik is voor hem, ook naar eigen zeggen, nog steeds een groot struikelblok. Daarnaast bevat het dossier en hetgeen is besproken ter terechtzitting aanwijzingen van alcoholgebruik door verdachte voorafgaand aan het tenlastegelegde handelen.

Gelet op het voorgaande, in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van de feiten, acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. In hat kader van het voorwaardelijke strafdeel zal zij (nader te noemen) bijzondere voorwaarden koppelen.

In de omstandigheid dat aangeefster nog steeds een toekomst ziet met verdachte, ziet de rechtbank geen reden om verdachte – anders dan gevorderd door de officier van justitie – een contactverbod met de kinderen van aangeefster op te leggen.

7a. De vorderingen na voorwaardelijke veroordeling (05/840099-15

en 05/053512-14)

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling moeten worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft medegedeeld dat ten aanzien van beide vorderingen na voorwaardelijke veroordeling door de rechter-commissaris reeds de voorlopige tenuitvoerlegging is bevolen. Op 15 december 2015 loopt de executie van beide vorderingen af. De raadvrouw heeft in dit kader verder geen verweer gevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dienen de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Gelderland van 16 mei 2014 (parketnummer 05/053512-14) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken en de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Gelderland van 5 februari 2015 (parketnummer 05/840099-15) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 75 dagen, ten uitvoer gelegd te worden.

Op 17 september 2015 is door de rechter-commissaris reeds, op juiste gronden, de voorlopige tenuitvoerlegging van beide vorderingen bevolen.

7b. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. Gevorderd wordt een bedrag van € 540,60, bestaande uit € 500,-- immateriële schade en € 40,60 materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering voor wat betreft de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu zij te kennen heeft gegeven de relatie met verdachte voort te willen zetten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat de vordering voor wat betreft de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu zij te kennen heeft gegeven de relatie met haar cliënt voort te willen zetten. Daarnaast is haar cliënt niet in staat om het gevorderde bedrag aan immateriële schade te betalen.

De beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen tot het gevorderde bedrag van € 40,60 aan materiële schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 14 september 2015.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij(en).

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

Wat betreft de gevorderde immateriële zal de benadeelde partij zal niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering. Behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. In het bijzonder betrekt de rechtbank daarbij dat aangeefster/benadeelde partij heeft aangegeven de relatie met verdachte te willen voortzetten.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 22b, 24c, 27, 36f, 57, 300, 304, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 2 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

  • -

    de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

Meldplicht

zich moet melden op vijf dagen volgend op uitspraak van de rechter bij Tactus Reclassering op het volgende adres: Burgtstraat 2 te Harderwijk. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Behandelverplichting

zich zal laten behandelen bij Tactus of forensische verslavingspolikliniek JusTact of een soortgelijke ambulante (forensische) zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Ook als dat inhoudt medewerking verlenen aan controles inzake middelengebruik en eventueel medicamenteus beleid.

Betrokkene heeft een behandeling bij de Forensische polikliniek JusTact danwel Tactus, in aanvulling hierop of in samenspraak kan behandeling bij GGZ Centraal opgestart worden.

Behandelverplichting

zich zal laten behandelen bij GGZ Centraal of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang

wordt verplicht om in een beschermde woonvorm van Zorg en Ondersteuning of een soortgelijke (eventueel forensische) instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Opname in een zorginstelling

wordt verplicht tot een korte klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

- Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Gelderland van 16 mei 2014 (parketnummer 05/053512-14), te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Gelderland van 5 februari 2015 (parketnummer 05/840099-15), te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 75 dagen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 40,60 (veertig euro en zestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 40,60 (veertig euro en zestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Ouweneel (voorzitter), mr. D.S.M. Bak en mr. S. Kropman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 november 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, District Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015450947, gesloten op 15 september 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 5.

3 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 6, elfde alinea.

4 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 6, dertiende alinea.

5 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 6, vijftiende alinea.

6 Het proces-verbaal van bevindingen inhoudende de verklaring van [betrokkene] , d.d. 14 september 2015 opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , p. 14.

7 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 19 oktober 2015.

8 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 5 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 34, zevende en achtste alinea.