Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6679

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
05/740251-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft een 27-jarige man uit Nijmegen veroordeeld wegens een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, het voorhanden hebben van een aantal verboden wapens en het aanwezig hebben van speed en hennep tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De man dient zich gedurende de proeftijd te houden aan de aanwijzingen van de reclassering en dient zich op te laten nemen bij de Woenselse Poort voor een behandeling. Ook dient veroordeelde zich te onthouden van drugs en alcohol.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige feiten. Hij heeft met een jachtgeweer geschoten in iemands voet. Weliswaar is namens verdachte betoogd dat hij op de grond heeft geschoten en dat het niet zijn bedoeling was om gericht op de voet van het slachtoffer te richten, de rechtbank acht het echter een feit van algemene bekendheid dat een kogel kan afketsen. Verdachte heeft bovendien van dichtbij, op twee tot drie meter afstand, geschoten op het slachtoffer en weet hoe hij een wapen moet hanteren. Hij was echter in paniek en verkeerde onder invloed van alcohol en drugs. Gelet hierop alsmede de kracht waarmee het schot gedaan is, er was immers een gat in de vloer ontstaan, is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door het lossen van het schot met het jachtgeweer het slachtoffer geraakt zou worden en dat daardoor zwaar lichamelijk letsel had kunnen ontstaan. De rechtbank heeft het beroep van verdachte op noodweer verworpen omdat de rechtbank niet meegaat in de stelling van verdachte dat het slachtoffer wapens had meegenomen. Dat er sprake was van een dusdanige situatie dat verdediging geboden was, is niet aannemelijk geworden.

Verdachte heeft daarnaast een aantal wapens en de daarbij behorende munitie voorhanden gehad. Ook heeft verdachte speed en hennep in zijn woning aanwezig gehad. Gelet op de ernst van de feiten heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat aan verdachte een gevangenisstraf waarvan een deel voorwaardelijk moet worden opgelegd. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn aan deze straf een aantal bijzondere voorwaarden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/740251-15

Datum uitspraak : 30 oktober 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te Nijmegen, wonende te [adres]

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem

Raadsvrouw: mr. S. Striekwold, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 augustus 2015 en 16 oktober 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 18 mei 2015 te gemeente Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] met een jachtgeweer, althans een (vuur)wapen, in een voet, althans het lichaam, geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 18 mei 2015 te gemeente Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door die [slachtoffer] met een jachtgeweer, althans een (vuur)wapen, in een voet, althans het lichaam, te schieten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 18 mei 2015 in de gemeente Nijmegen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een jachtgeweer, althans een (vuur) wapen, in een voet, althans het lichaam, te schieten;

2.

hij op of omstreeks 18 mei 2015 in de gemeente Nijmegen een of meer wapens van

categorie III, te weten:

-een gaspistool van het merk Umarex, type p22, kaliber 9 mm Knal, voorzien van het serienummer [nummer 1] en/of

-een revolver van het merk Buffel, kaliber .22 en/of

-een enkel loops geweer, type pomp-actie, kaliber .12, voorzien van het serienummer [nummer 2] en/of

munitie van categorie III, te weten:

-20, althans een of meer stuks munitie, type hagel, kaliber .12 en/of

- 6, althans een of meer stuks munitie, type knal, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 18 mei 2015 te gemeente Nijmegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 120 gram, althans meerdere grammen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende speed, althans MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine, zijnde speed, althans MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 18 mei 2015 te gemeente Nijmegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (één of meer dozen gevuld met) (gedroogde) henneptoppen en/of hennepgruis en/of 26 althans één of meer hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 18 mei 2015 te Nijmegen heeft verdachte met een jachtgeweer geschoten. De kogel uit dit jachtgeweer heeft [slachtoffer] vervolgens in zijn voet geraakt.2 Hij heeft hierdoor letsel aan zijn voet, bestaande uit een inschotopening aan de binnenzijde van zijn voet en een schampwondje opgelopen. 3

Het standpunt van de officier van justitie

Uit het dossier volgt niet dat verdachte opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) had om [slachtoffer] te doden, zodat verdachte naar de mening van de officier van justitie van het primair tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken.

De officier van justitie is wel van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Verdacht heeft met een vuurwapen in de richting geschoten van een persoon. Uit het dossier blijkt dat er zelfs een gat in de vloer zat. Dit geeft naar de mening van de officier van justitie iets aan over de kracht van het wapen. Gelet hierop heeft verdachte bewust de kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit. Verdachte heeft een waarschuwingsschot gelost op de grond. Omdat hij op de grond richtte kan niet aangenomen worden dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze kogel uit het jachtgeweer vervolgens [slachtoffer] zou raken. Niet gezegd kan daarom worden dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De beoordeling door de rechtbank

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte van dat feit dan ook vrijspreken.

De rechtbank overweegt omtrent het subsidiair tenlastegelegde feit als volgt.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer] door een ingeslagen ruit zijn woning (een oud schoolgebouw) binnen was gekomen. Verdachte verklaart voorts dat hij [slachtoffer] weg wilde sturen en dat hij dat zei, maar dat [slachtoffer] juist een of twee stappen in zijn richting kwam. Verdachte raakte toen in paniek en wilde een waarschuwingsschot lossen. Verdachte richtte toen het jachtgeweer eerst in de richting van het onderste deel van het lichaam van [slachtoffer] maar richtte, toen hij daadwerkelijk schoot, op de grond vóór de voeten van [slachtoffer] . [slachtoffer] liep echter door in verdachtes richting waardoor [slachtoffer] in zijn voet werd geraakt. 4

Door de verdediging is gesteld dat er geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Verdachte heeft van dichtbij, op twee tot drie meter afstand, geschoten op [slachtoffer] . Voorts heeft verdachte verklaard te weten hoe hij een wapen moet hanteren,5 maar dat hij in paniek was. [getuige 1] heeft verklaard dat er een heel stuk uit de vloer was nadat verdachte geschoten had. 6 Dit geeft naar het oordeel van de rechtbank aan welke kracht het schot van verdachte heeft gehad. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat een kogel uit een jachtgeweer via de grond kan afketsen richting iemand. Mede gelet op de gemoedstoestand van verdachte (onder invloed van drugs en alcohol7) alsmede het soort wapen dat door verdachte is gebruikt, is de rechtbank gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door het lossen van het schot met het jachtgeweer het slachtoffer [slachtoffer] geraakt zou worden en dat daardoor zwaar lichamelijk letsel had kunnen ontstaan.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 18 mei 2015 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 mei 2015 zijn in de woning van verdachte te Nijmegen diverse goederen in beslag genomen8, te weten:

- een gaspistool van het merk Umarex, type p22, kaliber 9 mm knal, voorzien van het serienummer [nummer 1] . Het betreft een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III, onder 1ste van de Wet Wapens en Munitie;9

- een revolver van het merk Buffel, kaliber, .22, waarvan kennelijk het serienummer onleesbaar is gemaakt. Het betreft een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III, onder 1ste van de Wet Wapens en Munitie; 10

- een enkel loops geweer van een onbekend merk, type pomp-actie, kaliber, .12, voorzien van het serienummer [nummer 2] . Het betreft een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III, onder 1ste van de Wet Wapens en Munitie; 11

- veertien stuks munitie, type hagel van het kaliber .12. Het betreft munitie als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder 4e en artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet Wapens en Munitie;12

- zes stuks munitie, type hagel van het kaliber .12. Het betreft munitie als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder 4e en artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet Wapens en Munitie;13

- zes stuks munitie, type knal, kaliber 9..Het betreft munitie als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder 4e en artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet Wapens en Munitie.14

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, het voorhanden hebben van verboden wapens. De officier van justitie is van mening dat uit het dossier blijkt dat de tas met wapens van verdachte is, en niet van [slachtoffer] zoals verdachte heeft verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het gaspistool van het merk Umarex voorhanden heeft gehad. Ten aanzien van dat wapen heeft verdachte immers bekend dat het van hem is. De andere wapens waren volgens hem van [slachtoffer] .

De beoordeling van de rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 18 mei 2015 een gaspistool Walther van het kaliber 22 voorhanden heeft gehad15. Uit het dossier blijkt dat dit wapen door de politie ’s nachts op 19 mei 2015 in beslag is genomen16 en dat dit een wapen van het merk Umarex betreft. 17 Verdachte verklaart echter dat de andere wapens genoemd in de tenlastelegging van [slachtoffer] waren. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij geen wapens bij zich had.18 Hij had een gele Jumbo tas bij zich met daarin een paar flesjes bier. 19 In het proces-verbaal van bevindingen van 21 mei 2015 staat omschreven dat op beelden te zien is dat een man een lichte tas droeg en dat dit een boodschappentas zou kunnen zijn. 20 De rechtbank constateert dat dit in overeenstemming lijkt te zijn met de verklaring van [slachtoffer] over de tas die hij mee zou hebben gehad op 19 mei 2015.

Naast verdachte heeft ook [getuige 1] verklaard dat de wapens van [slachtoffer] waren. Echter, nadat [getuige 1] en [verdachte] door de politie waren gehoord, is door de psychologe [naam 1] telefonisch doorgegeven aan de politie dat [getuige 1] tegenover haar, de psychologe, had verteld dat zij, [getuige 1] , gelogen had tegen de politie. Het gaspistool was van verdachte, zo is door [naam 1] verklaard. Ook over de overige aangetroffen wapens vertelde [getuige 1] tegen [naam 1] dat deze van verdachte waren en niet van [slachtoffer] . 21

Tevens heeft [naam 1] tegenover de politie aangegeven dat zij [getuige 1] heeft geadviseerd een aanvullende verklaring af te leggen bij de politie, maar dat [getuige 1] had gezegd ten overstaan van de politie bij haar eerder afgelegde verklaringen te zullen blijven. Tevens vertelde [getuige 1] haar dat, toen [slachtoffer] de politie alarmeerde, zij samen met [verdachte] het verhaal op elkaar hadden afgestemd.22 [getuige 1] heeft verklaard dat zij verdachte [verdachte] noemt.23

Om deze reden acht de rechtbank de door [getuige 1] en [verdachte] bij de politie afgelegde verklaring op dit punt niet geloofwaardig.

Voorts acht de rechtbank van belang dat het gaswapen, waarvan verdachte zelf heeft verklaard dat dit wel van hem was, in dezelfde tas, een legergroene tas, is aangetroffen als de andere wapens. 24 De door verdachte ter terechtzitting gegeven verklaring dat dit wapen in de hectiek van het bureau in deze tas is beland, vindt de rechtbank niet aannemelijk.

Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien gelooft de rechtbank verdachte niet en is zij van oordeel dat verdachte alle in de tenlastelegging genoemde wapens op de genoemde datum voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van feit 3

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 mei 2015 zijn in de woning van verdachte te Nijmegen goederen in beslag genomen. Dit betrof twee zakjes, kleur wit met beslagnummer 2109725. De uitslag van de MMC Opiaten-Amfetamine test gaf de indicatie dat de inhoud van deze twee zakjes amfetamine bevat. De zakjes wogen 156,90 gram. 26

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Opiumwet. Verdachte heeft speed voorhanden gehad.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak gepleit. Naar haar mening is de door de politie uitgevoerde test onbetrouwbaar en had er een test van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) in het dossier moeten zitten. Nu dit onderzoek niet verricht is, kan niet vastgesteld worden dat er daadwerkelijk speed in de in beslaggenomen zakjes zat.

De beoordeling van de rechtbank

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 6 mei 2003, NJ 2003, 458, ECLI: NL: HR 2003: AF5370 en de conclusie bij Hoge Raad 27 januari 2009 ECLI:NL:HR:2009:BG6146) is een rapport uitgevoerd door het NFI niet in alle gevallen noodzakelijk. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij het vooral aankomt op de verklaring(en) van de verdachte, getuigen of (een) medeverdachte(n).

Verdachte heeft bij zijn aanhouding op 18 mei 2015 ten overstaan van de politie direct verklaard dat er drugs in zijn woning lagen. Verdachte wees verbalisanten op een diepvries in de woning en vertelde aan de verbalisanten dat er speed in de diepvries lag27. Later heeft verdachte nog een keer verklaard dat hij speed in de diepvries had liggen en dat hij zoveel had liggen omdat dit goedkoper is met het aanschaffen. 28 Ter terechtzitting is verdachte bij deze verklaring gebleven en heeft hij verklaard dat de speed van hem was. 29

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij naar verdachte toe ging omdat hij weet dat verdachte nogal in de speed zit en [slachtoffer] wilde wat pepmiddelen bij hem ophalen. 30 Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 2] die heeft verklaard dat [slachtoffer] bij verdachte speed kwam halen. 31

Gelet op het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank dan ook van oordeel, anders dan de raadsvrouw, dat het onderzoek van de politie voldoende is om wettig en overtuigend bewezen te achten dat verdachte speed voorhanden heeft gehad. Uit het voorgaande blijkt immers dat mensen wisten dat verdachte speed had. Ook verdachte zelf heeft dit verklaard. In een dergelijk geval acht de rechtbank nader onderzoek door het NFI dan ook niet noodzakelijk om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Hierbij merkt de rechtbank op dat het een feit van algemene bekendheid is dat amfetamine in de volksmond ook wel speed worden genoemd. Uit het dossier volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte de speed samen met een ander aanwezig heeft gehad. Verdachte zal dan ook van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

  • -

    Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisanten 1] , gedateerd 19 mei 2015, p. 82 en 83;

  • -

    Het proces-verbaal van verdovende middelen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisanten 2] , gedateerd 2 juni 2015, p. 84 tot en met 88;

  • -

    De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 oktober 2015.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 18 mei 2015 te gemeente Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] met een jachtgeweer, althans een (vuur)wapen, in een voet, althans het lichaam, geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 18 mei 2015 te gemeente Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door die [slachtoffer] met een jachtgeweer, althans een (vuur)wapen, in een voet, althans het lichaam, te schieten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 18 mei 2015 in de gemeente Nijmegen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een jachtgeweer, althans een (vuur) wapen, in een voet, althans het lichaam, te schieten;

2.

hij op of omstreeks 18 mei 2015 in de gemeente Nijmegen een of meer wapens van

categorie III, te weten:

-een gaspistool van het merk Umarex, type p22, kaliber 9 mm Knal, voorzien van het serienummer [nummer 1] en/of

-een revolver van het merk Buffel, kaliber .22 en/of

-een enkel loops geweer, type pomp-actie, kaliber .12, voorzien van het serienummer [nummer 2] en/of

munitie van categorie III, te weten:

-20, althans een of meer stuks munitie, type hagel, kaliber .12 en/of

- 6, althans een of meer stuks munitie, type knal, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 18 mei 2015 te gemeente Nijmegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 120 gram, althans meerdere grammen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine, zijnde althans MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 18 mei 2015 te gemeente Nijmegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (één of meer dozen gevuld met) (gedroogde) henneptoppen en/of hennepgruis en/of 26 althans één of meer hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Poging tot zware mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 4

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

5 De strafbaarheid van het feit

Noodweer ten aanzien van feit 1

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu verdachte heeft gehandeld uit zelfverdediging. Er was sprake van een wederrechtelijke aanranding of bedreiging van het lijf of leven van verdachte waartegen verdediging geboden was.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie. Er was geen sprake van een dreigende situatie waartegen verdachte zich moest verdedigen. Verdachte had zelf wapens in zijn woning.


De beoordeling door de rechtbank

Om een geslaagd beroep te kunnen doen op noodweer dient in ieder geval sprake te zijn van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen gaat de rechtbank ervan uit de wapens van verdachte waren en niet dat [slachtoffer] wapens heeft meegenomen. Derhalve is de door verdachte geschetste noodweersituatie niet aannemelijk geworden en wordt het beroep op noodweer verworpen.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat, voor zover uit het dossier volgt dat het slachtoffer [slachtoffer] op een ongebruikelijke manier binnen is gekomen in de woning van verdachte, niet is gebleken dat op dat moment de situatie zodanig bedreigend was voor verdachte dat er gesproken kan worden van een noodweersituatie. Verdachte en [slachtoffer] kenden elkaar en [slachtoffer] kwam regelmatig bij verdachte in de woning.

De rechtbank is van oordeel dat er ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De bewezenverklaarde feiten leveren derhalve strafbare feiten op.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van de tenlastegelegde feiten, verzocht om verdachte een behandeling in de Woenselse Poort op te leggen zoals door de reclassering is geadviseerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 21 september 2015;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 21 mei 2015;

- rapportages van Tactus Verslavingszorg, respectievelijk gedateerd 28 september 2015 en 2 oktober 2015.

De rechtbank overweegt in het bijzonder als volgt

Verdachte heeft met een jachtgeweer geschoten op de voet van het slachtoffer [slachtoffer] . Daarbij heeft [slachtoffer] een inschotopening aan de binnenzijde van zijn voet en een schampwondje opgelopen. Daarnaast heeft verdachte een aantal wapens en bijbehorende munitie voorhanden gehad. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij wapens voorhanden heeft gehad en deze ook in de richting van een persoon heeft gebruikt.

Het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie levert een onaanvaardbaar risico op het gebruik daarvan op. Door dergelijk handelen wordt de maatschappelijke veiligheid immers ernstig aangetast, nu deze wapens kunnen worden gebruikt voor criminele activiteiten.

Verdachte heeft hiermee een onaanvaardbaar risico in het leven geroepen voor de veiligheid van personen. Daarnaast heeft verdachte hennep en speed aanwezig gehad. Drugsgebruik schaadt de volksgezondheid en wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast. Handelingen die mede tot doel hebben illegaal drugs op de markt te brengen dienen daarom streng te worden bestraft.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het uittrekstel uit de justitiële documentatiedienst waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor onder meer Opiumwetzaken en geweldsdelicten.

Een forse gevangenisstraf zoals geëist kan dan ook gelet op het voorgaande gerechtvaardigd worden geacht.

De rechtbank houdt echter rekening met hetgeen beschreven staat in het rapport van Reclassering Nederland, gedateerd 21 mei 2015. Daarin staat onder meer omschreven dat verdachte dagelijks softdrugs en harddrugs gebruikt. Verdachte heeft al meerdere jaren geen werk. Hij woont anti-kraak in een oud schoolgebouw en vindt het leuk om het schoolgebouw te onderhouden.

In het rapport van Tactus Verslavingszorg, gedateerd 2 oktober 2015 staat onder meer omschreven dat klinische behandeling noodzakelijk is om de problematiek en daarmee de recidive kans te verminderen. Verdachte zelf bleek echter een complicerende factor voor een spoedige plaatsing. Verdachte werd geplaatst bij FPK Assen hoewel hij zelf liever naar de Woenselse Poort had willen gaan. De behandelovereenkomst bij FPK Assen is echter voortijdig beëindigd.. De reclassering acht een klinische behandeling echter nog wel noodzakelijk. Tactus Verslavingszorgen de Woenselse Poort te Eindhoven hebben eerder laten weten dat verdachte akkoord is bevonden voor opname. Tactus Verslavingszorg adviseert dan ook om een voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld een aantal nader genoemde bijzondere voorwaarden.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij reeds een aantal maanden gestopt is met het gebruiken van drugs. Hij heeft geleerd dat hij zonder drugs ook om kan gaan met stress en problemen. Ook heeft verdachte een diploma VCA gehaald en is hij al bijna klaar met zijn opleiding voor het MKB. Hij is weliswaar zijn woning kwijt geraakt maar hij wil verder gaan met zijn leven en een goede relatie opbouwen met zijn vriendin, zo beschrijft verdachte in zijn overgelegde brief. Verdachte heeft verklaard dat hij wel behandeld wil worden maar dat hij niet opgenomen wil worden. Hij wil graag naar dezelfde kliniek gaan als zijn vriendin gaat. Dit is de kliniek Trübendorffer. Ook heeft verdachte een aantal keren verklaard dat hij tijdens het schietincident in shock was en dat hij achteraf gezien beter de politie had kunnen bellen.

Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien wil de rechtbank verdachte, anders dan de officier van justitie, alsnog de kans geven zich te laten behandelen en hiermee de kans op het niet meer plegen van strafbare feiten en het daadwerkelijk gaan leiden van een ander leven vergroten. De rechtbank zal aan verdachte om die reden aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van fors lagere duur dan de officier van justitie opleggen, met daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf om verdachte te motiveren aan zichzelf te gaan werken. De rechtbank zal dan ook de bijzondere voorwaarden opleggen zoals in het rapport van Tactus Verslavingszorg zijn opgenomen. De proeftijd zal daarbij op drie jaar worden gesteld nu de rechtbank verwacht dat verdachte geruime tijd nodig heeft om zijn leven goed op orde te krijgen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 302 en 91 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 2, 26, 55 en 56 van de Wet Wapens en Munitie en de artikelen 2, 3, 10, 11 en 13 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 Spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarde(n) dat de veroordeelde:

- zich na afloop van de detentie diezelfde dag telefonisch zal melden bij Tactus reclassering te Enschede op telefoonnummer 088-3822887 en, indien de hierna te noemen klinische opname niet direct zal plaatsvinden in aansluiting op de detentie, aan Tactus reclassering zal doorgeven op welk adres hij verblijft en op welke wijze hij bereikbaar is;

- zich zal melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- zich op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zich ter behandeling van zijn verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek voor maximaal 24 maanden zal laten opnemen in de Woenselse Poort te Eindhoven of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering in samenspraak met het NIFP-IFZ, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die de veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

- zich na zijn klinische behandeling onder behandeling zal stellen van een forensische polikliniek, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn verslavings-en persoonlijkheidsproblematiek;

- zich zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek op aanwijzing van de reclassering;

- direct meldt bij de reclassering als hij een terugval in middelen heeft of heeft gehad.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Gerritsen (voorzitter), mr. M.A. Bijl en mr. E.C. Ruinaard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Wessels-Harmsen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 oktober 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL 0600-2015240676 (08 Epimetheus), gesloten op 14 juli 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 oktober 2015.

3 Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring, gedateerd 14 juli 2015.

4 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 oktober 2015.

5 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte [verdachte] , p. 186, vierde alinea.

6 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte [getuige 1] , p. 225, onderaan.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pagina 185, achtste alinea.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] op 19 mei 2015, p. 19, onderaan, het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] op 19 mei 2015, p. 21-22.

9 Het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 23, onder het kopje voorwerp 1 ( zie foto 1 en 2).

10 Het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 23, onder het kopje voorwerp 2 ( zie foto 3 en 4).

11 Het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 23, onder het kopje voorwerp 3 ( zie foto 5 en 6).

12 Het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 24, onder het kopje voorwerp 4 ( zie foto 7).

13 Het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 24, onder het kopje voorwerp 5 ( zie foto 8).

14 Het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 24, onder het kopje voorwerp 7 ( zie foto 10).

15 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 oktober 2015.

16 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , gedateerd 19 mei 2015, p. 21, vijfde alinea.

17 Het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 23, onder het kopje voorwerp 1 ( zie foto 1 en 2).

18 Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte [slachtoffer] , p. 258, negende alinea.

19 Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte [slachtoffer] , p. 257, eerste alinea en p. 238, derde alinea.

20 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , op 21 mei 2015, p. 73, zesde alinea.

21 Het proces-verbaal van bevindingen psycholoog [naam 2] (de rechtbank begrijpt [naam 1] ), opgemaakt op 22 mei 2015 door verbalisant [verbalisant 5] , p. 70, tweede alinea.

22 Het proces-verbaal van bevindingen psycholoog [naam 1] , opgemaakt op 1 juni 2015 door verbalisant [verbalisant 5] , p. 71.

23 Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte [getuige 1] , p. 213, tweede alinea.

24 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , gedateerd 19 mei 2015, p. 21, tweede en vierde alinea alsmede het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte [verdachte] , p. 188, eerste zes alinea’s.

25 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisanten 1] , gedateerd 19 mei 2015, p. 82, derde alinea en p. 83, bovenaan.

26 Het proces-verbaal van verdovende middelen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisanten 2] , gedateerd 2 juni 2015, p. 87, derde alinea.

27 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] , op 19 mei 2015, p. 81.

28 Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte [verdachte] , p. 193, zevende tot en met veertiende alinea.

29 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 oktober 2015.

30 Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte [slachtoffer] , p. 238, twaalfde alinea.

31 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 62, eerste alinea.