Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6674

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
05/840760-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een verdachte veroordeeld die in juli 2015 op de eerste hulp van het Gelre Ziekenhuis in Apeldoorn een arts en een verpleger heeft bedreigd en vernielingen heeft aangericht. Aan hem is een gevangenisstraf van 120 dagen opgelegd, waarvan 43 dagen voorwaardelijk. Ook moet de verdachte schade vergoeden die het ziekenhuis niet door de verzekering vergoed heeft gekregen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat naar de ervaring leert, delicten als het onderhavige veelal de oorzaak zijn van langdurige en ingrijpende angstgevoelens bij de directe slachtoffers. Zij dragen bovendien bij aan in de samenleving levende gevoelens van onveiligheid. Des te kwalijker vindt de rechtbank het dat de door verdachte geuite bedreiging was gericht tegen hulpverleners die hem de nodige zorg wilden verlenen en op een voor velen toegankelijke plaats namelijk de spoedeisende hulp van een ziekenhuis; een plaats bovendien waar zich kwetsbare personen (patiënten) bevinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840760-15

Datum uitspraak : 30 oktober 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Raadsvrouw: mr. S.H.O. Schaapherder, advocaat te Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 oktober 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 juli 2015 te Apeldoorn, in een of meer ruimte(s) van de afdeling Spoedeisende Hulp van het [slachtoffer 1] aldaar, opzettelijk en wederrechtelijk een kinderstoel en/of een folderhouder kapot heeft gegooid en/of tegen een of meer prullenbak(ken) en/of vuilnisbak(ken) heeft geschopt en/of een stoel tegen en/of door een ruit heeft gegooid, en aldus dat/die voorwerp(en) en/of de ruimte(s) waar dat/die voorwerp(en) zich bevond(en),

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 18 juli 2015 te Apeldoorn, op de afdeling Spoedeisende Hulp van het [slachtoffer 1] aldaar, [slachtoffer 2] (verpleegkundige) en/of [slachtoffer 3] (arts assistent) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd :"ik maak jullie dood en ik zal jullie klappen geven tegen het hoofd", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Aanleiding onderzoek

De politie kreeg op 18 juli 2015 om 02.05 uur melding dat er iemand volledig “door het lint” ging op de eerste hulp afdeling van het [slachtoffer 1] in Apeldoorn. De politie trof verdachte ter plaatse aan. Hij zat onder het bloed, was aan het schelden en gooide met tijdschriften. De verdachte is vervolgens aangehouden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich wat betreft de eventuele bewezenverklaring van het onder 1 ten laste feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft zij vrijspraak bepleit. De situatie waarin verdachte verkeerde tijdens zijn verblijf op de eerste hulp afdeling is ontstaan uit een situatie waarin hij zelf slachtoffer was van geweld. Hij had het idee dat hij hulp nodig had, dat hij doodbloedde en hij heeft uit paniek en emotie gehandeld.

Beoordeling door de rechtbank

De verdachte heeft – zakelijk weergegeven - verklaard dat hij op 18 juli 2015 op de eerste hulp van het [slachtoffer 1] in Apeldoorn is geweest. Hij is toen door het lint gegaan en heeft van alles geroepen. Hij heeft om zich heengeslagen en spullen vernield. Hij heeft er spijt van dat hij mensen heeft laten schrikken en dat hij er een rotzooi van gemaakt heeft.2

[slachtoffer 4] heeft aangifte gedaan. Hij heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij op 18 juli 2015 nachtdienst had in het [slachtoffer 1] in Apeldoorn. Om 01.30 uur was er een persoon in behandeling bij de spoedeisende hulp. Hij hoorde op een gegeven moment een hoop geschreeuw en gebonk en zag dat er werd gegooid met zaken. Het was hem duidelijk dat er iemand helemaal door het lint ging. Het was de man die eerder door de ambulancedienst was binnengebracht. De man was razend en schreeuwde van alles en gooide met van alles. Er zijn een kinderstoel en een folderhouder kapot gemaakt.3

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan. Hij heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij op 18 juli 2015 werkzaam was als verpleegkundige op de spoedeisende hulp van het [slachtoffer 1] . Verdachte werd omstreeks 01.23 uur binnengebracht door de ambulance en werd op een behandelbed neergelegd. Hij had een wond aan zijn hoofd en maakte veel lawaai. Aangever is samen met de arts [slachtoffer 3] naar verdachte gelopen. Verdachte zei dat hij gelijk geholpen wilde worden, maar zei ook dat hij niet mee wilde werken. Verdachte begon hard te schreeuwen en zei tegen hem en zijn collega “Ik maak jullie dood en ik zal jullie klappen geven tegen het hoofd”. Hij bedreigde hen hiermee. Na veel praten wilde verdachte uiteindelijk meewerken aan een scan. Na de scan viel verdachte in slaap. Aangever en de arts zaten te wachten op de uitslag van de scan en wilden daarom wachten met het hechten van de wond. Toen verdachte wakker werd was hij in eerste instantie rustig, maar vervolgens werd hij onrustig en begon hij weer te schreeuwen. Toen aangever en [slachtoffer 3] naar verdachte liepen begon verdachte met van alles te gooien, trapte hij tegen een prullenbak en bleef hij van alles schreeuwen. Verdachte gooide met krukken. Vervolgens pakte hij een rolstoel. Die gooide hij eerst tegen een ruit, die kapot ging, en vervolgens gooide verdachte in hun richting. Aangever heeft zich erg bedreigd gevoeld door verdachte en was bang dat verdachte hem of zijn collega wat zou aandoen.4

[slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan. Hij heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij op 18 juli 2015 als arts-assistent dienst had op de eerste hulp van het [slachtoffer 1] in Apeldoorn. Hij werkte samen met onder andere [slachtoffer 2] . Verdachte [verdachte] werd daar binnen gebracht met een hoofdwond. Verdachte was bij aankomst gelijk al verbaal agressief tegen hem en zijn collega’s. Verdachte zei dat hij hem op zijn bek ging stompen. Toen hij verdachte naar de scan wilde brengen zei verdachte tegen hem: “ik maak je dood”. Tijdens deze doodsbedreiging was [slachtoffer 2] ook aanwezig en hij moet het ook gehoord hebben. Na de scan was verdachte wat rustiger, maar op een gegeven moment sprong hij op en was hij boos en agressief. Verdachte schopte dingen om en gooide met spullen. Aangever vond dat eng. Hij was bang dat verdachte hemzelf of zijn collega’s iets zou aandoen, want zo kwam hij over.5

De rechtbank is van oordeel dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen verklaard kunnen worden. De rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaringen van aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Verdachte is in woord en gedrag bedreigend geweest; aangevers mochten verdachtes handelen in redelijkheid ook als bedreigend ervaren.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 18 juli 2015 te Apeldoorn, in ruimtes van de afdeling Spoedeisende Hulp van het [slachtoffer 1] aldaar, opzettelijk en wederrechtelijk een kinderstoel en een folderhouder kapot heeft gegooid en tegen een prullenbakken en/of vuilnisbak heeft geschopt en een stoel tegen en door een ruit heeft gegooid, en aldus die voorwerpen en de ruimtes waar die voorwerpen zich bevonden, toebehorende aan [slachtoffer 1] , respectievelijk heeft vernield en beschadigd;

2.

hij op 18 juli 2015 te Apeldoorn, op de afdeling Spoedeisende Hulp van het [slachtoffer 1] aldaar, [slachtoffer 2] (verpleegkundige) en [slachtoffer 3] (arts assistent) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd :"ik maak jullie dood en ik zal jullie klappen geven tegen het hoofd", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

en

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

Ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 43 dagen voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met een proeftijd van 2 jaar.

Ter toelichting heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte agressief en bedreigend is geweest tegen professionele hulpverleners, die hem van medische zorg wilden voorzien.

Het standpunt van de verdediging

Naast de bepleite vrijspraak voor feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte door de reeds ondergane voorlopige hechtenis al fors is gestraft. Door het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf zou het huidige hulpverleningstraject stagneren. Het opleggen van een werkstraf naast het hulpverleningstraject zou een te zware belasting zijn voor verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat naar de ervaring leert, delicten als het onderhavige veelal de oorzaak zijn van langdurige en ingrijpende angstgevoelens bij de directe slachtoffers. Zij dragen bovendien bij aan in de samenleving levende gevoelens van onveiligheid. Des te kwalijker vindt de rechtbank het dat de door verdachte geuite bedreiging was gericht tegen hulpverleners die hem de nodige zorg wilden verlenen en op een voor velen toegankelijke plaats namelijk de spoedeisende hulp van een ziekenhuis; een plaats bovendien waar zich kwetsbare personen (patiënten) bevinden. Verdachte heeft zijn bedreiging kracht bijgezet door ook goederen te vernielen en te beschadigen.

Door de weigerachtige opstelling van verdachte heeft de rechtbank geen inzicht kunnen verkrijgen in de persoon van verdachte. De gevolgen van verdachtes weigerachtige opstelling komen voor zijn rekening. Verdachte heeft bij de behandeling ter zitting, zoals hem ook is voorgehouden, indrukken achtergelaten die kunnen wijzen op een zekere mate van achterdocht. De combinatie met alcoholgebruik en verdachtes agressieve handelen zoals hier bewezen verklaard, roept bij de rechtbank zorgen op omtrent de persoonlijkheidstoestand van verdachte. Gelet op de relatieve ernst van de bewezenverklaarde feiten en het tot nu relatief beperkte strafblad van verdachte acht de rechtbank een nader gedwongen onderzoek naar de persoon van verdachte echter niet aangewezen.

De rechtbank kan zich verenigen met de aan deze omstandigheden recht doende eis van de officier van justitie en zal deze overnemen.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 133,40.

De officier van justitie heeft verzocht tot toewijzing van dit bedrag en de raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Nu niet is weersproken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] , zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag en de vordering de rechtbank ook anderszins niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal deze vordering worden toegewezen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (éénhonderd twintig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 43 (drieënveertig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], rekeningnummer [rekeningnummer] , van een bedrag van € 133,40, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 heft op het bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Driessen (voorzitter), mr. Van der Mei en mr. O.E. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Hoesstee, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 oktober 2015.

Mr. De Jong is buiten staat mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Oost Nederland, district Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015351229 Z, gesloten op 18 juli 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 augustus 2015

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] , p. 7-8

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p.10-11

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 13-14