Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6589

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1430 en 15_2990
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In het geval dat aan een belanghebbende in verband met een bezwaar of beroep een toevoeging voor rechtsbijstand op grond van de Wet op de rechtsbijstand is verleend, kan een proceskostenvergoeding niet worden verrekend met een bestaande (rest)vordering op de belanghebbende. De vergoeding dient in dergelijke gevallen krachtens de wet (artikel 7:15, vijfde lid, en artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht) immers te worden betaald aan de rechtsbijstandverlener. In een dergelijk geval is verrekening als bedoeld in artikel 60a, vierde lid, van de Pw om die reden niet aan de orde, alhoewel de gerechtigde tot deze betaling nog steeds de belanghebbende is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: 15/1430 en 15/2990

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J. van Delft),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder (gemachtigde: mr. A.J.F. Widdershoven).

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aan eiser verstrekte algemene bijstand met ingang van 28 januari 2003 ingetrokken, alsmede de aan hem verstrekte bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag. Verweerder heeft de over de periode van januari 2003 tot en met 2013 gemaakte kosten aan bijstand en langdurigheidstoeslag tot een bedrag van € 131.287,58 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 10 januari 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk verklaard.

Het daartegen ingestelde beroep heeft deze rechtbank bij uitspraak van 25 november 2014 gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 10 januari 2014 vernietigd en verweerder veroordeeld tot betaling aan eiser van in beroep gemaakte proceskosten.

Bij besluit op bezwaar van 16 februari 2015 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I gegrond verklaard, de intrekking over de periode van 28 januari 2003 tot en met 31 december 2007 in stand gelaten, de bijstand over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 mei 2013 herzien en van eiser een bedrag van € 99.196,48 teruggevorderd. Voorts heeft verweerder aan eiser een proceskostenvergoeding van € 974 toegekend en bepaald dat deze vergoeding wordt verrekend met verweerders openstaande vordering op eiser.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Dit beroep is bij deze rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 15/1430.

Bij besluit van 14 maart 2014 (het primaire besluit II) heeft verweerder eisers aanvraag om bijstand van 23 januari 2014 afgewezen.

Bij besluit op bezwaar van 23 juli 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Het daartegen ingestelde beroep heeft deze rechtbank bij uitspraak 24 februari 2015 gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 23 juli 2014 vernietigd en verweerder veroordeeld tot betaling aan eiser van een vergoeding voor in beroep gemaakte proceskosten.

Bij besluit op bezwaar van 22 mei 2015 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het primaire besluit II, onder gegrondverklaring van eisers bezwaar, herroepen, aan eiser vanaf juni 2013 een uitkering toegekend en bepaald dat eiser recht heeft op een nabetaling van € 2.787,12. Voorts heeft verweerder aan eiser een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte proceskosten ten bedrage van € 974 toegekend en bepaald dat deze vergoeding wordt verrekend met verweerders openstaande vordering op eiser.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld. Dit beroep is bij deze rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 15/2990.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 10 september 2015. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Het beroep met zaaknummer 15/1430

1. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de intrekking van de bijstand over de periode van 28 januari 2003 tot en met 31 december 2007, de herziening van de bijstand over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 mei 2010 en de terugvordering van een bedrag van € 99.196,48 aan verstrekte bijstand en langdurigheidstoeslag, zodat dit in beroep geen onderwerp van geschil is.

2. Eiser heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat bekend is welke inkomsten eiser vanaf mei 2013 heeft genoten en dat verweerder desondanks heeft nagelaten om ten aanzien van de periode vanaf mei 2013 [lees: juni 2013] een beslissing over eisers recht op bijstand te nemen. Ter zitting heeft eiser te kennen gegeven dat aan deze beroepsgrond met het later genomen bestreden besluit II tegemoetgekomen is, zodat deze grond geen bespreking meer behoeft.

3. Eiser heeft zich voorts in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder niet bevoegd was om de hem bij het bestreden besluit I toegekende proceskostenvergoeding te verrekenen met de vordering die verweerder op eiser heeft.

Verweerder heeft dit bestreden.

4. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Onverminderd het bepaalde in artikel 60, derde lid van de Participatiewet (Pw) kan verweerder op grond van artikel 60a, vierde lid, van de Pw een schuld aan een belanghebbende verrekenen met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59 van de Pw. Gezien het bepaalde in artikel 60, derde lid, van de Pw dient deze bepaling naar het oordeel van de rechtbank zo gelezen te worden dat hiermee een bevoegdheid tot verrekening is gegeven voor andersoortige schulden dan schulden die voor verweerder rechtstreeks voortvloeien uit de toekenning van de bijstand. Hieronder dienen derhalve in beginsel eveneens schulden uit hoofde van een aan een belanghebbende toekomende proceskostenvergoeding te worden verstaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan een proceskostenvergoeding, in het geval dat aan een belanghebbende in verband met een bezwaar of beroep een toevoeging voor rechtsbijstand op grond van de Wet op de rechtsbijstand is verleend, echter niet worden verrekend met een bestaande (rest)vordering op de belanghebbende. De vergoeding dient in dergelijke gevallen krachtens de wet (artikel 7:15, vijfde lid, en artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht) immers te worden betaald aan de rechtsbijstandverlener. In een dergelijk geval is verrekening als bedoeld in artikel 60a, vierde lid, van de Pw om die reden niet aan de orde, alhoewel de gerechtigde tot deze betaling nog steeds de belanghebbende is. De rechtbank stelt vast dat voor de onderhavige procedure aan eiser een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is verleend. Dit betekent, gezien het voorgaande, dat verweerder ondanks het bepaalde in artikel 60a, vierde lid, van de Pw in dit geval niet kon besluiten om de aan eiser in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding te verrekenen met zijn openstaande vordering op eiser.

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit I vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat de aan eiser toegekende proceskostenvergoeding zal worden verrekend met verweerders openstaande vordering op eiser. De rechtbank zal voorts bepalen dat verweerder de proceskostenvergoeding aan de rechtsbijstandverlener van eiser betaalt.

6. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dienen te worden betaald aan de rechtsbijstandverlener van eiser. De rechtbank begroot deze kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 980 aan kosten voor door een derde verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

7. Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 aan eiser dient te vergoeden.

Het beroep met zaaknummer 15/2990

8. Eiser heeft zich in de onderhavige procedure op het standpunt gesteld dat verweerder de nabetaling ten onrechte heeft verrekend met zijn openstaande vordering op eiser. Volgens eiser schendt verweerder door de nabetaling te verrekenen de voor eiser geldende beslagvrije voet. Andere beroepsgronden zijn door eiser niet aangevoerd.

9. Verweerder heeft bestreden dat hij niet bevoegd is om de nabetaling te verrekenen met zijn openstaande vordering op eiser.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van het hiervoor genoemde artikel 60, derde lid, van de Pw bevoegd is tot verrekening van de nabetaling met de nog openstaande schuld van eiser aan verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van deze verrekeningsbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Eiser heeft niet gesteld dat hij op het moment van verrekening een inkomen genoot dat lag onder de beslagvrije voet. De verwijzing van eiser ter zitting naar de uitspraak van de Hoge Raad van 31 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3068) en van deze rechtbank van 26 februari 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:1257) gaat niet op, omdat het in de onderhavige zaak niet gaat om een op een nabetaling gelegd beslag, maar om de bevoegdheid tot verrekening.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

In de beroepszaak met zaaknummer 15/1430

verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond;

vernietigt het bestreden besluit I, voor zover daarbij is bepaald dat de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding zal worden verrekend met verweerders openstaande vordering op eiser;

bepaalt dat verweerder de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding aan de rechtsbijstandverlener van eiser betaalt;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit I;

veroordeelt verweerder tot een bedrag van € 980 in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45 aan hem vergoedt;

In de beroepszaak met zaaknummer 15/2990

verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en mr. M.M.L.A.T. Doll, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Lankamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.